Introductie
Op 16 april 1904 verscheen in de Nederlands-Indische krant “De locomotief” de Nederlandse vertaling van een artikel van de Duitser Fritz Ohle. Het was eerder in het Duitse blad “Der Zeitgeist” gepubliceerd.
Het artikel is een mix van koloniale avonturenromantiek en historische context.
Het beschrijft een avontuurlijke tocht in 1897 vanuit Aïn Sefra (Algerije) naar de “geheimzinnige” stad Figuig gelegen in het grensgebied van Marokko. Fritz Ohle die diende in het Franse Vreemdelingenlegioen, verveelde zich in het garnizoen van Aïn Sefra.
Fritz Ohle besloot samen met de garnizoensdokter Guizot een tocht te maken naar Figuig, een stad die tot dan toe door geen enkele Europeaan bezocht zou zijn. Figuig wordt beschreven als een “roofstaat” onder leiding van Bou Amama, een beruchte Arabische leider. De tocht voert hen door woestijn, rotslandschappen en oases zoals Hadjerat M’Guil en Djenien-Bou-Rezg. Uiteindelijk bereiken ze een heuvel vanwaar ze Senaga kunnen zien liggen, met zijn witte minaretten en palmbomen. De expeditie eindigt abrupt wanneer ze Bedoeïenen horen naderen.
Waarheidsgehalte
Veel elementen in het verhaal zijn historisch, maar het geheel is sterk geromantiseerd:
Aïn Sefra was inderdaad een Franse garnizoensstad in Algerije, en het Vreemdelingenlegioen was daar gelegerd.
Figuig is een echte stad in Marokko, vlak bij de Algerijnse grens. Het was in de 19e eeuw een strategisch en cultureel belangrijke oase.
Bou Amama (ook gespeld als Bouamama) was een historische figuur: een Algerijnse verzetsleider die in de jaren 1880–1900 streed tegen de Franse koloniale overheersing.
De claim van Frist Ohle dat “geen enkele Europeaan” Figuig had bezocht vóór 1897 is twijfelachtig. Franse militaire expedities en verkenningen in Zuid-Oran en de grensgebieden met Marokko vonden al plaats in de jaren 1880.
Het verhaal is dus wel gebaseerd op echte plaatsen en personen, maar bevat duidelijke literaire en avontuurlijke overdrijvingen.
Historische context
Het artikel is een goed voorbeeld van de koloniale literatuur van rond 1900.
Frankrijk was bezig met het uitbreiden van zijn invloed in Noord-Afrika, vooral in Algerije en Marokko.
De grensregio tussen Algerije en Marokko was instabiel, met lokale stammen die zich verzetten tegen Franse aanwezigheid.
Verhalen over “onontdekte” steden en “barbaarse” leiders waren populair in Europese kranten en tijdschriften, vaak bedoeld om koloniale ambities te rechtvaardigen.
Het Vreemdelingenlegioen speelde een belangrijke rol in deze koloniale expansie, en hun avonturen werden vaak geromantiseerd.
Uit het „Land der Zon”
Een avontuurlijke tocht
In het jaar 1897 bevond zich het eerste regiment van het Vreemdelingen-legioen in Aïn-Sesra [ Ain Sefra ] in garnizoen, schrijft Fritz Ohle in Der Zeitgeist.
Door de overplaatsing een van een kapitein was mij het bevel over een bereden compagnie opgedragen; de dienst in het snikheete oord was niet zwaar en als we geen arabische of marokkaansche rovers achter de vodden zaten, hadden we absoluut niets te doen; we lagen er als de kozakken aan de Don op wacht en van exerceren of andere militaire oefeningen was geen sprake. In het kleine gehucht AinpSesra was niet de minste verstrooiing te vinden we wisten niet hoe we den tijd zouden doodslaan en zonnen op allerlei avontuurlijke plannen om de verschrikkelijke verveling te verdrijven.
