
V.
Naar den Doolhof.
Wraakzucht tenen de Duitschers.
Zes-en-dertig uur plat op den grond.
Vrijwilligers voor.
Hospitaal
Nadat ik veertien dagen met mijn bevroren voeten in het hospitaal gelegen had, vond de dokter dat ik weer geschikt was om naar het front te worden gestuurd. Ik protesteerde, voelde me nog volstrekt niet geschikt.
De chef van het hospitaal kwam in consult en besliste dat ik ofschoon nog niet genezen, zo nodig naar het front kon gaan. Doch omdat ik buitenlander was en vrijwilliger stelde hij mij een maand verlof voor. Aan die maand had ik natuurlijk weer niets, omdat ik geen familie of kennissen had waarheen ik gaan kon. En uit medelijden ben ik toen nog acht dagen in het hospitaal gehouden.
Depot Orleans, Souchez begin Februari
Dan werd ik gezonden naar het depot te Orleans en vandaar, met het eerste transport, naar Souchez.
Het was in het begin van Februari.
Het vermaarde “Doolhof”
Zes weken heb ik daar, in het vermaarde “Doolhof” [ Labyrinthe ] meegevochten, zes weken elken dag, dien God gaf, aanvallen gedaan en aangevallen.
Bij de opgewektheid waarmee we dat allen deden, blijft een hinderlijke herinnering, dat een Amsterdammer, Maaswijk [Mastwijk], met een Belg samen wilde de deserteren.
De Belg kwam veilig weg, maar Maaswijk werd door een schildwacht in het been geschoten en later verstopt in een obuskuil gevonden.
Hij is toen zonder omslag gefusilleerd.
[Zijn executie vond plaats op 04-04-1915]

Neuville-St Vaast
Alle dagen vechten dus van het gloren van den ochtend tot het duister viel.
Daar was het, dat ons legioen op één gelukkigen dag 33 Duitsche kanonnen buit maakte.
Daar was het, dat generaal Von Kluck tachtig duizend man aan doden verloor. Wij hadden geen volk genoeg om al die lijken te begraven, dag en nacht, bijna een week, is aan die vreselijke taak heengegaan.’ Wij hadden heel weinig doden.
Daar was het, dat de kroonprins voor de tweede maal probeerde naar Parijs door te breken.
Daar was het dat de kroonprins bij legerorde het IJzeren Kruis beloofde aan elken soldaat die een kerel van het vermaledijde Vreemdenlegioen levend in handen kreeg.
Daar was het dat de Duitsche vliegmachines over ons kamp biljetten uitwierpen met het opschrift: „In drie dagen zijn we in Parijs” en met een homerischen lach, die door het schroefgeweld moet zijn heengedrongen, werden uitgejouwd.
Daar was het dat het generale kwartier van den kroonprins met onze 120 mm kanonnen werd gebombardeerd en twee generaals en vele stafofficieren sneuvelden terwijl de auto van den prins werd stukgeschoten.
Ik zou kunnen voortgaan met mijn herinneringen.
Wij wonnen aldoor terrein en drongen voorwaarts. De gruweldaden die we hier van den vijand zagen, dreven onze verontwaardiging en onzen toorn tot wraakzucht op.
In een dorp dat we vermeesterden vonden we op een bord geschreven, ondertekend door den kapitein Von Böhmer, dat we op een aangewezen plaats het lichaam van den pastoor zouden vinden, gedood wegens spionnage. Wij vonden het inderdaad, een arm en een been waren afgehakt.
Hier, in ditzelfde dorp, bleek de bron vergiftigd en wij verloren, aleer de fontein kon worden afgesloten, zeven Italianen van ons korps door een schrikkelijk pijnlijken dood.
Een volgend dorp dat in onze handen viel bracht ons de trieste schrik om een aantal lijken van vrouwen en kinderen.
De kapitien Wetterstrom, een Deen, die op 16 Mei helaas geneuveld is deed ze met plechtigheid begraven.
Ik hoor nog een Elzasser uit onze afdeling in zijn’plat Duitsch uitroepen: „Zowaar ik een Elzasser ben, ik zal niet rusten eer het bloed van deze vrouwen en kinderen gewroken is”. Dat klinkt thans pathetisch, maar ik verzeker u, ieder onzer deed in zijn hart dien eed na. En we waren in de gelegenheid onzen toorn te uiten.
