Een Hollandsche jongen in Fransche krijgsdienst.

Bij het vreemdelingenlegioen ingedeeld.
Een avontuurlijke avond.
De eerste gevaren.
[ Rotterdamsch nieuwsblad 11-10-1915 ]
Hij was invalide teruggekeerd uit Frankrijk afgekeurd voor den dienst, de potige levendige jonge man die ons het urenlang verhaal van zijn oorlogsavonturen gedaan heeft, dat wij thans gaan over vertellen.
Zijn linkeroog was blind, het was door de giftige gassen der Duitschers onherstelbaar bedorven, maar als men met sprak bemerkte men dat slechts nauwelijks aan de strakke onbeweeglijkheid van den rechtop gehouden oogbal.
Zijn schouder droeg nog de pijn van de granaatkartetswond on als hij opstond dienden zijn benen hem bezwaarlijk, wijl beide voeten bevroren waren geweest en niet ganser geheeld.
Invalide dus, zonder enige aanspraak op pensioen, stond hij weer in zijn vaderland, maar hij bracht daar, ondanks vele teleurstelligen die grote liefde voor Frankrijk mede, welke hem tot vrijwillig dienstnemen gedreven had en de onverschrokte overtuiging dat Frankrijk winnen zal. Er is een reserve van meer dan een millioen nog ongebruikte goed geoefende soldaten: Joffre. die zijn tijd afwacht heeft de middelen om zijn tegentegenstander te verslaan! riep hij herhaaldelijk.
Doch laten we onzen jongeman zelf vertellen het den lezer overlatend zich iets te fantaseren van de opgewektheid de kracht en de bewustheid, waarmede dit relaas van zovele verschrikkelijke avonturen geboden werd. Met onverschrokte oud-Hollandsche zenuwen was dit alles verdragen en het verhaal klonk als een lustig reisverhaal!
Ik kwam in. de laatste week van Juli ’14 in Duinkerken, waar ik mijn nieuwe Fransche betrekking zou gaan aanvaarden. Er hing al iets van oorlogsmogelijkheid de lucht. Toen volgde de mobilisatie en de oorlogsverklaring.
Zonder veel nadenken, zuiver impulsief, ging ik me onmiddellijk als vrijwilliger aanmelden en ik vond toen nog vijf Hollandsche jongens, Amsterdammers, die gelijk met mij of al vroeger, in Duinkerken hetzelfde hadden gedaan. We werden graag aangenomen en den den dag na onze aangifte naar Rouaan gezonden, waar meer vreemde vrijwilligers bijeen waren, meestal Engelsche en Poolsche studenten van de Sorbonne, heel veel Russische Joden, die trouwens van hun gezant de opdracht hadden gekregen om hun dienstplicht niet naar Rusland te gaan doch in Frankrijk te gaan vechten, en zestig à zeventig Hollanders.
Ik werd ingedeeld bij de Hollandsch Belgische groep. De Hollanders waren meest jonge Amsterdammers, enkele Brabanders, enkele Hagenaars en zes à zeven Rotterdammers. In Rouaan bleven bleven we drie dagen, toen werden we doorgestuurd naar het oefenkamp in Toulouse, waar de groep Hollanders tot ruim tweehonderd aanwies.
Hier ondervonden wij, en de andere vreemde vrijwilligers, onze eerste en grote teleurstelling.
We hadden gehoopt, een eigen vrijwilligersregiment te vormen, maar wij werden gewoonweg ingedeeld bij het dienstverband van het Vreemdelingenlegioen dat zoals algemeen bekend is, de Fransche macht in Noord-Afrika vormt en uit het internationale uitvaagsel bestaat.
Het was uit Afrika overgebracht en door zijn kader werden wij gedrild, met zijn manschappen werden wij gelijk behandeld.
Ik zal u straks vertellen tot welke onaangenaamheden dit geleid heeft. Onder ons toch waren jongelui van zeer goeden huize, die hun studie, hun zaken of hun betrekking verlaten hadden om „la France” te dienen, o.a. enkele zeer rijke Engelschen.