Zoo kreeg ik plotseling het idee, eens een tocht te ondernemen naar den naburige roofstaat Figig. De gedachte, de geheimzinnige stad eens in oogenschouw te kunnen nemen, deed zelfs bij den moedigsten kameraad het hart sneller kloppen en toen mijn plan vasteen vorm kreeg, ik ‘t wilde doorzetten en aan den majoor verlof vroeg, schudde deze het hoofs en twijfelde hij aan mijn verstand. Tot op dat ogenblik, was het nog aan geen enkelen Europeaan gelukt in de oase van Figig door te dringen en vandaar berichten te brengen . Men verkeerde dus ub een volslagen onwetendheid omtrent dezen kleine Afrikaanse roofstaat, wiens oppervlakte niet groter is dan 20 km. in ‘t vierkant.Figig – de eigenlijke naam is Senaga – is een republiek, welke in naam onder Marokko staat, zij is toch verplicht aan den sultan ieder jaar een zekere schatting op te brengen d.w.z. als zij niet – wat meestal gebeurt – gebreke blijft,
De stad is gesticht en gebouwd door Bou Amama, den bloeddorstigen, maar dapperen arabische schrik die ook thans nog opperhoofd is nog opperhoofd is. Het ligt 57 km van de grens der provincie Oran en tot dusver had nog geen enkele Franschman den moed gehad, die grens te overschrijden en alle troepen die op excursie werden uitgezonden, durfden slechts gaan tot den oase Hadjerat-M’Guil aan de Oued Dermel, van waar men, als de lucht helder was, Senaga op een afstand van 40 km vrij duidelijk kon zien liggen. Met deze uit de verte beschouwing had men zich al twee jaar tevreden gesteld en voelde in mij het onweerstaanbaar verengen, te trachten de met sagen en legenou omzweefde stad eenmaal van naderbij P te nemen.
Mijn vriend, de garnizoensokter Guizot, had reeds zoo menigeu woesten rit met me gemaakt, dat hij, toen ik m mijn plan mededeelde, dadelijk zeide met mij mede te willen gaan.
Vroeg in den morgen verlieten wij beiden in alle stilte Ain-Sesra, goed bereden en bewapend en voorzien van een voorraad levensmiddelen, die voor zes dagen toereikend was. Na een langen rit van acht uur lag de wijde, onmetelijke woestijn voor ons. Wij kwamen nu in een met rotsen en stenen vlakte, langzaam doorsneden wij het dal en wederom na een scherpen rit van drie uren door een heuvellandschap, bereikten wij eindelijk het Alfagebied. Er lag een bekoring over deze bloeiende, in zonneschijn badende afrikaansche prairie en het hoge gepluimde gras, zachtjes heen en weer deinend op zachte windezucht herinnerde aan de vaderlandsche korenvelden; de overal bloeiende thymians verspreidde ee lieflijke, aangename geur; geen geluid verbrak echter de geheimzinnige, beangstigende stilte die alom heerschte, geen vogel zong, geen insect deed zich horen ‘t bleef stil, doodelijk stil. Zwijgen reden we voort, ieder vervuld met onze eigen gedachten en we voelden ons beiden eenzaam en verlaten temidden dezer immer zwijgende natuur.
Onafgebroken hadden we nu elf uur in den zadel gezeten, en zowel wij als onze paarden voelden een groote behoefte om een ogenblik rustte nemen en aan de voet van een berg afstijgend vonden wij na eenig zoeken een bron, waar onze arme dieren hun brandenden dorst konden lessen.
Na een korte rust ging het weer verder op de garnizoensplaats Djenien-Bou-Rezg aan, waar we tegen acht uur in den avond wel over vermoeid maar toch in volmaakten welstand aankwamen, ingehaald door het vrolijk gejubel onzer krijgsmakkers.
