Halbesma, Sikke


Personalia

Achternaam Voornamen Geboorte datum Naam vader Naam moeder
Halbesma Sikke 27-08-1924, Dockum Halbesma, Hessel De Jong, Doetje

Legioen periode: 1951 - 1952

No Matricule Engage Libere Libere Plaats
84507 (a) 08-1951 Vincennes Parijs / Frankrijk (a) 03-1952 / Desertie [-] / [-]

Biografie


Als een schok is het bericht door het kamp gegaan.
De vrouw om wie Halbesma is gaan dienen is bij hem!

Dienst nemen in het Franse Vreemdelingenlegioen vanwege liefdesverdriet.
Als we het volgende krantenartikel uit 1952 moeten geloven, wat dat daadwerkelijk de reden waarom Sikke Halbesma naar Frankrijk ging om daar dienst te nemen.
Wat dit verhaal uniek maakt is dat zijn vrouw naar Noord Afrika reisde om haar man geld te geven om te kunnen ontsnappen. Een sensatie annex waarschuwing voor de verschrikkingen van het Vreemdelingenlegioen verhaal?
Of toch niet afgebeeld in de krant was een foto van de legionair met zijn vrouw in Tunesië, waarschijnlijk de plaats Le Kef. Ook andere bronnen ondersteunen delen van het verhaal.

Originele bijschrift in krantenartikel
In Afrika. Als een fragment uit een romantische Franse film, met als zonnig decor een schilderachtig woestijnplaatsje zó doet de nevenstaande foto aan.
In werkelijkheid is het een foto, die één van de vrienden van de heer Halbesma nam tijdens diens tweedaagse verlof. Wij zien hier de heer en mevrouw Halbesma tezamen onder de Afrikaanse zon, het middelpunt vormend van de nieuwsgierige dorpsbewoners.

Het Parool 1952

Maar liefst twee volle krantenpagina’s bestede het dagblad “Het Parool” op 28 en 29 maart 1952 aan het verhaal van de Nederlandse ex-legionair Sibbe Halbesma die 7 maanden in het Franse Vreemdelingenlegioen had gediend.
Het interview met hem verscheen onder de kop:
“Nederlandse légionnaire ontsnapte uit leger van desperado’s (I)”
Deel 1 had maar liefst vier subkoppen:

HET LEGIOEN” KENT GEEN ROMANTIEK
Zijn soldaten: een afgestompte en gedrilde kudde
Mishandelingen moeten dienen om discipline aan te kweken
„Iedereen moet weten waar hij aan toe is”

Het artikel werd geschreven door journalist en schrijver Willem Wittkampf die publiseerde onder de naam “Willem”.

Als inleiding of aanleiding was een eerder bericht in die week over een achttienjarige jongen uit Arnhem die door zijn broer uit het Vreemdelingenlegioen was gered.

Zoals wij reeds meldden is deze week een achttienjarige jongen uit Arnhem, die naar het Franse Vreemdelingenlegioen was vertrokken, door zijn vierendertigjarige broer op het nippertje uit Fort Nicolas te Marseille gered. Dit was de derde jongen, alleen al uit Arnhem, die in de laatste weken naar Frankrijk ging om zich te melden voor het Vreemdelingenlegioen.

Te Amsterdam is dezer dagen de 27-jarige heer S. Halbesma, die in het burgerleven vertegenwoordiger is, teruggekeerd van het Franse Vreemdelingenlegioen in Noord-Afrika, waarbij hij zeven maanden als legionnaire 84507 heeft gediend. „Er gaan meer Nederlanders naar het Legioen dan u denkt” zei hij ons.
Wij publiceren hierbij het relaas van zijn lotgevallen. De heer S. Halbesma staat voor de waarachtigheid ervan in met zijn volledige identiteit. De foto’s uit Afrika, die het verhaal illustreren, zijn gemaakt door hemzelf en door een van zijn kameraden.
„Ik ben een van de weinigen die kunnen waarschuwen zonder bang te hoeven zijn dat het Legioen een dossier van mij opent” zegt hij. „Daarom ben ik wel verplicht mijn verhaal te vertellen, opdat iedereen die nog eens plannen krijgt, weet waar hij aan toe is.” Morgen publiceren wij het slot van zijn ervaringen, en het verhaal van zijn vlucht.

Enige dagen geleden is te Amsterdam een jongeman thuis gekomen, na zeven maanden afwezigheid. Behalve zijn vrouw en een actieve inspecteur van politie, een kapitein van de wilde vaart die thans met zijn vrachtvaardertje ergens op de Atlantische oceaan zit, een anonieme Belg, en een aantal Poolse, Spaanse en Duitse desperado’s in de woestijn van Sidi Bel Abes, weet tot op dit ogenblik niemand waar hij dat stijve been heeft opgedaan, en die gewoonte om nooit drie sigaretten met een enkele lucifer aan te steken.
Maandah heeft hij zijn ouder burger jas weer aangetrokken, en is met een koffertje van huis gegaan om te proberen iets te verdienen in het vak van vertegenwoordiger, dat hij voor zijn vertrek uitoefende.
Sikke Halbesma heeft die burger jas eigenlijk nooit uitgetrokken. Hij is zichzelf gebleven in Frankrijk’s legendarische vreemdelingenlegioen, waar de dagen trillen in de tropenzon, en de nachten koud zijn als de stenen vloer van de gevangenis in Colombe Bechar.

Ex-legionnaire Halbesma is een intelligent mens, die de betrekkelijkheid van alle dingen inziet. Dat bleek uit het verhaal dat hij mij vanavond vertelde.
Maar op één punt heeft hij nooit betrekkelijkheid gekend:
hij hield van zijn vrouw, en toen ze hem zei dat ze hem niet meer wilde zien, had het leven geen waarde meer.
Achteraf begrijpt hij niet meer waarom hij toen de trein naar Frankrijk heeft genomen. Hij had moeten wachten.
Maar destijds heeft dit totale wegvallen van de grondslag van zijn leven een te diepe indruk op hem gemaakt dat hij nog na kon denken zegt hij.
Zelfmoord vond hij laf en de geestelijke moed die hij in de volgende maanden heeft opgebracht, maakt dit verklaarbaar.