Met de indeling bij het Vreemdelingen legioen was het met de gelukkige stemming waarin wij hier waren gekomen uit. We voelden ons vernederd, gedemoraliseerd. Eerst later, in het vijandelijk vuur ging die indruk wel teloor, in krijgsgevaar is iedere medesoldaat, hij zij dan priester of apache, uw gelijke. Alle ruwe hardheid is daar weg, wordt althans niet meer gevoeld.
Onze oefeningstijd in Toulousé duurde tien dagen.
Er waren twee regimenten vreemdelingen,
het 1ste onder bevel van kolonel Pain,
het tweede — het mijne — onder dat van kolonel Passard [ 2e régiment de marche du 2e étranger ]
Na tien dagen werden we naar het front gezonden. Het was toen begin October en onze bestemming was het kamp van Meillies bij Parijs [ camp de Mailly ].
De Duitschers waren toen nog 13 K.M. van de Fransche hoofdstad verwijderd, geweest en teruggeslagen.
Om onze plaats aan de gevechtslinie van daar te bereiken, hadden we 92 K.M. te marcheren bepakt met een ransel van 22 K.G. zwaarte, met, 120 scherpe patronen per man en ieder twee grote ronde broden om te eten als de fourage uitbleef. We passeerden een aantal door de Duitschers, op hun terugtocht leeggebrande dorpen ellendige bouwvallen, die ons de eersten indruk van de oorlogsverschrikking gaven.
Ons doel was Champagne, het dorp Versigny [ Waarschijnlijk Verzenay ] waar we ingekwartierd werden in een volkskeuken. Curieus, daar waren nog een aantal wijn ondernemingen, met Duitsche eigenaars volop aan den gang. De eigenaars waren weg, maar hun zaak liep vlot voort. In dit dorp gingen wij ten oorlog en hier had ik mijn eerste avontuur.
De eerste sectie van 70 man, meest Hollanders, werd al den avond van onze aan komst op patrouille gestuurd. De vijand lag daar op 6 K.M. afstand.
Drie van ons, twee Hollanders en een Belg, werden om halftien op de uiterste grens van het dorp op wacht gezet en onze opdracht was vooral uit te zien dat er geen licht werd gebrand in één der dorpshuizen. Want er woonden daar midden in de vuurlinie, toch nog vrij wat menschen.
Dit is overal zóó, waar moeten zulke stakkers ook heen!
Het was duister. Toen opeens ontdekte de Belg in één van de huizen een licht schijn door de gordijnen. Eerst ontgaven we ‘t ons, maar dan opeens zag ik het óók. Ik dadelijk naar het huis en klop. Geen antwoord. Nog eens klop ik, dan stootte ik met den kolf van mijn geweer de deur in en wij naar boven! , Boven óók niets, alle kamers leeg, tot ik weer voor een gesloten deur kwam. die niet werd opengedaan en die ik dus ook moest kapot stoten. En jawel, drie mannen en drie vrouwen in een kamer met een brandende lantaarn en de gordijnen met een spleet open: Ik gelast dadelijk de lantaarn te doven. Daar werd één van de kerels brutaal: “Ce nest pas votre affaire” riep ie onbeschoft en toen ik aanhield schold ie me voor „Sale Boche”.
Nou, toen namen wij onze geladen geweren en sommeerden tweemaal het licht te doven. Wat daarna ook gebeurde. Anders hadden we beslist geschoten, reken daarop. We namen die zes menschen nu maar en passant mee naar de wacht en ‘t bleken waarachtig spionnen, die met de Duitschers lichtseinen wisselden.
Een dag later hadden ze voorspoedig hét tijdelijke met het eeuwige verwisseld.
We bleven in Versigny acht dagen.

La Grande Guerre 1914-18
Dan moesten we weg. ons hele tweede regiment in negentig auto’s naar Reims en dan verder naar Curi.
[ Waarschijnlijk Cuiry-les-Chaudardes ] een dorp ook in de vuurlijn om een regiment landstorm af te lossen.