Djenien Bou Rezg
Djenien-Bou-Rezg is de uiterste militaire post die Frankrijk aan deze zijde heeft en is ongeveer 40 km van de marokkaanse grens verwijderd. Deze afstand verhinderd echter niet dat de stoute ruiters van Bou-Amama vaak hun strooptochten tot onder de muren der vesting uitstrekken, zonder echter den moed te hebben, de post openlijk aan te vallen, want zij weten wel dat het dan aan hen op een bloedige wijze zou worden gewroken. We maakten in gezelschap van onze kameraden die tot de z.g. lichte afrikaansche infanterie behoorden, een gezelligen avond door en stegen den volgenden morgen om drie uur weer in den zadel.
De eerste 30 km. ging het in snellen galop voorwaarts; we waren nog op Fransch grondgebied en gevoelden ons nog tamelijk veilig.
Hadjerat M’Guil

Tegen zeven uur ’s ochtends doemden voor ons oog de palmen der oase Hadjerat M’Guil op en van hier af was het zaak de uiterste voorzichtigheid in achtte nemen.
We wisten te goed dat we thans den grond betraden, die voortdurend door vijandelijke marokkaansche horden werd doorkruisd. Op onzen verderen tocht konden onze paarden ons niet meer van nut zijn en besloten wij hen tusschen het hooge riet te verbergen. Een uur later bevonden wij ons op een heuvel, vanwaar we een ruim uitzicht hadden op de gansche landstreek, De lucht Was buitengewoon helder, zoo zelfs, dat we geloofden dingen en voorwerpen die op een afstand lagen, met de band te kunnen grijpen.
Senaga

Vue generale du Village et de l’Oasis ( Partie Nord)
Voor ons lag Senaga, de geheimzinnige sprookjesstad wier helwitte minnarets in het het diepe groen der palmboomen, een schoon, echt oostersch schouwspel aanbood. We hadden ons doel bereikt, onze harten klopten van vreugde en trots, we genoten een uitzicht, dat voor ons, nog nooit door een Europeaan bewonderd was. Voorzichtig gleden wijden anderen kant van den heuvel weer af en van iedere dekking gebruik makend slopen wij nog vier volle uren langs een smal voetpad voort.
Plotseling gaf Dr. Guizot mij een teeken om stil te zijn. Hij legde het oor op den grond en luisterde. Verschrikt sprong hij op en fluisterde mij toe: “Arabieren . . . Bedoeienen”. Bliksemsnel wierpen wij ons plat op den grond, het geweer krampachtig omklemd en vast besloten ons liever te laten dooden, dan ooit levend in handen van den vijand te vallen; als zij ons aanvielen zouden zij mannen vinden die hen te woord konden staan. We behoefden niet lang te wachten. Nauwelijks 200 m. van ons vandaan reed een troep van ongeveer veertig Bedoeïenen in hun witte, wijd uitwapperende mantels en de lange geweren in de vuist ons op hun snelle, half getemde paarden voorbij. Scherp spiedden de woestijnzonen naar rechts en links maar we waren zoo goed achter een oleander bosje verborgen, dat zelfs de geoefende adelaarsogen van deze bruine rovers ons niet konden ontdekken.
Nadat we eenigszins van onze verrassing en schrik waren bekomen, waagden wij het uit onze schuilplaats te voorschijn te treden. Uiterst behoedzaam drongen wij door de hoge en stekelige cactusplanten heen en vervolgden onzen weg.
Figuig
Na ontzaglijk veel moeite bereikten wij eindelijk in de onmiddellijke nabijheid der oase Figig [Figuig] een heuvel, op welks top de bouwvallen van een kleinen mohammedaanse tempel waren gelegen. Een dankbaar gevoel voor Mohammed steeg in ons op, door wiens toedoen wij zoo’n uitstekend observatorium in bezit konden nemen en vanwaar we de gehele, op drie km afstand gelegen stad, badend in den gouden zonnegloed en omgeven door een warande van palmen en bloemen, konden overzien.

