Personalia
| Achternaam | Voornamen | Geboorte datum | Naam vader | Naam moeder |
|---|---|---|---|---|
| Schweertman | Pieter Jacob | 16-07-1925, Oude Pekela | Schweertman, Jans | Franzen, Elsien |
Legioen periode: 1952 - 1955
| No Matricule | Engage | Libere | Libere Plaats | ||
|---|---|---|---|---|---|
| [-] | (a) 1952 | [-] | Freiburg / Duitsland | 21-02-1955 / Desertie | Suez / Egypte |
Biografie
Inleiding
In 1955 en 1956 haalden ze regelmatig het nieuws: massale deserties van legionairs uit het Franse Vreemdelingenlegioen, die overboord sprongen in het Suezkanaal. Bij velen was hun moreel gebroken na de Franse nederlaag in Indochina, en met het vooruitzicht om opnieuw in een guerrillaoorlog in Noord-Afrika te belanden, besloten velen te vluchten — koste wat het kost.
Op 21 februari 1955 vond één van de omvangrijkste deserties plaats vanaf het Franse schip „Pasteur”. Maar liefst 56 legionnaires sprongen overboord. Onder hen één legionair van Nederlandse herkomst.
De pers, waaronder de Nederlandse pers, besteedde veel aandacht aan deze gebeurtenis.
De Nieuwe Haarlemsche courant berichtte op 22 februari 1955:
56 LEGIONNAIRS SPRINGEN OVERBOORD IN SUEZKANAAL
Eén Nederlander bij de deserteurs

Indochine, Saïgon, Cap St Saint Jacques
Le Paquebot SS Le Pasteur
[Amateur photo]
De politie van Port Said heeft gisteren medegedeeld, dat 41 man van een groep van 56 militairen van het Franse Vreemdelingenlegioen zijn gegrepen, nadat zij in het Suezkanaal van het Franse schip „Pasteur” waren gesprongen en naar de wal waren gezwommen.
Een van de 56 deserteurs, aldus de politie, was een Nederlander.
Er waren verder 46 Duitsers, 4 Italianen, vier Spanjaarden en een Belg bij.
De Pasteur is met 2500 militairen van het Vreemdelingenlegioen op weg van Hongkong naar Marseille. De deserteurs begonnen over boord te springen, zodra het schip het Suezkanaal in noordelijke richting was binnengevaren. De gearresteerde deserteurs zijn ingesloten te Port Said. Zij zullen worden berecht wegens het betreden van Egyptisch grondgebied zonder toestemming van de Egyptische autoriteiten. Nog nimmer zijn zoveel deserteurs tegelijk in het Suezkanaal gesprongen.
Gewoonlijk zijn de groepjes niet groter dan twee of drie soldaten.
Legionnairs, die in Egypte deserteren, krijgen gewoonlijk een gevangenisstraf van drie maanden en worden daarna toevertrouwd aan het consulaat van hun eigen land. (U.P.)
[ Nieuwe Haarlemsche courant 22-02-1955 ]
Een paar dagen later was de naam van legionair van Nederlandse herkomst bekend.
Het Rotterdamsch parool schreef op 24 februari 1955 als volgt:
Ook Nederlander onder gedroste legionnairs
PORT SAID In Egypte zijn 56 leden van het Franse Vreemdelingenlegioen die van hun boot waren gesprongen, toen deze het Suezkanaal passeerde, voorwaardelijk tot 50 pond veroordeeld, de laagste straf, die gegeven kan worden voor het illegaal binnenkomen van het land.
Onder hen bevindt zich de 29-jarige, Pieter Jacob Schweertman, afkomstig uit Winschoten.
Deze jongeman, die tijdens de oorlog in Hitlers leger diende, had drie jaar geleden dienst genomen in het vreemdelingenlegioen.
Reeds in 1952 deed hij een poging tot ontvluchting, doch toen werd hij gevangen genomen en tot anderhalf jaar gevangenisstraf veroordeeld, waarvan later een deel werd veranderd in een voorwaardelijke straf.