“Hij hield van zijn vrouw”

Bij deze vrouw ging het vrijwel zeker om Clemence Johanna Wilhelmina Hubertina Maessen, met wie Sikke Halbesma op 22 juni 1950 in Amsterdam was getrouwd [1]. In het artikel wordt namelijk als haar roepnaam of koosnaam Clem gebruikt.
Eerder was Sikke Halbesma getrouwd geweest met Allerttine van de Werff. Dit huwelijk was gesloten op 15 juli 1948, maar was iets meer dan een jaar later op 28 september 1949 door een echtscheiding ontbonden.
Allerttine van de Werff en Sikke Halbesma hadden samen een zoon, Hessel Halbesma die op 29 november 1949 werd geboren in Amsterdam.

12 oktober 1951 Tunis Fr Af

27 maart 1952 ASD Westerdokstr 11

Zijn verhaal is er een waarvan men zou denken dat het slechts in de verbeelding van een schrijver kan ontstaan.
In Fort Vincennes te Parijs is hij in de rij gaan staan om zich te melden. Voor hem stond een Spanjaard: een jongeman in een keurig pak, en met een somber gesloten gezicht.
Na een tijd wachten werden ze een voor een in een zakelijk kantoor geroepen, waar een legionairs zat. De man vroeg hem naar zijn nationaliteit in het Frans, het Duits, het Engels en het Nederlands.
De Spanjaard die voor hem in de rij had gestaan, kwam hij even later tegen in een zaal waar de rekruten na een voorlopig verhoor heen werden gebracht en waar ze voor het eerst kennis maakte met een verschijnsel, waarmee de mannen in de volgende maanden voortdurend te maken zouden krijgen. De vloer van de zaal was, volgens de voorschriften, geboend en geschrobd of er van gegeten moest worden, maar in de matrassen die er lagen krioelde het van de wandluizen. Het was een afschuwelijke ervaring.
De Spanjaard stond toen op en liep naar het raam. Hij schoof het open en sprong naar beneden. Hij was onmiddellijk dood
Enige tijd later werden de mannen per trein naar Marseille gebracht, en daar opgesloten in Fort Nicolas. Het was daar dat hij bemerkte, dat de voertaal in het Franse Vreemdelingenlegioen Duits was. Voor zover hij het in die maanden heeft kunnen bezien, bestaat het Legioen tot en met de rang van sergeant voor tachtig procent uit Duitsers. De meesten hadden zich volgens hun zeggen gemeld bij een wervingsbureau van het Legioen te Offenburg. In het officierscorps was het percentage Duitsers gering, en men moest bovendien als officier genaturaliseerd zijn tot Fransman.

Tijdens de maaltijd in het kamp. Aan het hoofd van de officierstafel zit de tot Fransman genaturaliseerde Poolse kapitein Ciflinsky, de man die tot de recruten zei, dat ze kerels waren wanneer zij zich lieten slaan.

Formalistische sfeer

Het was in Marseille dat hij voorgoed in aanraking kwam met de organisatie die Frankrijks antwoord is op het probleem hoe men uit een vergaarbak, waar de meest ongedisciplineerde mensen samen stromen, een als massa reagerende kudde samenstelt, die zonder vragen de dood tegemoet gaan op het eerste bevel.
Wat legionnaire Halbesma voornamelijk opviel was de formalistische sfeer, waarin een zakelijk opgezet program wordt uitgevoerd. Een voor een werden de mannen voor verhoor geroepen. Men had intussen aan de hand van het eerste verhoor in Parijs enige nasporingen gedaan. Men zocht in Marseille de leugens op, die in praktisch alle dossiers wel voor kwamen, want men gaat over het algemeen niet naar het Vreemdelingenlegioen, als men niets te verbergen heeft. Op die punten liet men de mannen dan even opnieuw liegen. Men had dan een aanleiding om de betrokkene zonder commentaar met een kaal. geknipt hoofd in de felle zon te zetten, met het gezicht naar een muur, en de opdracht met de neus een papiertje tegen die muur gedrukt te houden. Dit gedeelte van het programma werd uitgevoerd met een maximum aan kalmte. Wanneer dan het slachtoffer na een tijd geheel verdwaasd was terug gebracht, werd hij hardhandig verhoord tot hij alles losliet van zijn verleden.
Zware misdadigers, zoals roofmoordenaars, werden niet aangenomen. Van de anderen werd alles opgeschreven voor de geheime administratie van het Legioen. Vervolgens werden ze onder een valse naam ingeschreven. De echte naam werd slechts aanvaard, als men daar ten stelligste op stond. Vervolgens werd het vijfjarig contract ter tekening voorgelegd. Dat wil zeggen over de gedrukte tekst van het contract lag een vloeiblad, en slechts de ruimte waar getekend moest worden was voor’ de recruten zichtbaar. Door de voorafgaande behandeling waren de mannen inmiddels wel zo murw geworden dat ze zonder bezwaren tekenden.
Legionnaire Halbesma Is een uitzonderingsgeval geweest. Allereerst had de recherche van het bureau in Parijs zelfs na een uitgebreider onderzoek geen leugens in zijn verklaring kunnen vinden. Hij had eenvoudig niets te verbergen gehad, en dit was zo ongewoon dat men er in Marseille danig mee verlegen zat. Men wist namelijk niet hoe in zo’n geval te handelen. Men had bij Halbesma niet de vereiste aanleiding tot de behandeling met de zon, de muur en het papiertje. En de Franse officier die zijn dagelijks werk waarschijnlijk voor zichzelf rechtvaardigde met de redenering dat het toch allemaal maar boevenvee was, schrapte in zijn onzekerheid na enig aarzeling dit gedeelte van het programma. Hierdoor kwam echter ook het tweede punt te mislukken, want legionnaire Halbesma was helemaal niet murw toen hem het contract met het vloeiblad er over heen werd voorgelegd, en hij schoof alvorens te tekenen het blad weg om de tekst van het contract te lezen.
De officier duwde hem opzij, en legde het vloeiblad tierend en scheldend weer over de tekst heen. Halbesma zag echter aan zijn ogen dat hij ten prooi was aan de twijfel, en voornamelijk schreeuwde omdat hij niet wist wat hij aan moest vangen. Opnieuw schoof Halbesma het vloeiblad weg, en andermaal schoof de officier het terug, de ergste ‘bedreigingen uitend. Dit heeft zich nog enige malen herhaald, tot recruut Halbesma het contract bh’ stukjes en beetjes had doorgenomen. De Fransman schold steeds harder, maar hij heeft hem niet aangeraakt.
Halbesma was zeer verbaasd. Het voornaamste punt in het contract was, dat hij zich voor vijf jaar verbond te zullen vechten in het Vreemdelingenlegioen in alle landen en werelddelen waar de Franse regering hem heen zou sturen. Maar dit was niets nieuws voor hem. Alle legionnaires wisten dat ze zich daartoe verbonden. Dit was ook juist wat hij zocht. Daarom had hij zich aangemeld. Toen hij klaar was met lezen tekende hij dan ook zonder aarzelen.