Het was een indrukwekkend schouwspel. De eigenlijke stad is halve-maanvormig gebouwd en ligt op een zacht glooienden bergrug, Op een afstand van 1 1/2 Km ligt om de stad een kring van zeven dorpen, die de eerste verdedigingslijn voorstelt. Het trok mijn aanacht, hoe ieder punt met groote strategische kennis was uitgekozen; hooge wallen omgeven de stad en de dorpen, terwijl iedere twee of drie dorpen door een door muren beschermden weg met elkaar zijn verbonden. Vanuit onzen observatiepost konden we met den verrekijker duidelijk de kanonnen op de wallen onderscheiden. Achter deze voorpostenlinie ligt Senaga [Zenaga], ook omgeven door een meer dan 10 m. hoogen muur. Aanvankelijk geloofden wij dat deze muren massief en uit steen en opgetrokken waren, doch bij langer, nauwkeuriger onderzoek bleek ons, dat het slechts leem-muren waren, een ontdekking die zeer zeker van gewicht was. Voor den aanval toch van een met lansen en geweren gewapende stam, zouden zij afdoende diensten bewijzen, doch aan een attaque van Fransche artillerie zouden zij geen weerstand kunnen bieden ; één goed geraakt kanonschot zou voldoende zijn, om een niet te herstellen bres te veroorzaken. In het midden van den oostelijken muur, waarop wij uitzicht hadden, bevond zich een groote poort, waarboven een soort van toren was gebouwd, waarop wij duidelijk een wachtpost konden waarnemen. Allerwegen doken uit het heerlijke groen verdedigingswerken op: muren, wallen, minnarets en meer op den achtergrond de platte, ruime daken der witte huizenen het rooversnest dat zooveel nood en jammer om zich heen verspreidt, maakte op ons een lieflijken, vriendelijken indruk. Het was jammer dat we van ons standpunt uit ook niet de andere zijden der stad in oogschouw konden nemen, doch we konden toch wel het leven en de bedrijvigheid waarnemen, die tusschen de dorpen onderling en de stad heerschte.

In diepe aandacht verzonken, nu en dan een woord wisselend, lagen Dr. Guizot en ik de geheimzinnige stad te bespieden en hoe lang er we tuurden op die glanzende koepels der moskeeën, die slanke, in vreemden trant gebouwde en versierde minnarets, die sneeuwwitte huizen, die bloemen- en boomen pracht, hoe meer we onder den indruk kwamen en in ons herinneringen wakker werden aan de Duizend-en-één-Nachtvertellingen en ik weet niet hoe lang wij daar al gelegen hadden, toen mijn vriend, wijzende met de hand naar de reeds dalende zon, me waarschuwde, dat het tijd werd om terug te keeren. Nog een laatsten, langen blik wierpen wij op de stad van Bou-Amama en toen begaven wij ons op den terugweg. Met dezelfde omzichtigheid, van iedere terreindekking gebruik makend, ons steeds verschuilend in het hooge gras, legden wij den moeilijken weg ten tweede male af. Verscheidene kilometers hadden we reeds achter den rug en reeds de plek bereikt, waar we onze paarden hadden verborgen, toen we, omkijkend, tot onze groote schrik op niet meer dan 5. K.M. afstands een ruiterbende in razenden ren zagen naderen, We waren dus toch ontdekt; er bestond geen twijfel, of het waren de manschappen van Bou-Amama.
We wisten zeer goed dat, vielen wij in hun handen, ons laatste uur geslagen was en ook viel tegen zoo’n overmachtigen vijand niet aan een vruchtbare verdediging te denken. Alleen onze paarden konden ons redden, en snel besloten zette ik de vingers aan den mond… een schrille toon weerklonk en… gelukkig! met vroolijk gebriesch kwamen onze paarden aangerend. In minder dan geen tijd zaten wij in den zadel, en nu begon een ware rit op leven en dood, zoo woest, zoo razend, dat ik me niet herinneren kan, ooit zoo snel te hebben gereden. Als pijlen uit een boog vlogen we voorwaarts en, waren onze vervolgers aanvankelijk in het voordeel, toen we eenmaal de wijde vlakte bereikten, die als een wedstrijdterrein scheen aangelegd, spanden onze paarden, die ook begrepen dat hier zijn of niet-zijn de inzet was, nog meer hun krachten in met het gevolg dat de afstand steeds grooter werd.