[ Het Rotterdamsch parool 24-02-1955 ]
Weer een paar dagen later op 26 februari 1955, verscheen er in enkele kranten de volgende foto van hem.

Een kleine twee maanden later was Pieter Schweetman weer terug in Nederland.
Of hij zelf de pers benaderde of gevraagd werd zijn verhaal te doen is onbekend.
Zijn sterk anti-legioen gekleurde verhaal — typerend voor die tijd en zijn positie als deserteur — werd eerst gepubliceerd in het Deventer Dagblad, en later overgenomen door het Twentsch Dagblad Tubantia. Hij vertelde daarin onder meer dat hij was geronseld voor het Vreemdelingenlegioen.
EINDELOZE REIS VAN EEN ONTGOOCHELDE
Retour Deventer via Saigon en Suez
Pieter Jacob S. deserteerde uit Vreemdelingen Legioen
DEVENTER. – Dit is het verhaal van een lange reis die de voet van de Lebuïnus tot begin- en eindpunt had. Een reis, die drie jaar en acht maand in beslag nam, maar die voor hem die haar volbracht meermalen als een eeuwigheid en vrijwel steeds zonder uitzicht scheen. Een reis, die werd begonnen in wanhoop en die van de ene misère tot de andere ellende leidde om te eindigen in de doffe berusting van een, die zich langzaam maar onherroepelijk heeft voelen wegzinken in een moeras van geestelijke murwheid. Een reis, begonnen op een gehuurde fiets die in Enschede werd versjacherd en die eindigde, vanwege die fiets, onder het geleide van de Rotterdamse havenpolitie achter de deur van de arrestantencel in het politiebureau aan het Grote Kerkhof.
Tenslotte ook een reis, die in haar logboek naast bekende plaatsnamen als Winschoten, Deventer en Enschede, eveneens exotische aanduidingen kent als Oran, Saida, Agadir, Sidi Bell Abes, Saigon en Port Said.
Eindpunt: cel
Het is de reis van een nu dertigjarige jongeman Pieter Jacob S. die in Augustus 1951 met een heet en verward hoofd uit Winschoten vluchtte voor de scherven van zijn geluk, in Deventer houvast zocht en verloor om tenslotte op een gehuurde fiets in Enschede te belanden, die fiets te verkopen, de grens over te kruipen en die zich na enige maanden liet verlokken door de mooie woorden van een ronselaar voor het Vreemdelingenlegioen. Mooie woorden, die aldra achterhaald werden door de bitterste werkelijkheid. Een werkelijkheid die er eindelijk toe leidde dat Pieter Jacob in Februari van dit jaar vanaf een troepentransportschip in het Suezkanaal sprong, in Egypte belandde, naar Nederland werd gezonden en op het politiebureau belandde aan het Grote Kerkhof vanwaar hij vanmorgen werd doorgezonden naar de Officier van Justitie om zijn straf voor het verduisteren van de fiets te horen en uitte zitten. Het was nu net om die fiets, dat Pieter Jacob drie jaar en acht maand geleden in het nachtelijk duister de grens passeerde en in Duitsland waar hij tijdens de oorlog als chauffeur had dienst gedaan zijn heul zocht. Het heul van de ontgoochelde en verlatene, die zich enkele weken tevoren nog schier de gelukkigste man ter wereld voelde.