„Kopf Americain “


De behandeling werd voortgezet in Afrika, waarheen de troep na een tijd werd verscheept. In Sidi Bel Abes werden aan de recruten de eerste beginselen bijgebracht van de meest rigoureuze discipline. Nog steeds is de heer Halbesma onder de indruk van die eerste les.
Op de dag van hun aankomst werden de mannen op een hoop gejaagd. Een officier riep iets dat de legionnaires later leerden verstaan als „Gardez vous!”-het bevel „Geeft acht!”. Maar destijds kenden de meesten van hen geen Frans. Ze bleven dus in allerlei houdingen staan. De formele aanleiding, zonder welke men in het Legioen nooit tot handelen overgaat, was weer geschapen. Tijdens deze vertoning stond naast de Franse officier een jonge Duitse sergeant te wachten, van wie de heer Halbesma nooit de naam te weten is gekomen.
De laatste drie die het nog niet begrepen hadden doordat ze stonden te suffen, traag van geest waren, of in het geheel niet op het militaire leven ingesteld, werden door de sergeant naar voren gehaald.
Ze kregen een straf die met een Frans-Duitse haspelterm van het soort dat men voor bijna alle semi-officiële aanduidingen ln het Legioen gebruikt, een „Kopf Americain” werd genoemd. De slachtoffers werden met de rug tegen de muur gezet, en de sergeant, die inmiddels bokshandschoenen had aangetrokken, gaf hen enige doffe stompen onder de kin en op de beide kaken, tot ze bewusteloos in mekaar zakten.
En alle anderen moesten toekijken bij deze strafoefening, waarvan het effect werd verdubbeld, doordat de gestraften bij elke slag met hun achterhoofd tegen de muur sloegen. Op deze manier werd aan de nieuwe recruten het wedstrijd-element bijgebracht, wat betreft het opvolgen van bevelen. De man die het laatst de bevelen opvolgt wordt geslagen. De sergeant was de expert van het kamp in de „Kopf Americain”. Hij moest het vaak doen.

LEGIONNAIRE Halbesma (links) met een kameraad gekiekt in de buurt van het kamp Le Kef.
Zij dragen hier het „tenue quarante quatre”:
het nieuwe uniform van het vreemdelingenlegioen dat uit 1944 stamt

Legionnaire Halbesma heeft zich spoedig gerealiseerd dat hij sloeg op een wijze die vrij zuiver berekend was. Niet te zacht, maar ook niet te hard. Het geheel was sterk op effect berekend. Het doffe ploffen van de bokshandschoenen, het bonzen van de hoofden tegen de muur. De sergeant zorgde er voor geen schedelbasisfractuur aan te richten. Hersenschuddingen kwamen soms voor.
Ik heb de heer Halbesma gevraagd hoe die sergeant er uit zag. Maar hij kon niets anders zeggen dan: „een gewone jongen met een onopvallend gezicht”. Wat hem persoonlijk het meest in die figuur getroffen heeft is de koele efficiëntie waarmee hij „werkte” en daarna achteloos in de cantine een kaartje ging leggen.

De “Kopf Americain” was niet de zwaarste straf. Er was een uit meerdere onderdelen samengestelde behandeling, waarvan de vorm en de volgorde traditioneel vast stonden. De naam van deze straf was de enige semi-officiële aanduiding waar geen woord Frans bij was. Die heette „flott machen” en het ging daarbij als volgt toe. Het slachtoffer werd voor het front van de troep geslagen en geschopt tot hij half bewusteloos was. Vervolgens kreeg hij, vaak nadat eerst zijn neus was ingeslagen, bevel met zijn neus een papiertje tegen de muur gedrukt te houden op de reeds beschreven wijze, terwijl soms het papiertje werd vervangen door een vijf francs stuk. Dan duurde het niet lang of hij zakte in mekaar.
Hij werd bijgebracht met een emmer water en een trap, en moest vervolgens in een zwembroekje en met veertig kilo stenen op de rug, een tijd lang de oefening uitvoeren die destijds in de Duitse concentratiekampen bekend stond als „Aufstehen-Hinlegen”, waarbij men in minder dan een seconde van plat op de buik liggen over moest gaan tot rechtop staan, en dit in eindeloze herhalingen. In het Legioen heette dit „Debout- Couchez” omdat alle bevelen volgens voorschrift in het Frans gegeven moesten worden.
De ongelukkiger zwoegden door tot zelfs hun uiterste krachten het begaven, en vermeden tot het laatst bewusteloos te vallen, wel wetend dat als de sergeants ook maar de minste simulatie vermoedden, het „flott machen,” na een korte rustperiode van voren af aan begon.
Er waren ook lichtere straffen. Een er van was, met een winterjas aan een paar uur in de tropenzon ln de houding staan. Een andere bestond uit het opvouwen van een aantal kleren tot een pakje van achttien bij drie-en-dertig centimeter, waarna men het zelf op de grond uit mekaar moest laten vallen en dan opnieuw opvouwen volgens een jachtig tijdschema, tot de sergeants vonden dat het genoeg was.
De zwaarste straf was voor poging tot desertie. Officieel stond er vijftien dagen verzwaard arrest op. Semi-offlcieel betekende dat vijftien dagen twee maal per dag „flott machen”, met als uiteindelijk gevolg drie maanden hospitaal of erger.

