1886 – 1888 “Laat ons in Godsnaam het voorbeeld van Frankrijk, betreffende het vreemdenlegioen, volgen”

Wervingsposter Indisch leger uit 1909

Begin 1873 probeerde Nederland het sultanaat Atjeh op het eiland Sumatra te veroveren. Naast gebiedsuitbreiding was de haven Sabang in Banda Atjeh een belangrijk doel van deze expeditie. Bovendien lagen er in Atjeh verschillende olievelden.
Deze eerste expeditie liep uit op een zwaar verlies voor de Nederlanders.
In 1874 probeerde het Nederlandse koloniale leger (KNIL) het opnieuw en bezette het paleis van de sultan. De sultan vluchtte, maar hij bleef zich verzetten tegen de bezetters.
Wat volgde was een zware langdurige koloniale strijd.
Dit resulteerde o.a. in tekorten aan militairen voor de dienst in Nederlands Indie.

Volgende artikelen uit 1886 en 1888 geven een opmerkelijke oplossing voor dit probleem te hebben: een voorbeeld nemen aan het Franse Vreemdelingenlegioen.
De artikelen hekelen o.a. het feit dat gezonde mannen worden afgewezen voor kleine gebreken, terwijl er dringend behoefte is aan troepen.
Er wordt gepleit voor een leger van avonturiers, ongeacht afkomst, zoals Frankrijk dat succesvol doet.
Er is een suggestie voor hervorming door Harderwijk om te vormen tot een depot voor een “Nederlands” vreemdelingenlegioen, met betere training en minder bureaucratie.
De teksten reflecteren een pragmatisch kolonialisme: het ideaal van een nationaal leger wordt losgelaten ten gunste van militaire effectiviteit. Er klinkt een romantisering van de avonturier door: moedige mannen zonder verleden, bereid om te vechten in de jungle. Tegelijkertijd is er een kritiek op bureaucratie en moralistische keuring, die als remmend wordt gezien op de militaire slagkracht.

Deze voorstellen waren best wel opmerkelijk. Het Legioen stond bekend als een toevluchtsoord voor deserteurs, criminelen, en maatschappelijk ontspoorden. De discipline was hard, de leefomstandigheden slecht en zodoende kwam desertie veel voor. Franse kranten en publieke opinie waren verdeeld: enerzijds bewondering voor de vechtlust, anderzijds afschuw over het morele gehalte van de troepen.
Dat het Indische leger al voor een groot deel uit buitenlanders, vooral Duitsers, bestond werd in de artikelen niet genoemd. Mogelijke verklaring hiervoor is dat men eigelijk iedere vergelijking met het Franse Vreemdelingenlegioen wilde vermijden. een uitzondering hierop is het artikel uit het Soerabaijasch handelsblad 16-04-1880 waar het Indisch leger consequent aangeduid werd met vreemdelingenlegioen.


Waarom dan tóch deze invloed op Nederlands beleid?
Nederland kampte met een chronisch tekort aan troepen voor het KNIL, vooral tijdens de Atjeh-oorlog.
De idealen van een “nationaal leger” botsten met de realiteit: weinig Nederlandse vrijwilligers, strenge keuringseisen, en hoge uitval door ziekte in de tropen. Frankrijk had ondanks de reputatie van het Legioen wél een stabiele stroom aan buitenlandse rekruten en wist deze effectief in te zetten in Algerije en andere koloniale gebieden.
Nederlandse opiniemakers en militaire denkers zagen in het Franse model een werkbaar alternatief: een leger van avonturiers, ongeacht afkomst, mits goed getraind. De Franse aanpak werd gezien als doelmatig en flexibel, ondanks de morele bezwaren.
De invloed van Frankrijk op het Nederlandse beleid rond 1886–1888 was dus vooral functioneel. Ondanks de slechte reputatie van het Franse Vreemdelingenlegioen, bood het een model van militaire efficiëntie dat Nederland in zijn koloniale context hard nodig had.
Het was een klassiek geval van: “Het betere is de vijand van het goede” —
liever een effectief vreemdelingenlegioen dan een onhaalbaar ideaal van een zuiver nationaal leger.

Eene oplossing van het Atjeh-vraagstuk.

Het geschrift van den heer Nederburgh is door de toongevende Nederlandsche bladen met belangstelling ontvangen. Het Alg. Hbl, de N. Rott. Ct. en andere noemden het een degelijke, heldere en belangrijke studie. En uit het overzicht, dat zij van schrijvers denkbeelden gaven, straalde meer sympathie dan tegenzin.

Reeds meermalen wezen wij er op dat ten opzichte der werving van een verkeerd denkbeeld wordt uitgegaan. Men dringt steeds aan op een nationaal leger en vergeet daarbij maar al te veel dat “het betere de vijand van het goede is”.
Ook wij zouden gaarne ons Indisch leger uit Nederlanders en niet in de laatste plaats uit Indo-Europeanen samengesteld willen zien. Doch waar dit onbereikbaar is of, wat de werving van Indo-Europeanen aangaat, niet schijnt te worden gewenscht, moet men niet langer lamenteren, maar in den vreemde zoeken wat in eigen land niet te krijgen is.
Frankrijk houdt het zes bataillons sterke Vreemden-legioen steeds compleet, ofschoon de soldaat in Algiers zeker geen betere behandeling geniet dan in Nederlandsch-Indië; zouden wij het dan niet kunnen doen? Zeker wel.
Doch daartoe dient het handgeld te worden verhoogd en moet van de eventuele vrijwilligers niet worden gevorderd, dat zij als brave Hendrikken hebben geleefd.