Pieter Jacob, die als chauffeur de kost verdiende, had namelijk een meisje. Een meisje dat hij al zeven jaar kende en met wie hij over heel korte tijd dacht te trouwen. Amper een maand voor de trouwdag evenwel, alles was al gekocht en voorbereid, kwam hij tot de ontdekking dat zijn aanstaande vrouw bepaald niet uitmuntte door d’oprechte trouw, waarvan Vondel in de Gijsbrecht zingt. Pieter Jacob liet ontrouwe verloofde, vader en moeder en ook zijn baan in de steek en vluchtte verbitterd met de weinige centen die hij had naar Deventer. Hier zocht hij een kennisje op en probeerde een nieuwe baan te vinden. Evenwel pech achtervolgde hem, met de nieuwe baan waarvan hij zeker meende te zijn werd het niets en met nog drie gulden op zak stond hij weer op straat, nu helemaal zonder vrienden, want ook het kennisje hier in de stad schonk hem haar vertrouwen niet langer. Pieter Jacob huurde een fiets en trok, doelloos naar hij zegt, de stad uit. In Enschede heeft hij toen, naar hij zegt als in een droom en in wanhoop om aan geld voor logies te komen, die aan het station gehuurde fiets verkocht voor een armzalig bedrag van vijftien gulden. „En opeens”, aldus zijn monotoon uitgesproken verhaal besefte ik dat ik mij aan diefstal had schuldig gemaakt, of verduistering zoals het dan officieel is, maar dat maakt zo weinig verschil althans voor mij. Ik wist alleen dat ik strafbaar was en door de politie gezocht zou worden. Dus, niet wetende wat anders te doen, ging ik de grens over. In Duitsland heb ik toen, in mijn oude baan, als chauffeur ongeveer een half jaar de kost verdiend. Tot ik het beu werd en besloot, er mocht dan van komen wat er wilde, naar Nederland en naar huis te gaan.”
Lift van een ronselaar
Het besluit was dus genomen: naar huis. En precies zoals hij eerder had gedaan, zo deed hij ook nu. Naar huis wilde hij? Welnu, de baan maar in de steek gelaten en dan proberen om zo vlot mogelijk terug te komen naar de Nederlandse grens. Met haast geen geld, zonder pas, maar met die ene gedachte in zijn stugge kop: Naar huis Zo stond hij op die najaarsmorgen te liften even buiten Stuttgart aan de Autobahn. Het duurde niet eens lang voor hij geluk had. Het geluk, dat hij een week later al als de bitterste rampspoed herkende. Een joviale, o zo vriendelijke Duitser nam hem mee in zijn wagen. Ze raakten al gauw aan de praat en het duurde niet lang of onze Pieter Jacob met het zeldzame naïeve vertrouwen dat hem kenmerkt had zijn hele hart uitgestort en al zijn moeilijkheden bloot gelegd.
De Duitser was vol medeleven en wist ook heel goede raad: „Man, je bent gek als je naar huis gaat. Een jonge kerel als jij, recht van lijf en leden en nog chauffeur bovendien, kan een prachtige toekomst in het Vreemdelingenlegioen hebben. Je krijgt een bonk geld, komt in je chauffeursvak terug, ziet een hoop van de wereld en na twee jaar, als je contract afgelopen is, krijg je in Frankrijk een prachtige betrekking. Mijn liefje wat wil je nog meer.” Ja, wat wou hij nog meer? Radicaal veranderde Pieter Jacob zijn plannen en liet zich door de vriendelijke Duitse autorijder, in wie hij nog steeds niet de ronselaar-om-geld had herkend, naar de Franse gendarmerie in Freiburg brengen. Hier werd hij vlot ingelijfd het viel wel wat tegen dat het contract niet van twee, maar van vijf jaar sprak en een paar dagen later ging het in een Franse militaire wagen met een twaalftal Duitsers ook in de val gelokt door ronselaars de grens over naar Straatsburg en daarna naar Marseille. En toch kwam meteen de ontgoocheling, van zijn inlijf-geld kreeg hij maar een klein deel, het uniform leek meer op een vod uit de lompenkist dan op de „gloire de la grande armée,” het schoeisel dat hem toegeworpen werd zou door een Nederlandse schooier nog met een verachtelijk gebaar zijn weggesmeten.