Toen zij dit bemerkte, brak de bende in een woest gehuil uit en vuurden zij hun lange geweren op ons af. Tal van kogels vlogen ons om de ooren, doch gelukkig zonder ons te treffen. Het schuim stond onze paarden op den bek en ons-zelf droop do transpiratie bij stroomen van het gezicht, ’t Werd tijd dat aan dezen doodsrit een einde kwam; reeds doemden, belicht door de laatste stralen der ondergaande zon, de beschermende muren van Djenien-Bou-Rezg voor ons op, nog tien minuten en we zouden in veiligheid zijn, toen plotseling mijn paard struikelde en ik in een wijden boog uit het zadel geslingerd werd, terwijl mijn paard op een paar meter van mij vandaan ook in ’t zand lag. Ik Had me bij de tuimeling in het zachte zand niet bezeerd en opstaande, meende ik niet anders dan te zullen zien dat de buiksingel gescheurd was of dat mijn beest zijn been had gebroken. Spoedig bleek me echter, dat het geen ernstig ongeval was; met behulp van Dr. Guizot, die direct van zijn paard gesprongen was, gelukte het mij mijn dier, dat met zijn poot in een gat had getrapt, weer op de been te brengen.
De Arabieren hadden het ongeval duidelijk gezien; een daverend triomfgejuich en een hagelbui van kogels leverde ons daarvan het bewijs. Haast even snel als ik uit den zadel gesmakt was, was ik ook weer opgestegen. Het werd tijd want niet meer dan vierhonderd meter van ons vandaan, verschenen onze vijanden weer, die enkele seconden door een heuvelrug aan ons oog onttrokken waren geweest. Hoog in de lucht zwaaiden zij hun geweren, als demons in hun wijde, witte mantels kwamen zij aangerend, niet anders denkend, dan dat we zeker in hun handen zouden vallen. Maar zij vergisten zich; wij achtten het oogenblik gekomen, om te toonen, dat ook wij nog iets ind e melk hadden te brokken. Wij keerden ons om in den zadel, legden de geweren aan, twee schoten knalden tegelijkertijd, en ten bewijze dat wij goed geraakt hadden, stortten de twee ’t dichtst bijzijnde Arabieren dood of gewond ter aarde.

Een weinig kalmer gemaakt door het verlies hunner kameraden, hielden de wilde woestijnroovers hun paarden in; arabische vloeken en verwensingen bereikten ons oor, kogels floten om ons heen, maar wij stoorden er ons niet aan; snel werd het laatste deel van den weg afgelegd en weldra waren wij in veiligheid onder de beschuttende muren van Djenien-Bou-Rezg, waar onze kameraden ons met gejuich ontvingen.
[ De locomotief 16-04-1904 ]
Fritz Ohle
Meer informatie over de schrijver van dit artikel Fritz Ohle blijkt lastiger te vinden dan gedacht.
De reizen die hij maakte en de boeken die hij schreef kwamen daarentegen regelmatig in het nieuws.
Volgens deze passage uit het boek “Les semeurs de haine : leur oeuvre en Allemagne avant et depuis la guerre” uit 1922 door André Fribourg, diende Fritz Ohle met als Matricule 19.468 bij de 17e compagnie montée.
Fritz Ohle die een belangrijk anti-vreemdelingenlegioen pamflet schreef bleek volgens André Fribourg in weze helemaal niet zo tegen het legioen te zijn geweest.
Un des plus violents pamphlets qui aient été écrits contre ce corps, Weisse Sklaven, Les Esclaves Blancs paru en 1907, est dû à la plume de M. Fritz Ohle. L’auteur ne ménage les injures ni à l’institution, ni au colonel de Villebois-Mareuil qui la défendit après l’avoir commandée.
Or, de 1903 à 1904, Fritz Ohle avait adressé à un capitaine de la Légion des lettres qui sont entre mes mains, lettres où il annonçait qu’il préparait un livre et où il priait l’officier de lui fournir des renseignements.