Drie maanden heeft legionnaire Halbesma cijfers bijgehouden. Gedurende die tijd probeerden in het kamp Le Cef op 200 recruten 83 man te ontsnappen. Zij werden allen teruggebracht. Een van hen, een Duitse metselaar die Willi Kroll heette, heeft zelfs het waanzinnige plan proberen uit te voeren dwars door de Sahara naar de Belgische Congo te lopen zonder geld of eten.

1/6eme R.E.I.

Vrijwel zeker diende Sikke Halbesma bij het Eerste bataillon van het 6e Regiment Etrangere d’Infanterie, de enige eenheid van het Legioen dat in die tijd in Tunesië, meer specifiek in Le Kef gestationeerd was.
Naast het handhaven van de orde in Tunesië werd de eenheid vooral gebruikt als een soort depot voor versterkingen voor eenheden van het Legioen in Indo-China.

Op een dag moesten de recruten aantreden voor hun Poolse kapitein, Ciflinsky, die genaturaliseerd was tot Fransman. Hij hield in het Duits een korte toespraak over het deserteren. Als er iemand deserteren wilde, dan kon die van hem een fles wijn, eten voor een week, en geld voor een maand meekrijgen, zei hij. En als ze slaagden, dan had hij respect voor hen. Dan waren ze kerels uit een stuk. Maar als ze gepakt werden, dan moesten ze ook de verschrikkelijke straffen dragen als kerels. Dat was tenminste sportief!
Het was een nieuw geluid voor de mannen, en ze waren diep onder de indruk. Ze waren kerels als ze zich geduldig lieten slaan…
De mannen hadden voor het eerst sinds onheuglijke tijden het woord respect gehoord. Het Legioen had genomen, het Legioen had gegeven. Ze waren rijp voor een nieuwe levensbeschouwing. Die van het Legioen. Als honden hingen ze aan die kapitein.
„Het was een mooi smoesje”, zegt de heer Halbesma, bewonderend ondanks, zichzelf.

Ook rechten

De legionnaire had ook enige rechten.
Een er van was zijn recht op eten. Dit mocht hem nooit ontzegd worden, maar hij mocht wel zo geslagen worden dat hij niet meer kon eten.
Het menu was ‘s morgens een broodje met jam. ‘s Middags koolsoep en rats, bestaande uit aardappelen, penen, en veel vlees. Vlees is goedkoop in Noord- Afrika. Een ezel kost er drie gulden vijftig, een kip 25 cent, en een gans 75 cent. Verder kreeg men een kom rijst, in water gekookt, als dessert, ‘s Avonds kreeg men het zelfde als ‘s middags plus een kop wijn.

Een ander recht was het recht op medische behandeling. Eens per dag hield de dokter zitting, en men kon met een briefje van de sergeant naar hem toe. De dokter schreef dan een opmerking op het briefje. Als hij „gezien” schreef, kreeg men acht dagen arrest met een keer „flott machen” per dag, want dan had de klacht niets om het lijf gehad.
Schreef de dokter „gezien en behandeld” dan kreeg men drie dagen arrest met „flott machen”, want dan was er inderdaad wel iets geweest, maar niet voldoende volgens de opvattingen van het Legioen om een doktersbezoek te rechtvaardigen.
Schreef de dokter dat men in het hospitaal moest worden opgenomen, dan volgde geen straf. Het gevolg was dat de hersenschuddlngsgevallen van de „Kopf Americain” vaak dagen rond bleven lopen en intussen „flott gemacht” werden omdat ze vergissingen maakten bij het excerceren, voor ze naar de dokter durfden. Hoe het systeem werkte werd mij duidelijk toen de heer Halbesma vertelde hoe hij de dokter voor de gek had gehouden met zijn voet die tot anderhalf maal de normale omvang was opgezwollen ten gevolge van een ongeluk bij het exerceren.
„Ik zei hem dat ik niet meer kon lopen van de pijn, maar het deed maar een beetje pijn”, zei hij grinnikend.

Het derde recht, dat de rij sluit, was het recht op soldij. Die kwam neer op ƒ 2,70 in de vijftien dagen.

