Op 4 april 1914 berichtte men in de “Deli courant” ,het dagblad voor Oost- en Noord- Sumatra, in het feuilleton “Brieven uit Duitschland” over het Franse Vreemdelingen en de daarin voorkomende “Cafard”.
Er werden in dit artikel ook verwijzingen gemaakt naar de in Duitsland “voortdurende en heftige agitatie tegen het in dienst treden bij het Franse Vreemdelingenlegioen”. Hierbij werd o.a. ook gerefereerd werd aan een incident dat bekent werd als het “Schandaal van Saverne”.
Dat in die tijd soms ook tegen het Nederlandsche Koloniale leger gelasterd werd, werd terzijde genoemd maar leverde uiteindelijk na wat verder onderzoek een interessant artikel op over de uit Duitsland afkomstige oud-militair van het Nederlandsche Koloniale leger Freiherr Hans von Barnekow waarin het in niet mis te verstane bewoordingen afraad dienst te nemen in dit leger. Zie hiervoor/
No 334. Berlijn, den 4 Maart ’14.
Het eigen leger en vreemde.
Mag men de Duitser, Erwin Rosen geloven, dan is het in Algiers regel, dat de soldaten van het Franse Vreemdenlegioen, hetzij vroeg hetzij laat, door een aanval van razernij worden bevangen. Wat ze in zo’n aanval, Cafard geheten, misdoen, wordt hun even zwaar aangerekend alsof ze onder normale omstandigheden hadden gezondigd.

Oorspronkelijke versie:
In der Fremdenlegion : Erinnerungen und Eindrücke. Stuttgart : Verlag Robert Lutz, 1909.
De Cafard brengt menigeen de dood door de kogel; want de Franse militaire autoriteiten vermenen in het vreemdenlegioen een ijzeren discipline te moeten handhaven.
Aangezien de Duitse Staten een groot contingent aan het Vreemdenlegioen leveren, sterft menig Duitser in ’t Noorden van Afrika een vroegtijdige, een voortijdige dood. Vandaar een voortdurende, een heftige agitatie tegen het in dienst treden bij het Franse Vreemdelingenlegioen. Men gelast de officieren zelfs, om de Duitse soldaten te waarschuwen tegen het in dienst treden bij deze Afrikaanse troepenmacht.
Op welke wijze enkele officieren menen zich van deze taak te moeten kwijten, daarvan gaf onlangs de luitenant von Förster een bewijs [ Zie verderop “Het Schandaal van Saverne” ].
Thans is ook het toneel te hulp geroepen om op de verschrikkingen die iemand in en aan de rand van de Sahara te wachten staan, te wijzen.
Het „Deutsche Künstlertheater” te Berlijn (dat uitstekende gezelschap, dat vroeger onder Brahm in het Lessingtheater speelde) bracht enkele dagen geleden een stuk „Cafard” getiteld, en geschreven door voormelde Erwin Rosen, die zelf in ’t vreemdelingenlegioen gediend heeft.

Dit is echter nog geen waarborg voor de betrouwbaarheid van zijn schetsen:
Want heeft Freiherr Hans von Barnekow, die in „der Weisse Paria” ons Koloniale leger op hoogst ongunstige, ten dele onjuiste wijze schildert, ook niet in het Indische leger gediend ?
Zulke schilderingen van een ooggetuige zijn maar al te dikwijls tendentieus.
Cafard is echter niet alleen een aanklacht tegen het Fransche koloniale legerbestuur, dat zulke toestanden duldt, doch nu en dan ook tegen het eigen leger, het Duitse.
De Duitschers, die in ’t vreemdenlegioen dienen vertellen ons hun levensgeschiedenis, althans de omstandigheden, die hun er toe gebracht hebben in vreemden krijgsdienst te treden.
Monsieur Willi — een der hoofdpersonen uit Cafard — was eertijds Duits officier, een verdienstelijk type, zoals er in onze koloniale krijgsgeschiedenis velen voorkomen.
Hij moest het Duitse leger verlaten, omdat z’n portemonnaie niet voldoende gespekt was om z’n „Standesausgaben” te bestrijden en geraakte dientengevolge in schulden. Wat hier in het Duitse leger uiterst veelvuldig voorkomt. Aan wie de schuld ?
Dan Cohn, meester in de rechten, kranig jurist. Hij werd als eenjarig vrijwilliger door een zijn meerderen, een vaandrig, zodanig gekoeioneerd, dat hij zich aan die meerdere vergreep en tot bezinning gekomen deserteerde.
Waarom werd hem het leven ondragelijk gemaakt ? Omdat mijnheer de vaandrig de joden niet kon luchten of zien en telken male als hij de naam Cohn hoorde z’n zelfbeheersching verloor.
Herinnert men zich de klachten, in de Duitse Rijksdag geuit, dan staat Cohn uit Cafard niet alleen.— ’t Is slechts een geval uit vele. Het leger en de Joden zijn nu eenmaal twee groepen, die hier vijandig tegenover elkaar staan. En dat vinden helaas al te veel Duitsers als vanzelfsprekend.
De schrijver van Cafard is althans zo tactvol geweest de Elzas — Lotharingsche kwestie buiten zijn toneelspel te laten.
Het Rijksland toch levert een zeer groot aantal soldaten (dikwijls deserteurs) aan het Franse vreemdelingenlegioen.
Onder de aangeworvene, die Erwin Rosen over de planken laat gaan, is een Berlijner, een Schwaab, een Beier, een Pruis, doch gelukkig geen enkele Elzasser noch Lotharingen.
Naast monsieur Willi en Cohn duikt de tamboer Hochtinger in onze herinnering op. Deze liet zich driemaal aanwerven. En waarom? Wel, in z’n vaderland teruggekeerd, werd hij overal verjaagd, omdat z’n papieren nog al wat te wensen overlieten. Analoog geval als destijds met den gewezen tuchthuisboef Wilhelm Voigt, de Hauptmann van Köpenick.
Ook hier dus een aanklacht tegen de Duitse autoriteiten, die het aan eenmaal veroordeelden dikwijls onmogelijk maken om weder een beter, een geregeld leven te beginnen.
Dr. George Alexandersen.