„Vierkant hoofd”
Neen, Pieter Jacob wist het al heel gauw: Dit is mis, helemaal mis, hier moet ik zo snel mogelijk weg. Hij probeerde het ook, in een complot met een aantal anderen, Nederlanders en Duitsers. Het complot werd ontdekt en de Hollanders -werden behandeld volgens het legioen-systeem van “Ia tête carrée”, het houten hoofd. Ze werden net zo lang tegen het hoofd geslagen tot zijwezenloos neerzonken en tot hun hoofd zo opzette dat het inderdaad vierkant leek te zijn. Nog geen week waren ze in Marseille ondergebracht in een smerige barak met één kraantje voor 700 man of ze werden in een vunzig troepenschip naar Oran vervoerd. Hier kwam eerst ’n kort verblijf in de „Compagnie de Passage 3” een doorgangskamp waar alle antecedenten in tientallen verhoren nauwkeurig werden nagegaan: „Die verhoren, door officieren en onderofficieren” duurden soms uren lang en als ze je ook maar op het kleinste vergissinkje betrapten met een datum of wat dan ook, dan was het weer: la tête carrée”.
Na dit doorgangskamp belandde hij in een instructiecompagnie te Saida en vervolgens bij een normale compagnie in Sidi Bell Abes, honderd kilometer Zuidelijk van Oran. Volgens de verhalen van Pieter Jacob had de hele instructie niets met een militaire opleiding te maken, maar was alles er zo op ingericht dat de nieuwe legionnairs geestelijk volkomen murw en willoos werden gemaakt. In de compagnie werd hij vervolgens weer ingedeeld als chauffeur en daarna als instructeur. Plotseling na ongeveer een half jaar werd Pieter Jacob overgeplaatst van Sidi Bell Abes naar Agadir, waar hij als chauffeur bij de gendarmerie mee moest op patrouilles de Sahara in. Patrouilles om te zoeken naar vluchtelingen en opstandige Arabieren, die in tijdsduur varieerden van twee dagen tot drie maanden. Hier heeft hij nog eens opnieuw geprobeerd te vluchten. Meer dan 20.000 kilometer hadden zijn makkers en hij zich al met de legerauto uit de voeten gemaakt. Toen werden ze ontdekt door een overvliegend militair vliegtuig: „Dat kostte mij dertig dagen kazerne-arrest en natuurlijk de nodige toedieningen van het beroemde „vierkante hoofd”.
Hel van Indo-China
Op 26 April werd Pieter Jacob met de compagnie van Oran verscheept naar Indo-China. Hier heeft hij de bittere hel meegemaakt van leven aan ’t front, van het langzaam maar zeker de moraliseren van een leger op de terugtocht. De bittere ellende van honger en dysentrie, van munitievervoer naar het front en van werken als verpleger in een totaal vervuild hospitaal. „Als legionnair werd je ongeveer als het minste van het minste behandeld, alleen de Algerijnen hadden het nog slechter. Tucht was er niet meer, niemand trok zich iets van ons aan. Daar heb ik voor de tweede keer dertig dagen gekregen. Deze keer omdat ik ik had wat teveel gedronken in een overmoedige bui met een machinegeweer door een tankwagen schoot. Daar zat water in dat voor ons was bedoeld en dat een paar officieren gebruikten om te douchen.”
Kameraadschap was er hier al evenmin als in Afrika. Slechts heel kleine groepjes * gelijkgezinden vonden elkaar zo nu en dan.
Soms ook waren het officieren die uitblonken, zoals Pieter Jacob zich nog herinnert van een Nederlandse luitenant Verstegen [ Versteege ] vermoedelijk afkomstig uit Haarlem die „als een vader voor ons zorgde, maar dat was een grote zeldzaamheid.
De meesten aten en dronken zich de buik vol en lieten ons omkomen van wat sardines en vlees dat nog taaier en harder was dan zoolleer.”