Legionnaire Halbesma is zelf weinig mishandeld. En hij kon nog zo veel afstand nemen van zijn omstandigheden dat hij de methoden van het Legioen met zijn intelligentie kon benaderen en doorzien, wat hem minder vatbaar maakte voor de gevolgen.
Intussen zag hij om zich heen het degeneratieproces dat Legioensoldaten maakt, onverbiddelijk voltrokken worden. Er liep ln het kamp een Duits jongetje rond van negentien jaar, wiens lot hij zich had aangetrokken. Het kind heette Meisterhatz.
Vooral in het begin had de jongen veel heimwee ln het kamp Le Cef. Hij was erg afwezig, wat hem vaak de laatste deed zijn in de wedstrijd van het bevelen opvolgen. Meisterhatz was altijd de sigaar, ‘s Avonds stond hij vaak te huilen bij Halbesma, die hem tenminste kon beschermen tegen de grappen der kameraden, omdat zijn geestelijke superioriteit hem enige invloed verschafte.
Hij heeft de jongen ingelicht in zijn eigen truc van hoe men de hoeken waar de slagen vielen kon vermijden, en langzamerhand ging het wat beter. Het kind verhardde onder de druk van de omstandigheden, en groeide een heel andere richting op. Halbesma heeft zich dat voorgoed gerealiseerd de laatste keer dat hij Meisterhatz zag „flott machen” door de sergeant.
De hele troep wist dat de voornaamste reden voor de straf eigenlijk was dat deze een afspraak had gemaakt met een vrouw uit de kasbah, maar ze was niet gekomen. Hij eindigde de strafoefening door de jongen dusdanig zijn zool in het gezicht te zetten dat het zwaar geschonden was.
Toen Halbesma hem na afloop van de dienst op ging zoeken, stond de jongen, zich wat op te poetsen. Hij lachte op een eigenaardige triomfantelijke manier. Hij had gewoon pech gehad met die sergeant, en zo erg was het ook weer nfct.
Hij vond zichzelf een kerel, volgens het recht van Ciflinsky. Hij was intussen handig geworden in het jatten. Dat ging onder de slagzin „démentir dich” wat in het jargon van het Legioen volgens de heer Halbesma de betekenis heeft van „help je zelf” Ook was hij gaan drinken. „Zuipen”, zei hij zelf. Dat ging hij nu weer doen. Een borrel zou hem opknappen. »
Toen Halbesma enige tijd later een vluchtpoging zou gaan wagen die kans van slagen had, bood hij Meisterhatz aan hem mee te nemen. De jongen wou niet meer. In het Legioen voelde hij zich thuis.

Afgestompt

LEGIONNAIRE Halbesma kent onder een paar honderd mannen die hij in Afrika heeft leren kennen persoonlijk één man die van een trap in de buik een dermate ernstige nierziekte overhield dat hij uit de dienst mocht, en twee gevallen van krankzinnigheid die eveneens met pensioen gestuurd werden. Maar hij kent honderden mannen die net zo gek werden als het Legioen hen hebben wou. Vastgeroest in de sleur van het eeuwige marcheren, het bijwonen van het ,flott machen” en het drinken. Afgestompte wezens, die nog slechts leven en denken in rangen en voorschriften, die eigenaardige gewoonten aangekweekt hebben welke ze slechts in het Legioen kunnen uitleven. Dan zijn ze rijp om zelf korporaal en sergeant te worden. Dan denken ze niet aan deserteren. Dan gaan ze horen bij de „betrouwbaren”. Zeer bruikbare mensen, die er niet aan denken hun bevoorrechte positie te riskeren door zich niet aan het systeem te houden, en de discipline wat menselijker te maken. Zo groeien figuren als die Duitse expert in de „Kopf Americain” en die oude sergeant Kiki met reeds vierentwintig dienstjaren, die honderdzeventig gulden beurt, en daarvan twee dagen in de maand de beest uithangt. Dan zijn ze rijp om ten oorlog te trekken, en in alle dagorders eervol vermeld te worden.

De foto rechts is genomen tijdens een mars van de recruten.
No.I is Halbesma, no. II is de Duitse metselaar Willi Kroll die zonder geld of voedsel probeerde door de Sahara naar de Belgische Congo te lopen.
[ Foto bij het artikel, origineel bijschrift ]

Bijschriften andere, hier niet getoonde foto’s, bij dit artikel

De heer Halbesma heeft nu het burgerpak weer aan. Hij kent, na vele maanden onder de hete Afrikaanse zon, weer de simpele vreugde van het thuiskomen.

ACHTER dit heroïeke decor van goed geklede en gevoede soldaten, staat het harde leven van de legionnaire, de man voor wie na zijn officiële diensttijd een terugkeer tot de maatschappij nauwelijks mogelijk is. Volgens de heer Halbesma bestaat het legioen voor ca. 80 procent uit Duitsers. Ook de voertaal is Duits.


Nederlandse legionnaire ontsnapte uit leger van desperado’s (slot)

EEN VROUW KWAM NAAR HET WOESTIJNKAMP
… om haar man 15000 francs te brengen


Gisteren publiceerden wij het relaas van de heer S: Halbesma over zijn lotgevallen gedurende zeven maanden in het Franse Vreemdelingenlegioen. Vandaag kunt u lezen hoe hij ontsnapte uit het barakkenkamp Le Kef in de Tunesische woestijn, enkele dagen voor zijn onderdeel verscheept zou worden naar Indo-China.

Toen de dag naderde, dat de troep als volwaardig legeronderdeel naar Indo-China zou worden verscheept, om er de opstandelingen van Ho Chi Minh te bevechten, zongen ze op de gala-parade voor hoge Franse legerautoriteiten een lied van Saigon. Er werd Duits gezongen, omdat dit de voertaal van het Legioen is.
“In Saigon flattern die Fahne. Die Legionare haben gesiegt” ging het lied.
Wellicht merkt ge op, dat het rhythme van die tweede zin niet klopt. Dat komt, omdat het een oud Duits lied is, dat verschillende versies heeft gekend. Een er van stamt uit de tijd, toen Ho Chi Minh nog samen met Frankrijk tegen de as-mogendheden vocht. Toen klopte het rhythme wel. “In Frankreich flattern die Fahne. Die Deutschen haben gesiegt” ging het lied toen.
In de parade liepen mannen mee, die de beide versies gezongen, hebben. En wellicht stonden op de eretribune tussen de tanige officieren een aantal mensen, die als verzetsmannen eens in bezet Parijs met dezelfde stenen gezichten naar dezelfde melodie hebben geluisterd.
Misschien hebben hun gedachten een ogenblik stil gestaan bij de loop der geschiedenis. Maar voor de vaandels van dit nieuwe legeronderdeel in Indo-China wapperden, werd het systeem van het Legioen andermaal doorkruist op een manier, zoals volgens het getuigenis van de Poolse kapitein Kiblinsky en die oude sergeant Kilei nooit in de annalen van het Legioen was voorgekomen. Dit gebeurde door de moed en de waarlijk koninklijke argeloosheid van een vrouw.

