
Carl Röchling
Inleiding
Alhoewel de echte omvangrijke laster campagnes tegen het Franse Vreemdelingenlegioen, vooral vanuit Duitsland, nog moesten beginnen was de reputatie van deze Franse Koloniale troepenmacht aan het einde van de 19e eeuw ook al niet zo best.
Gezien de overeenkomsten met het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger lag het voor de hand dat er soms in de pers vergelijkingen werden gemaakt. Men was daar bij het KNIL duidelijk niet van gediend en er werd dan ook altijd fel tegen geageerd.
Ook in dit artikel uit 1880 wil men duidelijk laten weten dat zo’n vergelijking niet gepast is.
Duitsche officieren in Neerlandsch-Indië.
[ Makassaarsch handels-blad 02-11-1880 ]
Niet zonder enige verbazing schrijft George Kepper in het Familieblad las men enige weken geleden in de bladen, dat een ontslagen Pruisisch officier van oud-adellijken naam, versierd met het commandeurskruis ener Nederlandsche orde, als „gemeen Soldaat,” zoals men dat ten onrechte zegt, naar Indië was gegaan.
Die mededeeling maakte een zonderlingen indruk. Had men hier te doen met een eervol ontslagen officier ?
Welke reden kon die dan hebben om zijn rang in ’t Pruisische leger te laten varen en zich weder op de laagste sport van de militaire ladder te plaatsen; ene plaats innemende, die in alle opzichten in strijd is met de maatschappelijke positie, welke dien adellijken en gedecoreerden vreemdeling toekwam.
Wij kunnen slechts afgaan op dagbladberichten, want totale onbekendheid met de drijfveren, welke bedoelden ex-officier bewogen hebben tot het dienst nemen bij ons, maakt het onmogelijk om een oordeel te vellen.
Wel hoorden we stemmen oprijzen, die betoogden dat zulke berichten reden tot ongerustheid gaven; dat men vóórspellen kon, hoe deze nieuw aangenomen „koloniaal” met distinctie behandeld en spoedig tot de officiersrang bevorderd worden zou.
Velen met ons zullen de schouders daarvoor hebben opgehaald en niet genegen zijn geweest om uit een alleenstaand feit, dat niet genoegzaam overwogen worden kon, gevolgtrekkingen te maken.
Doch nu lezen wij de volgende correspondentie uit Buitenzorg: „Zekere graaf W. v. T., ex-1ste luitenant bij het Pruisische leger, heeft zich een paar weken geleden als soldaat doen inschrijven bij het Indische leger. „Bij het 18de bataljon te Buitenzorg, alwaar hij is ingedeeld, wist de man, die haast geen Nederlandsch verstaat, zodanig de achting van zijne superieuren te verwerven, dat hij dezer dagen reeds de graad van korporaal mocht verwerven, om weldra lot sergeant te worden bevorderd. „Daarenboven is hem de vergunning gegeven, om in het hotel Bellevue te verblijven, terwijl hij zich, evenals de officieren, in burgerkleeding mag vertonen. Voorwaar ene onderscheiding, die men onder de mindere militairen, althans onder vreemdelingen nog zelden heeft beleefd ” Gaarne willen we aannemen, dat genoemde korporaal in hoge mate de belangstelling van zijne meerderen heeft opgewekt, ’t geen door afkomst, opvoeding en hoogstwaarschijnlijk innemende manieren zich wel verklaren laat. Maar men wachte zich voor in ’t oog loopend gunstbetoon, daar dit onvermijdelijk bij de landgenoot ijverzucht moet doen ontstaan en allicht een rechtmatige ontevredenheid zou kunnen opwekken. Dat men onwillekeurig iemand van goeden huize en een eervol verleden met enige égards behandelt, laat zich zeer goed verklaren; maar hem op bijzondere wijze te bevoordelen en gunsten toe te staan, die slechts aan de officiersstand toekomen dit is, wanneer bedoelde correspondentie althans waarheid bevat, minstens genomen bedenkelijk te noemen.
Dubbel voorzichtig moet men wezen, omdat ons Indisch leger
—de Hemel zij dank nog geen „vreemdelingenlegioen!”—
zware verliezen geleden heeft, sedert onze worsteling tegen Atjeh begon; zodat reeds méér vreemdelingen in de gelederen werden opgenomen dan onder andere omstandigheden wenselijk ware geweest.
Niet alleen onze Nederlandsch-Indische geschiedenis, ook het gezond verstand maant tot behoedzaamheid aan; zelfs dan wanneer het zou kunnen getolereerd worden, dat de onpartijdigheid uit ’t oog verloren wordt. Wij spreken natuurlijk zeer in ’t algemeen en zonder dit speciaal geval op ’t oog te hebben, ofschoon zulks deze woorden in de pen gaf.
Bij volslagen onbekendheid met de antecedenten van bedoelden voormalige Pruisischen officier is het ondoenlijk, voor het ogenblik een bepaalde gevolgtrekking te maken; het is zelfs zeer verklaarbaar, dat iemand van naam en verdiensten — want anders ware hem geen Nederlandsche ridderorde toegekend, mag men welhaast aannemen, hoe wonderlijk die ook soms te grabbelen wordt gegooid ! — een weinig geprotegeerd en met bijzondere onderscheiding behandeld wordt. Maar dit neemt niet weg dat het een zonderlingen indruk maakt, zo iemand als gewoon soldaat in dienst te zien treden; het geeft stof tot overdenking… En de vraag rijst op, of ’t niet beter geweest ware, wanneer men te Harderwijk of elders hem niet als koloniaal had aangenomen. Meer in bijzonderheden te treden is voor ’t ogenblik niet verkieselijk; althans wij wensen ons daarvan te onthouden. Doch wij herhalen het,’ t geeft stof tot overpeinzen…. Mataram
Onderzoek
Het is jammer dat er in het artikel niet de initialen van deze “Pruisisch officier van oud-adellijken naam” genoemd werden.
Door de vergaande digitaliseren en indexering van de stamboeken van het KNIL is het tegenwoorden vrij eenvoudig geworden beknopte staten van dienst op te vragen.
Voor de aardigheid heb ik op de webpage van het Nationaal Archief over KNIL militairen bij Index Oost-Indië – Suppletiefolio’s het voor de Duitse adel gebruikelijk “Von” ingevuld. Dat leverde maar liefst 616 resultaten op met prachtige namen zoals: Carl Hubert Joseph Biegon von Czudnochowski en Maximilian Joseph Louis Besserer von Dahlfingen.