1911, 6 Juli Taourirt VIII

Brieven van een onderofficier van het Fransche Vreemdelingenlegioen.

[ 17-07-1911 Leeuwarder courant ]

Deze op 17 juli 1911 in de Leeuwarder courant verschenen brief van de “onderofficier van het Fransche Vreemdelingenlegioen” met de initialen “V d V” droeg de titel “Taourirt”.
De plaats en de datum verwijzen naar waar en wanneer de brief geschreven werd.
Beschreven wordt de opmars van Taourirt naar het 60 km zuidelijker gelegen Debdou die al begin Mei plaats vond.

Opmerking, vrijwel zeker gaat het bij de rivier Moulonia om de rivier Moulouya.

VIII. Taourirt, 6 Juli.

De troepen, die uit alle delen van Algerije waren opgeroepen, zijn onverwacht — door een bevel uit Parijs — terug moeten trekken van de boorden der Moulonia, naar hunne oorspronkelijke garnizoensplaatsen, slechts een voldoende bezetting achterlatende op de nieuw gevestigde posten ten Noorden langs de Moulonia uit Eoyid Za, ten Westen eveneens langs de rivier, waar tevens een brug is gebouwd genaamd Merada, ten Zuiden der stad Debdou.
Veel hebben de Franschen niet gewonnen met deze colonne, hun gebied is niet meer dan hoogstens 36 K.M. verder uitgebreid, doch werk is er weer genoeg nu met de nieuwe posten, waarheen weer goede wegen moeten worden aangelegd, terwijl zij telegrafische verbinding moet hebben en de onmisbare waterputten.
Wij hebben den generaal Toutée vergezeld op zijn reis van uit Taourirt naar Debdou. Die stad was nog niet in handen der Franschen. Wel waren vroeger verschillende verkenningen gedaan in de vlakte voor de stad, doch altijd bleven wij op een eerbiedigen afstand, want er kwamen voortdurend berichten van spionnen, dat de stad sterk bezet was met Marokkaansche troepen. Nu evenwel zouden wij er op los gaan, van drie verschillende zijden zouden onze troepen zoo noodig oprukken en verzamelen op 12 K.M. voor de stad, om daarna met den generaal den aanval verder voort te zetten.