“PAPA, ik ben goed aangekomen” stond in haar telegram

Mevrouw Halbesma is kort over wat er in die tijd in Nederland gebeurd is. Het bleek dat ze evenmin buiten haar man kon als hij buiten haar. Dit is alles wat ze zeggen wil van die dagen dat langzaam het besef dat hij niet terug zou komen tot haar doordrong.
Hoe het geweest is kan men vermoeden uit het feit dat ze tenslotte naar de politie is gegaan om hulp. Bij de politie komen dagelijks van die akkevietjes binnen en vaak doen ze er niet veel aan, uitgaande van de veronderstelling dat de man in kwestie wel uit eigen beweging terug zal komen… of niet
Maar van mevrouw Halbesma is die inspecteur uit zijn gewone doen geschrokken. Dit was niet het dagelijkse gevalletje. Hij is onmiddellijk in de juiste richting gaan zoeken. Nog diezelfde dag had hij een oud-soldaat van het legioen opgespoord die pas terug was met een ziekte onder de leden. Halbesma? Ja. die kende hij inderdaad, was onder zijn eigen naam ingeschreven. Hij zat toen, naar de man dacht, nog in Marseille. Onmiddellijk heeft mevrouw Halbesma een expressebrief gestuurd. De brief kwam in Marseille aan drie dagen nadat Sikke Halbesma geteld had. Toen hij hem kreeg heeft hij een keer op dat ene punt waarop hij geen betrekkelijkheid kent, zijn beheersing opzij gezet, en vijftien dagen “flott machen” geriskeerd om haar niet in twijfel te laten. „Ik vlucht”, schreef hij openlijk terug, hoewel hij wist dat meer dan de helft van de brieven door de officieren geopend werden. „Ik begreep ineens hoe ze er aan toe was”, zegt hij. De brief is niet geopend.

Brieven

Vanuit Noord-Afrika is hij regelmatig twee keer in de week een brief gaan schrijven. Dicht beschreven velletjes, vanwege de duurte van het papier. En de antwoorden die hij kreeg hebben hem bewaard voor ook maar de geringste aantasting van zijn moreel. Ook vonden ze samen een code uit. “Fransje moet uit het ziekenhuis, schreef hij. „Zet die operatie toch door, kost het 200 gulden.” En zijn vrouw begreep heel goed dat hij tweehonderd nodig had om te vluchten. Maar ze had geen geld en ze kon wel iets lenen, maar misschien werd juist die brief dan opengemaakt, met alle conseqenties van dien. Toen is ze het geld zelf maar gaan brengen. Ze verstond geen Frans. Ze kon tot Parijs met een vriend van de familie meerijden. In Parijs hoorde ze geruchten dat het onderdeel van haar man was overgeplaatst. Ze kon echter geen zekerheid krijgen. Toen kreeg ze een idee. Waarom hem niet een opgebeld? [sic]
Ze vroeg in een telefooncel gewoon aan: “Legionnaire Halbesma, Kamp Le Cef Tunis”.
Ën na een kwartier voltrok zich het wonder. Verschillende stemmen begonnen te vragen wat ze wilde. „Legionnaire Halbesma Kamp Le Cef Tunis” heeft ze steeds weer gezegd.
Ineens was het stil.
Toen hoorde ze heel in de verte roepen: “Paris pour Halbesma! Paris pour Halbesma! Paris pour Halbesma!”
Even later hoorde ze de stem van haar man. Ze kwam gauw, zei ze. Hij was met stomheid geslagen. Ze hebben het kort gemaakt, want zo’n telefoongesprek kost geld.
Nooit was een van die vergeten desperados opgebeld. Er waren geen reglementen voor zo’n geval, en de kamptelefonist was door de naam van de stad Parijs zo onder de indruk gekomen dat hij zonder aarzelen Halbesma om had laten roepen
Ze is doorgereisd in derde-klascoupés, in het ruim van een schip, ze heeft bij een dansorkest gezongen om het reisgeld bij mekaar te brengen.
En tenslotte reed ze in een rammelende Afrikaanse bus langs het kamp Le Cef. Door het stoffige raampje zag ze toen opeens haar man staan, met een witte kepi op. Helemaal alleen op een hoek. Maar de bus reed door of hij nooit wou stoppen. En toen hij eindelijk stil stond zag ze honderden witte kepi’s en zakte haar opeens de moed in de schoenen. Op hetzelfde ogenblik vloog haar man op haar af.
Als een schok is het bericht door het kamp gegaan. De vrouw om wie Halbesma is gaan dienen is bij hem!
Ze kwamen er allemaal met ongelovige gezichten naar kijken. Nu nog is mevrouw Halbesma onder de indruk van de vriendelijkheid en de beleefdheid van al die Legionnaires. De Franse kampcommandant gaf Halbesma onmiddellijk acht-en-veertig uur verlof, want er waren geen reglementen die voorzagen in een geval waarbij de vrouw om wie een Legioensoldaat ging dienen, hem op komt zoeken.
Er was een Belg die al twaalf jaar in het Legioen was, en die heeft staan huilen als een kind. „Neem hem mee terug mevrouw”, zei hij. “Neem hem mee terug, anders gaat hij hier kapot. Ik heb een rijke vriend in België, en ik zal u zijn adres geven. Als u het hem vraagt zal hij uw man zeker vrijkopen!”
Hij schreef het adres op een papiertje en gaf het haar.

Ze is vijf dagen gebleven. Toen kwam een hoffelijke wenk van de commandant dat ze langzamerhand weer eens weg moest gaan. Legionnaire Halbesma was vijftienduizend francs (ƒ 150) rijker, plus het argwaan van de kampleiding, die hem gedurende zijn verlof onafgebroken heeft laten schaduwen, en hem na het vertrek van zijn vrouw systematisch is gaan koeionneren om z’n eventuele wil tot deserteren te breken.