In het hospitaal ook werden de legionnairs en de Algerijnen als dieren behandeld, zo vertelt Pieter Jacob. „Ik heb er heel wat aan een spuitje zien sterven, hoewel ze alleen maar dysenterie hadden en best beter hadden kunnen worden. En ik heb de vrijgelaten krijgsgevangenen van Dien Bien Phoe zien aankomen, totaal vermagerd en uitgemergeld. Er was er een bij die nog maar 36 pond woog. Die werden allemaal op transport gezet naar Marseille. Daar kregen ze een treinkaartje naar de grens en het bevel om binnen 24 uur Frankrijk uitte zijn.” „Daarom, toen we in Februari van dit jaar op transport gingen van Saigon naar Tunesië ben ik in het Suezkanaal tien kilometer voor Port Said, met nog 83 anderen overboord gesprongen. Ik was de enige Hollander. We werden geïnterneerd en geleidelijk via de consuls uitgewezen. Zo kwam ik in Nederland terug en nu zit ik weer hier.” Ja, nu zit hij weer hier. Aan de voet van de Lebuïnus, waar hij drie jaar en acht maand tevoren zijn wanhoopsreis was begonnen. Hier in de cel, vandaag naar Zutphen, een korte gevangenisstraf voor de boeg waarschijnlijk voor het verduisteren van die fiets. En dan? Hij weet het niet: „Ik ben kapot, dat hebben ze me daar wel gemaakt. Ik weet niet wat ik doen moet. Naar huis terug wil ik niet en iets anders weet ik niet.” Zo eindigt voor Pieter Jacob, de ontgoochelde bruidegom, de mislukt chauffeur, de halfbakken fietsendief en de gedeserteerde legionair de reis. Hij zal wel geen Engelse boeken lezen, deze donkere man met het begin van een zwart baardje en hij zal ook wel nooit hebben gehoord van Marquands meesterwerk “Point of no return”. Maar op zulk een punt is het dat hij zich nu gekomen weet: Eindpunt, Eindpunt vanwaar geen bus of trein meer vertrekt. Eindpunt, waar voor hem alles eindigt: heden, verleden en toekomst.
[ Deventer dagblad 13-04-1955 ]
[ Twentsch dagblad Tubantia 20-04-1955 ]
Jeugd
Pieter Jacob Schweertman werd op 16 juli 1925 geboren in Oude Pekela als zoon van Jans Schweertman en Elsien Fransen.Zijn ouders waren op 20 augustus 1921 in Oude Pekela getrouwd.
1940 – 1945 Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werktePieter Schweertman zeer waarschijnlijk en tijdlang als chauffeur in Duitse dienst.
Zijn naam komt voor in twee dossiers van het Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging:
1. Opsporing en arrestatie van politieke delinquenten Gemeentepolitie Winschoten en
2. Rechtspraak door organen van de bijzondere rechtspleging Procureurs-generaal Groningen
1951 – 1955 Duitsland en het Franse Vreemdelingenlegioen
In 1951 na een gebroken verloving en financiële problemen vluchtte hij naar Duitsland, waar hij uiteindelijk in 1952 in Freiburg dienst nam in het Franse Vreemdelingenlegioen. In de Vauban-Kaserne “Quartier Vauban” in Freiburg bevond zich een rekruteringspost van het Franse Vreemdelingenlegioen.
In een krantenartikel uit 1955 gaf Pieter Schweertman aan de hij destijds geronseld was.
Hij vertelde ook over de slechte behandeling, mishandelingen en zware omstandigheden in Noord-Afrika.
Hij deed meerdere vluchtpogingen, waarvan één leidde tot dertig dagen kazernearrest.
Hij werd uitgezonden naar Indo-China waar hij werkzaam was als verpleger.
Op de terugreis van Indo-China naar Algerije in 1955 deserteerde hij door overboord te springen in het Suezkanaal en werd hij via Egypte terug naar Nederland gestuurd.
Daar werd hij opgepakt voor een oude fietsdiefstal.
Legioen eenheden: 1952 - 1955
| Van | Tot | Regiment | Bataljon | Compagnie | Plaats | Land |
|---|
Legioen onderscheidingen
| Onderscheidingen | Datum Uitreiking |
|---|
Info
Verder onderzoek gaande, heeft U meer informatie laat het mij weten via: info@nllegioen.eu
Bronnen
| [1] | Nationaal Archief, CABR dossiers Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging (CABR), Den Haag, archief 2.09.09 |