Le 6 août 1903, il demandait un envoi de photographies de la Légion ; il rappelait qu’il avait servi sous le matricule 19.468 à la 17e compagnie montée; il ajoutait: « Mein Buch soll auch französich erscheinen (Hachette, Paris) davon sollen sie dann auch ein erhalten. Das Buch ist zur Ehre Frankreichs geschrieben ». « Mon livre doit également paraître en français (chez Hachette à Paris). Vous en recevrez aussi un exemplaire. Le livre est écrit à l’honneur de la France. »
Renchérissant le 3 septembre, il écrivait : « I do like the Frenchs and their Legion very much. There with call : « Vive les officiers de la Légion ! » « J’aime beaucoup les Français et la Légion et aussi je crie. « Vive les officiers de la Légion !»
Le 1er février 1904, il écrivait encore : « Vous avez raison quand vous dites : « La Légion est une grande et belle troupe ! je pense toujours volontiers à la Légion et je suis fier d’avoir servi sous son célèbre drapeau. Ci-joint, Monsieur le Capitaine, je vous envoie ma dernière photographie (touchant!) Peut-être vous fera-t-elle plaisir. C’est celle d’un ancien légionnaire ! » Tenant à séduire tout à fait son correspondant, Ohle disait enfin : « M. Bertrand est-il encore colonel du 1er régiment?
L’ancien colonel M.de Villebois-Mareuil me connaissait bien(1).
Il voulait que je devinsse officier dans la Légion. Plus tard, déjà de retour en Allemagne, j’ai reçu plusieurs lettres de lui en sa qualité de chef d’état-major général des Boërs. Il m’offrait un emploi de capitaine si je voulais venir à lui et aux Boërs (1), Mais j’étais déjà marié et ma femme ne voulut pas me laisser partir. Je garde toujours au colonel un bon souvenir ainsi qu’au lieutenant Montagnole (a) .
Celui-ci est tombé à Madagascar. C’était un vaillant officier ! »
M. Fritz Ohle était un charmant humoriste. Son idée de se faire renseigner sur la Légion, par un de ses officiers, égale presque les conceptions géniales de son compatriote, le capitaine de Cöpenick. Mais, après avoir lu les quelques extraits que je viens de donner de sa correspondance, ajoutera-t-on foi à son pamphlet sur les « Esclaves blancs » ?
(1) « Der frühere colonel Monsieur de Villebois-Mareuil kannte mich sehr gut. Er wollte dass ich Offizier in der Legion worden sollte. Später als ich schon wieder in Deutschland war, habe ich von ihm als Generalstabchef der Buren mehrere Briefe erhalten.
Er versprach mir die Stelle eines Capitaines wenn ich zu ihm und zu den Buren kommen wollte… »
(a) Lieutenant Francisque Germain MONTAGNOLE
D’après “Journal officiel de Madagascar et dépendances” 16 avril 1898
Né le 31 juillet 1869 à la Ravoire (HauteSavoie), M. le lieutenant Montagnole entrait à Saint Maixent le 1er mars 1891.
Affecté, à sa sortie de l’école, au 1er régiment de légion étrangère, il faisait campagne au Soudan,
du 23 février 1894 au 27 janvier 1895, et y faisait preuve de solides qualités
militaires.
Il était promu lieutenant le 1er avril 1895.
Désigné pour servir à Madagascar, il s’embarquait à Marseille le 10 octobre 1897.
Arrivé le 4 novembre à Tamatave, il montait à Tananarive avec un détachement qu’il conduisait peu après dans le sud, à Ihosy.
Tout dernièrement, il fut classé à la compagnie de M. le capitaine Flayelle et prit part, avec elle, à l’opération dirigée contre les rebelles du Vohinghezo.
Il marchait à la pointe de l’avantgarde, dont il avait le commandement, lorsqu’il tomba mortellement frappé à côté de son capitaine.
Le Corps d’occupation perd, en la personne de M. le lieutenant Montagnole,
un officier de valeur et
d’avenir, qui sera vivement regretté de ses chefs et de ses camarades.