Het was PAPA

Ze hadden afgesproken dat mevrouw Halbesma naar de rijke vriend van die Belg zou gaan. Als bleek dat hij inderdaad wilde helpen zou ze een telegram sturen: „Papa, goed aangekomen, Clem”.
Als dat niet het geval was, zou ze een telegram sturen: „Sikke goed aangekomen, Clem”.

Het telegram dat Clem verzond naar het kamp Le Kef.
Het codewoord “Papa” waaruit Halbesma kon afleiden op hulp te kunnen rekenen, gaf hem goede hoop. Slechts voor kort echter, want verraad verijdelde de plannen tot ontvluchting en toen wist Halbesma wat “”flott machen” was .. .
[ Het telegram is gedateerd 20-11-1951 Le Kef Tunesië ]


Een week later kreeg hij het telegram. Er stond „Papa”. Zijn vrouw had inmiddels in België ontdekt dat die vriend zich niet als een vriend beschouwde doch slechts als een oppervlakkige kennis. Hij was echter de enige uit het vaderland met wie de legionnaire nog contact had, en deze schreef hem vaak. Het scheen hem een behoefte. Als antwoord stuurde de ander dan wel sigaretten, wat de in het kamp zachtjesaan verdwaasde man blijkbaar een teken van grote rijkdom had opgevat.
Hij was in werkelijkheid niet rijk, maar hij wou wel helpen. Hij gaf mevrouw Halbesma zijn paspoort, om aan haar man te sturen. De beide mannen leken wel wat op mekaar. Misschien kon hij het gebruiken.
Twee dagen later kreeg Halbesma een brief. Toevallig was de Belg net bij hem. Hij scheurde de enveloppe haastig open en de inhoud viel op de grond. De Belg raapte het op. Hii zag het paspoort van ziin vriend, en een briefje waar mevrouw Halbesma op had geschreven om bü eventuele moeilijkheden de eigenaar van de pas te dekken: „Dit paspoort heb ik gestolen”.
De Belg gaf het aan Halbesma, en liep weg. Even later bleek dat hij recht naar de commandant is gegaan. Misschien heeft hij het briefje van Clem Halbesma geloofd, en vreesde hij dat hij zijn enige vriend in de buitenwereld ging verspelen.
Halbesma is gefouilleerd, en het paspoort is gevonden, alsmede de vijftienduizend francs. Hij was alles weer kwijt en werd in verzekerde bewaring gesteld. Toen heeft hij geweten wat het was, dat „flott machen”.
Het kamp is in beroering geweest als nooit, want Clem Halbesma was er een legende geworden, en toen de mannen hoorden dat ze verraden was door een van hen, hebben ze wraak genomen op de meest afdoende manier die ze kenden. Hoe het precies gegaan is weet de heer Halbesma niet. Maar hij vermoedt dat ze de Belg ln de verleiding hebben gebracht een ernstig vergrijp te plegen en hem, toen hij toehapte, aan de commandant hebben overgeleverd.
Toen Halbesma na twee weken uit de gevangenis kwam was de Belg al veroordeeld en voor twee jaar naar de straf gevangenis in Colombe Bechar gezonden. De kameraden hebben het hem verteld met het verzoek dit aan zijn vrouw over te brengen. ledereen wist dat men uit Colombe Bechar terug komt als een ruïne.
Intussen naderde de dag waarop de troep zou worden ingescheept naar Indo- China met rasse schreden. Na het aanvankelijke argwaan dat de kampleiding tegen recruut Halbesma koesterde, werd hij langzamerhand meer vertrouwd. Elke keer dat hij de gelegenheid had was hij dronken. Het was zelfs zo dat hij om de dag bij de kapitein kwam vragen om een paar francs van de vijftienduizend die ze bij hem inbeslag hadden genomen. En een paar francs voor vergetelheid wilde men wel geven aan de man die de charmante vrouw die zoveel van hem hield nooit meer terug zou zien. Maar ze hebben hem sterk onderschat. Na een aantal weken had hij zijn vijftienduizend francs weer terug. Al die tijd heeft hij voor dronkelap geposeerd, maar hij heeft geen druppel gedronken en geen cent uitgegeven.

Terug

Op een dag is hij met een verlofpas voor vierentwintig uur uit het kamp gelopen, samen met een lange Pool, van wie hij alleen wist dat hij een gesloten gezicht had, dat hij handig was met motoren en wapens, en dat hij Starry werd genoemd. Hij had hem voorgesteld om mee te gaan in een opwelling van het laatste ogenblik, toen ze samen ‘s nachts op wacht stonden. Ze hadden precies geld genoeg om met de trein en met een taxi alle havens tussen Oran en Algiers af te rijden, om te zien of ze ergens op een buitenlands schip konden komen. Maar toen ze in Algiers aankwamen hadden ze geen centime meer, en nergens was een boot waar ze kans hadden. In Algiers zijn ze uit mekaar gegaan om het elk op zichzelf te proberen. Halbesma heeft twee dagen in Algiers rond gelopen zonder eten, elk ogenblik verwachtend dat hij gearresteerd zou worden, om in de boeien naar Indo- China te gaan.
Op de ochtend van de derde dag toen hij aan de wanhoop ten prooi op een bank aan de haven zat te klappertanden zag hij een kleine vrachtvaarder de haven binnen glijden met de Nederlandse vlag in top.
Hij is er heen gestruikeld, en heeft aan de kapitein gevraagd of hii mee mocht. „Nee”, zei de kapitein. „Daar begin ik niet aan, want als ze het ontdekken wordt m’n schip aan de ketting gelegd”. „Ik moet naar mijn vrouw”, heeft Halbesma gezegd. En om de een of andere reden heeft die kapitein zijn schip gewaagd, zoals die anonieme meneer in België zijn pas af gaf, en die politie inspecteur uit zijn slof schoot met een energie die hij anders voor andere zaken bewaart. . „De wereld is vol goede mensen”, zegt Sikke Halbesma. Hij vraagt zich af hoe hij zoveel sympathie heeft kunnen wekken bij de mensen van wier hulp hij op beslissende ogenblikken afhing. Ik denk dat het is omdat hij zichzelf geen held vindt. Hij weet aan’ zichzelf wat zijn vrouw om hem door heeft moeten maken. Zij weet het omgekeerd ook. Die kapitein heeft zijn voortvluchtige passagier bij het afscheid nog vijftig gulden geleend om mee te beginnen. Hij heeft er bij gezegd dat hij het geld pas terug wil hebben wanneer Halbesma weer goed verdient, want uit de lange gesprekken aan boord, weet hij hoe de ander er voorstaat.