Want aldoor trokken wij voorwaarts en aldoor wonnen wij. Ons legioen was steeds aan het hoofd en met respect noem ik de Grieken, die, geholpen door Garibaldianen, versche Pruisische gardetroepen een geweldigen nederlaag toebrachten.
Op een ochtend kregen wij bevel een dorpje te bezetten dat tegen den berg aan, gedeeltelijk op het platform ervan, lag. Het is misschien het meest gevaarlijke punt geweest, waarin we ons ooit verdekt hadden op, e stellen, aldoor suisden de kogels over onze loopgraven heen. De Duitschers schoten verwoed en des avonds om zes uur beproefden ze een aanval.
Het was begin Maart en nog licht. Dapper kropen tweehonderd man vooruit, vrijwilligers denk ik om onze prikkeldraadversperringen door te snijden. Doch op korten afstand namen wij ze onder vuur en niet één kwam in zijn kamp terug.
Intusschen waren onze 75 c.M. kanonnen begonnen de aanvallers onder vuur te nemen. Helaas vielen, in den aanvang, vele projectielen binnen de eigen Fransche verschansingen. De Zouaven kregen opdracht na de artillerie voorbereiding een omtrekkende beweging uit te voeren. Zij werden teruggeslagen. Met de Marokkanen ging het juist zoo en toen met de Algiersche jagers ook. Dan gaf generaal Brulard èns bevel hetzelfde te doen en wij slaagden, na zeven uur vechtens.
Toen we in de Duitsche versterkingen doordrongen, bleek hoe afschuwelijk onze kanonnen daar hadden huisgehouden. Wij legden ons in loopgraven, die tot op 60 meter van de nieuwe Duitsche versterkingen doordrongen, maar het waren zeer ondiepe dekkingen, feitelijk onvoldoende en snel opgeworpen onder het Duitsche vuur. Aldoor donderde de Fransche kanonnade en de granaten huilden zonder pooze over ons weg.
Zes-en-dertig uur hebben we gelegen, plat op den grond, zonder eten of drinken. Het was niet mogelijk ons reservebrood uit den tasch te halen, want wie zich oprichtte kreeg onvermijdelijk een Duitschen kogel in de romp.
Schieten mochten we niet, aldoor stil liggen tot ons vuren gecommandeerd werd. En dat zes-en-dertig uren aaneen, het was voor zwakke zenuwen haast onhoudbaar. Doch toen het donker ingevallen was» den tweeden dag, kwam het bevel om vooruit, te gaan, voorzichtig op handen en voeten kruipend naar de Duitsche hoofdverschansing, waar, zoals later bleek, een zeshonderd Hannoverianen, Brandenburgers, Pommerianen en Hamburgers met machinegeweren lagen. We kropen voorwaarts, behoedzaam, het geweer met den riem tusschen de tanden vastgeklemd. Men dorst zelfs niet luide adem te halen, elk krakend takje kon ons den dood brengen.
Toch, vreemd, het waren niet de Duitschers vóór ons die in de eerste plaats mijn onrust wekten, het waren de kameraden bezijden, die met de geladen geweren bengelend aan den riem tusschen hun tanden voortkropen. Straks stoot hij zijn geweer aan den grond, het gaat af en de lading is voor mij moest ik aldoor denken.
Intussen zóó erg liep het niet.
Het liep nog veel erger.
De Duitschers hadden ons blijkbaar op gemerkt en zich stilgehouden, want plots begonnen hun machinegeweren te spelen en de rondspattende kogels hielden vreeselijk onder ons huis. Wij moesten wèl terug, kruipen achter uit dicht bij dien grond om den kogelregen over ons heen te laten gaan. Het hele stuk dat we genomen hadden na vier diagen bloedig vechtens verloren we in een half uur! Zeven kilometers moesten we voor het felle Duitsche vuur achteruit. Heit was om de lippen stuk te bijten van droefheid en ergernis.
Maar dat mocht niet zo, dat wilden we niet. Er werd ‘s avonds gemopperd en geklaagd.
Toen werd gevraagd wie dan proberen wilden het verlorene te herwinnen en dadelijk meldden zich 300 vrijwilligers aan, onder wie alle Hollandera.
Niet enige uitgezonderd.
Zelfs een Hollandse officier van administratie, Van ‘t Hart, vroeg voor deze gelegenheid mee te mogen gaan als actief officier.
(Wordt vervolgd).