Het Schandaal van Saverne (Zabern)
Op 28 oktober 1913 begint het Schandaal van Saverne.
De negentienjarige blaag, Tweede Luitenant, Günter Freiherr von Forstner (1893-1915), spreekt in de kazerne van het garnizoen van Zabern, zijn rekruten toe van het 99e Infanterie Regiment, waaronder ook Franstalige dienstplichtigen zich bevinden:
“Wenn Sie angegriffen werden, dann machen Sie von Ihrer Waffe Gebrauch; wenn Sie dabei so einen Wackes niederstechen, dann bekommen Sie von mir noch zehn Mark.“
“Wackes“ is een Duits, beledigend scheldwoord voor een Franse Elzasser, dat zoveel betekent als dief en zwerver. Volgens de eerwaarde pater, voegt de Luitenant tijdens zijn rede eraan toe, dat hij tien Mark betaalt aan degene, die hem “een huid brengt van die dieven.” Zijn onderofficier zou erbij verklaard hebben: “En ik, ik doe er nog eens 3 Mark bovenop!”. Zo had de Luitenant ook al voor deze toespraak de gewoonte om zijn Franstalige dienstplichtigen zich te laten presenteren met de woorden: “Ik ben een “Wackes”.”
Een aantal van deze verontwaardigde, Franstalige soldaten, stappen naar de plaatselijke kranten en doen hun beklag over de provocaties van de Luitenant.
Op 6 november 1913 publiceren de kranten, de “Elsässer“, en de “Zaberner Anzeiger“, over wat er zich allemaal binnen de kazernemuren van Zabern afspeelt rondom von Forstner.
De berichten van de “Elsässer“ en de “Zaberner Anzeiger” neemt de Duitse pers al spoedig over. Zo valt ook te lezen, dat de Luitenant over de werving door Franse agenten voor het Vreemdelingenlegioen zou opgemerkt hebben:
“De deserteurs, die zich bij het Vreemdelingenlegioen hebben aangemeld, hebben geen andere eer dan te dienen onder de plooien van de Franse vlag.
Maar als je het mij vraagt, kunnen jullie schijten op die Franse vlag!”
Ein Drama aus der Fremdenlegion.
Aus Berlin wird uns geschrieben:
Erwin Rosen ist selbst Fremdenlegionär gewesen und hat ein vielbeachtetes Buch über die Legion geschrieben. Sein diesem Milien entnommenes vieraktiges Drama „Cafard“,. das im Deutschen Künstlertheater einen lauten, aber nicht ohne Widerspruch hingenommenen Erfolg hatte, erwies sich als ein geschickt, aber ohne viele Bedenken zurechtgezimmertes Tendenzstück. Der Cafard ist der Tropen-Wahnsinn, vor dem kaum ein Mann in der Fremdenlegion bewahrt bleibt, und der mit einer von Praktikern geradezu im voraus zu berechnenden Sicherheit die einzelnen Soldaten und ganze Abteilungen erfaßt. Dann stürmen sie wie Besessene in die Wüste hinaus, wo sie von den über alle Straßen klug verteilten Spahis fast mit tödlicher Sicherheit wieder eingefangen werden.
Wir sehen im ersten Alt, wie ein junger Bursche aus Schwaben von den bald krakehlenden, bald wieder gutmütig verträglichen Kameraden nach einem plötzlichen Tollwutausbruch schnell zur Ruhe gebracht wird, wie dann jählings die Raserei alle Zimmergefährten erfaßt und nur dadurch zum Stillstand kommt, daß die Mannschaft unvermuteter Weise alarmiert wird. „Gefecht“ ist das einzige sichere Heilmittel gegen den Cafard. So erleben wir noch mehrere Ausbrüche des bösen Feindes. Die beiden Korporale Cohn und der Exleutnant Willy, die unmittelbar
nachdem sie sich in den Kampf gegen die Araber ausgezeichnet haben, einen Fluchtversuch wagen, fallen ihm zum Opfer.
Sie werden zurückgebracht und erschossen.
Der sehr mühselig noch dranzeflichte vierte Akt ist ein sentimentaler Epilog, der nur durch
die wilde Wahnsinnstat der um ihren Willy trauernden französischen Marketenderin zu einem krassen Abschluß gebracht wird.
Sie stürzt sich auf den Kapitän, der die Deserteunre hatte füsilieren lassen und reißt seine Kameraden zu einer Meuterei hin, die in Blut erstickt wird. Diese wilde Handlung erhält durch viele gut beobachtete Einzelheiten und durch Züge, die den Stempel des Erlebten tragen, immerhin Reiz und Wert. Das Deutsche Künstlertheater hatte seine besten Kräfte: Else Lehmann, Emanuel Reicher, Hans Marr usw. aufgeboten, um dem innerlich sehr wirksamen und spannungsreichen Boulevardstück einen Sieg zu erkämpfen. Drer D
[ Lübeckische Anzeigen 1914 ]