Hij heeft geen huis meer. Hij logeert voorlopig bij familie.

Terugkeer in Nederland

Het eerste adres waarop Sikke Halbesma geregistreerd werd op 27 maart 1952, na terugkomst in Nederland was de Westerdokstraat 11 in Amsterdam. Enkele maanden daarna vertrok hij naar Ermelo om vervolgens naar Nunspeet te verhuizen. [1]

Hij heeft pas een begin van werk, en hij moet nog een oude schuld afbetalen. Ook heeft hij nog altijd — hoewel steeds minder — last van zijn ene been dat nog stijf is van de meer dan twintig spuiten tegen Tropische ziekten, die hem aan de lopende band zijn gegeven in verband met het vertrek naar Saigon.
Maar hij heeft zijn vrouw, en een onverwoestbaar optimisme. Ook met het aanpassen heeft hij geen last. Hij is in Afrika zichzelf gebleven. Toen hij na zijn eerste dag van werk zoeken voor de deur stond waar achter zijn vrouw hem wachtte, had hij even moeite zich te realiseren dat er zeven maanden zijn geweest dat hij het geluk van de gewone dingen als het thuis komen na een dag werk niet had.

„Er zijn er meer”

Hij had dat liever stil gehouden, van die maanden, en zijn vrouw ook. Alles bij mekaar wisten slechts een zeer klein aantal mensen ervan. Maar ze hebben tenslotte toch maar het besluit genomen de krant op te bellen. „Er zijn meer Nederlanders met een dolle kop naar het Vreemdelingenlegioen gegaan dan u denkt”, zegt hij. Hij wil er niet meer van zeggen, omdat de jongens er misschien last mee kunnen krijgen. Over de mensen die hij sympathiek vond kan hij over het algemeen weinig loslaten zonder hen gevaar te doen lopen.
Ik ben een van de weinigen die kan praten zonder bang te hoeven zijn dat het Legioen een dossier van mij opent”, zegt hij. „Daarom ben ik wel verplicht mijn verhaal te vertellen, Opdat iedereen die nog eens plannen krijgt, weet waar hij aan toe is”.

Daarom staat hij vandaag nog eenmaal schouder aan schouder met Meisterhatz, die hij ten gronde heeft zien gaan, met Willi, die de Sahara inliep in de blinde hoop de Congo te bereiken, met Starry, van wie hij nooit zal weten wat er van hem werd, en met al die mensen die hij systematisch heeft zien uithollen in de barakken van het Vreemdelingenlegioen, waarvan hij het hier gedane verhaal dekt met zijn volle, nooit verloochende identiteit.


EN THUIS… De veelbewogen maanden in Noord-Afrika behoren tot het verleden, maar zij blijven voor altijd in de herinnering van het jonge echtpaar. De heer Halbesma heeft de monsterkoffer weer ter hand genomen en trekt door het land; voorgoed heeft hij het tenue quarante-quatre afgelegd. .

Reacties op het artikel

Vreemdelingenlegioen
Er waren eens een man en een vrouw. De vrouw wilde niets meer van haar man weten. Manlief nam daarom dienst in het Franse Vreemdelingenlegioen. Hij besefte wat voor een intelligente stommeling hij was, toen bleek, dat in Het Legioen geen romantiek te vinden was. Het gelukte hem te ontvluchten en hij kwam in zijn vaderland terug. Aan deze man hebt u twee volle pagina’s gewijd, terwijl het papier zo duur is. Amsterdam. EEN NEDERLANDER.
Is het geen schande, dat een zich democratisch noemend land een instelling als het legioen handhaaft ? Waar moet het naar toe met onze argumenten tegen dictatuurstaten, als zulke dwang en geweldinstituten in de z.g. vrije landen nog bestaan? Amsterdam. H. v. COESANT.
Het is mij nu ook duidelijk, dat het een en ander is gebeurd bij de huiszoekingen en de zuivering door dit legioen in Tunis. Dat het Germaanse element hier uitblinkt, is voor niemand een wonder. Amsterdam. F. H. V.
WAT blijft er van de democratie over, als men voor het tekenen van het contract niet eens de vrijheid heeft om te lezen wat men ondertekent ? Amsterdam. A. v. KLAVEREN.

Het Parool 04-04-1952

Vreemdelingenlegioen

In een ingezonden stuk van verleden week lees ik twijfel aan de juistheid van de mededelingen van de heer Halbesma. Laat ik daarom mogen herinneren aan een artikel in „De Hollandsche Revue” van 1903 van gelijke strekking als die welke U publiceerde. Bij dat artikel kwam een tekening voor van een man op z’n buik liggend, handen op rug gebonden en op de tong een klem vastgezet. Bij beweging zou de man de tong worden uitgerukt Ja, ja, „la douce France”.
J. SMAK

Het Rotterdamsch parool 12-04-1952





Legioen eenheden: 1951 - 1952

Van Tot Regiment Bataljon Compagnie Plaats Land



Legioen onderscheidingen

Onderscheidingen Datum Uitreiking


Info

Verder onderzoek gaande, heeft U meer informatie laat het mij weten via: info@nllegioen.eu

Datum:

Bronnen