[ Java-bode : nieuws, handels- en advertentieblad voor Nederlandsch-Indie 15-12-1886 ]

ONDER HET PSEUDONIEM Athos komt in de Arnhemsche Courant een ingezonden stuk voor, over de werving voor den dienst bij het Indisch leger.
Na zijn verontwaardiging te hebben geuit, dat door gebrek aan troepen de schoone gelegenheid onbenut is gelaten om de 3 & 400 Atjehers, die te Poeloe Bras zijn geweest te vernietigen, vraagt hij:
„Waar moet het heen met Nederlands schoone bezittingen?
En dan is men nog zóó kieskeurig wat de werving betreft!
Uit Maastricht schrijft men, dat in het vorige jaar daar 440 mannen werden afgewezen. Voor een gering gebrek aan de oogen of lichte aderspatten wijst men overigens flinke kerels af!
Certificaten van goed gedrag van de jongensjaren af worden gevorderd en dat voor een leger van avonturiers!
Een werfdepot, dat veel van een gevangenis heeft, zonder vaandel, zonder chic, maar vreeselijk vervelend en ontmoedigend! Vroeger stroomden vrijwilligers toe, ook zonder handgeld. Geheele troepen Belgische deserteurs in uniform kwamen aan zonder handgeld te ontvangen, en daaronder waren flinke soldaten. Het Corps jagers van Cleerens prachtige kerels heeft uitstekende diensten bewezen. Dat waren avonturiers, flinke kerels, die geen „ondoordringbaar ‘ terrein kenden.
Is het niet Clausewitz die zeide: „een infanterist moet overal een klipgeit en een cavalerist overal een infanterist kunnen volgen”?

Laat ons in Godsnaam het voorbeeld van Frankrijk, betreffende het vreemdenlegioen, volgen. Een flinke jongen, van welke nationaliteit ook, wordt aangenomen, zonder dat men angstvallig tijd vermorst om uit te vorschen of hij ook een valschen naam draagt, of hij wel toestemming heeft van vader, moeder, voogd, enz. enz. en of die toestemmingen wel geldig zijn, of hij op zijn 12de jaar ook appels gestolen heeft, en wat dies meer zij, aan kleingeestigheid en vitterij.
Laat, evenals vroeger, en tot tijd en wijle dat wij een Nederlandsch reservecorps kunnen oprichten, ons leger in Indië bestaan uit avonturiers! Onder de Javanen en lioegineezen komen ook wel struik en zeeroovers voor, en het zijn te velde de beste soldaten. Waarom worden de vrijwilligers zoo scherp gekeurd? „Onze Oostindische bezittingen zijn zeer uitgestrekt; op pacifieke buitenposten kunnen toch manschappen worden gedetacheerd, die niet in alle opzichten voor den velddienst geschikt zijn. „Echter zorge men geen als militair gekleede ambachtslieden of boerenjongens naar Indië te zenden, maar uitstekende soldaten. Het ware te wenschen dat Harderwijk vervormd werd tot depót van een vreemdenlegioen en dat in een gezonde boschrijke heidestreek een depót werd opgericht van jeugdige Nederlanders, die daar grondig geoefend werden in gymnastiek, schermen, schieten en voorts in alle militaire oefeningen. Met goede, geharde, vlugge soldaten, die vertrouwen hebben in hun meerderen, in hun wapens en in zichzelf, zullen wonderen verricht worden. Ze moeten echter ook minstens één jaar in Indië zelf, liefst op Sumatra, in velddienst en marschen behoorlijk worden geoefend, alvorens tegens den vijand te moeten ageeren.”

Bataviaasch nieuwsblad 13-02-1888

Gedurende de oorlog in Atjeh is het vreemdenlegioen, dat de Nederlanders daar noodig hadden tot zulk eene sterkte opgevoerd, dat de aandacht van sommige mogendheden daarop werd gevestigd.
Duitsland vooral hield er het oog op en de regeering wisselde er van tijd tot tijd nota’s over.
Van de 1.764 rekruten, die in ’79 te Harderwijk werden ingescheept, waren dan ook 539 Germanen.
In Berlijn klaagt men er over, dat dit bijna allen deserteurs waren of lieden, die zich te huis aan hunne militaire verplichtingen wilden onttrekken, wat misschien niet voor eene gezonde preadilektie pleit.
Om dit vooral duidelijk te maken, zijn de Duitsche bladen bezig vreselijke verbalen op te dischen van de ongezondheid van ‘t klimaat en den zwaren dienst op de Soenda-eilanden, maar helaas dat wil niet baten en steeds blijft het Hollandsche vreemdenlegioen uit Duitschers bestaan. Zij willen absoluut van de verboden vrucht gaan proeven.

[ Soerabaijasch handelsblad 16-04-1880 ]

De onlangs, op verzoek eervol ontslagen eerste luitenant Langguth zou pogingen aanwenden om als officier in dienst te komen bij het vreemdenlegioen in Algiers.

[ De locomotief : Samarangsch handels- en advertentie-blad 08-03-1884 ]

© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over