Eene colonne vertrok in zuidelijke richting, terwijl de twee andere den loop der Mouloniarivier zouden volgen. Wij met een kleine troepenmacht, bestaande uit afdeelingen der genie, namen direct den weg van uit Taourirt door de vlakte van Tavara. Op 18 K.M. afstand van bovengenoemden post vonden wij eenige waterputten en aldaar werd gekampeerd, om de waarheid te zeggen met een bang hart — want wat had er van ons moeten worden wanneer wij dien nacht overvallen waren door de Marokkanen, alleen in de vlakte met een zoo kleine troep. Doch gelukkig passeerde de nacht zonder er iets bijzonders werd waargenomen, en reeds ‘s morgens om 5 uur vertrokken wij van die plaats, die den naam Ericha draagt, naar een marabout die daar begraven ligt. Voor ons lag een open vlakte en gansch in de verte een bergketen waarin de stad Debdou moest liggen.
In den geheelen omtrek was geen menschelijk wezen te bespeuren, geen boom, geen doornenbosch, niets dan een kale dorre vlakte waarop het gras, dat in de wintermaanden, wanneer er veel regen valt, welig groeit. Nu was alles verdord, de zon brand als het ware op den dorren grond.
Reeds 18 K.M. was afgelegd; toen werd er een kleine halte gemaakt om iets te eten en tevens de paarden wat rust te geven. Ongelukkig moesten wij op ‘n gegeven oogenblik maken dat wij weg kwamen, daar door de onachtzaamheid van den kok eensklaps het dorre gras was gaan branden. Aan blusschen viel niet te denken, water hadden wij niet in overvloed om dit te verspillen, en hoe wij ook kapten en sloegen, het vuur verspreidde zich als de wind, zoodat wij ons nog moesten haasten om weg te komen. Het was des avonds zes uur toen wij de eerste bergen bereikten waar wij water aantroffen. Er stonden vele boomen, doch van een stad was niets te zien. Verder gaan was niet geraden, daar wij niet wisten in hoeverre de streek veilig was. Wij besloten dus te blijven waar wij waren, tenten werden niet opgeslagen, vuren mochten niet worden aangelegd, wij aten een stuk brood met een slok water en daarna legde ieder zich neder. Van slapen was geen sprake, ieder oogenblik konden wij overvallen worden, doch ook die nacht verstreek zonder dat wij iets hadden waargenomen.
Het werd dag en wij begaven ons weder op weg, met als doel een ingang tusschen twee bergketens, daar toch dachten wij de andere troepen te ontmoeten. De gansche vallei was begroeid met boomen, wat een mooi gezicht was voor ons die niet gewoon waren zoon boschrijke streek te zien in Marokko! Water vloeide in overvloed, zoodat wij niet eens noodig achtten onze veldflesschen te vullen. Om twaalf uur des middags kwamen er eenige ruiters in zicht, die tot onze vreugde bleken te behooren tot een der colonnes. Om twee uur waren onze troepen verzameld aan den ingang tusschen de bergen. Zoo spoedig mogelijk werden loopgraven aangelegd rond het geheele kamp, keukens gemaakt en op een der bergen een kleine post gezet, die den geheelen omtrek kon overzien. Na den middag werden door de goemi’s (inlandsche ruiters) verkenningen gemaakt tusschen de bergen. Tegen den avond keerden zij terug met de mededeeling dat zij op eenige honderden meters van de stad waren geweest, doch er viel niets bijzonders waar te nemen, alles was als uitgestorven. Verder verhaalden zij van vele kasbahs (vestingen) welke zij gezien hadden en dat alle terrein bebouwd was, hetzij als tuinen of als akkerland. Het is te begrijpen hoe nieuwsgierig wij waren en hoe wij verlangden om op te rukken naar ons doel, maar de generaal wilde wachten tot den volgenden morgen.
Twee der colonnes zouden achterblijven op die plaats en zo doende den ingang bewaken, terwijl wij weder met de genie de voorhoede zouden vormen om den weg vrij te maken voor de artillerie en verdere troepen.
‘s Morgens zes uur gingen wij op marsch, gewapend met schop en houweel; wij dachten wel een weg te vinden die naar de stad voerde, doch deze was niet meer dan een smal voetpad. Wij waren dus genoodzaakt een nieuwen weg te banen tussen de vele bomen en struiken. Doch het zware werk vermoeide ons niet, voortdurend zagen wij iets nieuws, dan weer was het een vijgeboom beladen met rijpe vruchten, dan weer een amandelboom, die reeds zijn vruchten had laten vallen en die vruchten zamelden wij in alle haast bijeen. Weldra kwamen wij in de akkers begroeid met rogge of haver, op enkele plaatsen reeds gesneden en op hoopjes gesteld, om te drogen. Ook werden eenigelieden gezien, die aan den arbeid waren, doch zodra zij ons bemerkten lieten zij hun werk in den steek en verdwenen in het houtgewas. Eensklaps aanschouwden wij een kasbah, die, zoo het scheen, verlaten was. De poort was gesloten en van bewoners geen spoor te zien, doch alvorens wij verder gingen wilden wij de achter ons zijnde afdeelingen waarschuwen, want men kan nooit weten of er niet eenige honderden geweerloopen door de vele schietgaten zouden kunnen komen te steken. De commandant werd gewaarschuwd en zond een afdeeling vreemdelingenlegioen voorwaarts. Zij beklom de muren, doch ook aan de binnenzijde was niets verdachts waar te nemen. Enige vrouwen waren bezig graan te malen, terwijl een troep kleine kinderen achter een muur angstig voor ons wegkropen. Men kon zien dat hier nog niet vele Europeanen waren gezien, de vrouwen waren volstrekt niet bang, lachten onder elkander, bezagen ons van het hoofd tot de voeten, en riepen de angstige kinderen geruststellende woorden toe. Van de mannen was geen spoor te zien, noch minder van wapenen, zodat wij weder de kasbah verlieten om onzen arbeid voort te zetten. De generaal wilde ons wat rust geven en wij vlijden ons in de schaduw der boomen en hielden rust tot twee uur des middags, waarna wij weder op weg gingen naar Debdou.
Hoe wij daar aankwamen vertel ik u de volgende maal. v. d. V.

A Debdou

Frans krantenbericht over de inname van Debdou van 7 mei 1911.

[ 07-05-1911 Le Républicain de Toulouse et du Midi ]
© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over