En al den avond van onze aankomst werden we aan het werk gesteld in de loopgraven van de eerste linie. We kropen daarheen in stikdonkere nacht, een afstand van 1/2 uur, waar we vier uur over deden langs allerlei zijpaadjes en door sloten diep in den modder.
We hadden het bevel meegekregen een Duitsche verschansing te nemen, dus in de loopgraaf bleven we slechts even. Toen vooruit, naar de Duitsche verschansing. En die hebben we genomen! Maar de kapitein, die ons aanvoerde, viel al bij het eerste schot en nog zestig man lieten het leven, waarbij dertien Hollanders.
Drie weken hebben we bij Curi gevochten, eigenlijk aldoor gevochten en we hebben nog vijf Duische verschansingen genomen, telkens met grote verliezen. Doch ook telkens verloren de boches méér dan wij, veel meer.
(Wordt vervolgd.)
Referentie. Dagboek Alan SEEGER
De uit de Verenigde Staten van Amerika afkomstige Alan SEEGER diende ook bij het Franse Vreemdelingenlegioen.
Hij schreef in brieven en zijn dagboek over zijn verblijf in Versigny het volgende:
Dagboek Verzenay, 23 oktober [1914]
De helft van het regiment werd gisteravond naar de loopgraven gestuurd, een bataljon van het eerste en een bataljon van het tweede. Onze mannen sliepen in Verzy in hun harnas, dat wil zeggen, met de patroongordel om, met randsel en pistool aan ons hoofd. Om vier uur stonden we op en verzamelden ons en marcheerden hierheen, een afstand van slechts een paar kilometer, waar we opnieuw werden ingekwartierd, in een stal aan het einde van de Rue Veuve Pommery. Onderweg passeerden we veel wagens en cavalerie. Er waren drie graven langs de kant van de weg op een plek waar we stopten, een paal boven elk graf en een bord met de tekst: Espion, traitre à son pays.
In een brief aan zijn moeder. 23 oktober [1914]
Het zal je zeker interesseren om een brief van het front te krijgen, hoewel ik maar tijd heb om een woord te schrijven. Ik kan u de naam van het dorp waar wij gekantonneerd zijn niet noemen, dat zou niet gepast zijn. We zijn ongeveer 17 kilometer ten zuidoosten van Reims.
Ik zit op de stoep van een straat aan de rand van de stad. De huizen eindigen abrupt en de gele wijngaarden beginnen hier. Het uitzicht is weids en ononderbroken tot aan de top, ongeveer tien kilometer over de vallei. Tussen deze en ons bevinden zich de linies van de twee legers. Er zijn voortdurend een hevige beschietingen aan de gang en ik heef bij elke inslag mijn ogen op van het papier om de rookwolken op twee of drie mijl afstand te zien.
De Duitsers hebben salvo’s van vier schoten afgevuurd boven een klein dorp waar de Franse batterijen zijn gelegerd, granaatscherven die in kleine wolkjes witte rook uiteenspatten; de Fransen antwoorden met explosieve granaten die kolommen emet stof over de Duitse linies doen opwaaien. De helft van ons regiment is al naar de loopgraven vertrokken. Wij gaan mogelijk vanavond.
We hebben in vier dagen een mars van ongeveer 7,5 kilometer afgelegd en staan nu aan het front, klaar om elk moment opgeroepen te worden. Ik voel me prima, in mijn element, want ik heb altijd het verlangen gevoeld naar dit soort dingen, om altijd aanwezig te zijn waar de pulsaties het levendigst zijn. Elke minuut hier, is weken van gewone ervaring waard. Hoe mooi is het uitzicht hier, over de zonnige wijngaarden! En wat een merkwaardige anomalie. Op deze helling staan de druivenplukkers vrolijk te zingen op hun werk, op de andere staan de batterijen te brullen. Hausse! Hausse!
Dit zal je bederven voor elk ander soort leven. Het gele middagzonlicht glooit glorieus over deze prachtige vallei van de Champagne. Ik moet dit nu op de post doen..
Er is te veel te zeggen en te weinig tijd om het te zeggen. . . .
[ LETTERS AND DIARY
OF
ALAN SEEGER ]