1915 Een Hollandsche jongen in Franschen krijgsdienst deel 6 (Slot)


Belgische medaillegroep van de ‘Tilburgse held’ (reconstructie).

Een Hollandsche jongen in Franschen krijgsdienst.
VI. (Slot.)
Van Rooy verdient het Legioen van Eer.
Door stikgassen blindgeslagen.
Invalide naar Holland terug.


We gingen dus met 300 vrijwilligers op uit om te trachten het verloren terrein te herwinnen. Een stevige kanonnade van het 3e regiment der koloniale troepen in de flanken dekte onzen opmarsch. En we wisten gelukkig door te dringen tot de plek waar wij den vorigen dag waren teruggeslagen.
Daar kwam het commando „liggen!”
De Duitschers bleken op niets verdacht. We lagen dan te wachten op verdere bevelen toen opeens Van Rooy, die gladdekker uit Tilburg bij den luitenant Van ‘t Hart kwam.
Luit, zei die in zijn plomp dialect, as jai main, nou je revolver geef zal ik is kaike wa’k doen kan. Eerst is een keesie neme, En hij stopte zijn mond propvol tabak.
Jonge, sprak luitenant Van ‘t Hart, je waagt te veel.
Kan main dat verschele, je kan maar één keer sterve!
Ja maar, ik ben niet verantwoord, als ik je alleen laat uitgaan.
– Och bè je gek! riep Van Rooy, in Tilburg vechte we óók wel is met de peilsie
‘k Ben niet bang.
Nou vooruit dan maar, besliste de luitenant.
Dus trok Van Rooy er op uit, met geen wapen dan den revolver van den luitenant.
– Luit zie die nog, vóór hij wegging, nou gaan ik deze richting uit en as je me in drie kwartier niet terugziet, dan mot je maar niet ongerust zijn, want… dan kom ik een half uur later!
Pas was van Roov weg of de luitenant kreeg spijt, was toch niet goed geweest den armen jongen alleen te laten trekken.
Daarom stuurde hij hem vier man achterna. Maar Van Rooy die dat in de gaten kreeg kwam dadelijk terug.
– Nee luit, riep ie.. Ik moet alleen gaan anders gaan ik niet.
Als je dan perse wil Van Rooy antwoordde luitenant ga dan, maar ik zeg je nog eens in tegenwoordigheid van onze landgenoten je bent alleen verantwoordelijk. Bestig luit, zei Van Rooy en vertrok.
Twee uur verliepen en we dachten niets anders of v. Rooy was minstens bij de Duitschers krijgsgevangen, toen ie opeens weer scheen…. met een grote Duitsche trombone die ie van een voorpost gesneesd had onder den arm!
– ‘k heb heel wat gezien, luit. rapporteerde Van Rooy, d’r staan tien automobielen met levensmiddelen op den weg en die moffen hebben niks geen erg in ons, ze zingen almaar de Wacht am Rein en de officieren slaan de maat. Luitenant Van ‘t Hart stuurde v. Rooy dadelijk naar achteren, met den korporaal Van Vliet een Haarlemmer, als tolk om den kolonel te rapporteren. Van Rooy is om dit feit met het legioen van eer gedecoreerd en hij werd voorgedragen voor de sergeantsstrepen.
Maar de strepen wou hij niet. Wat heb ik er aan, ik ken toch geen Fransch.
Geef mij het traktement van sergeant maar.
Drie uur na Van Rooy’s vertrek kwam het bevel de van den kolonel om met dertien man de lijn te verkennen. Ik was erbij. We slopen naar de Duitsche posten tot op 15 meter van de schildwachten. We hoorden hen spreken. Ik zou nou ook liever in Keulen zitten hoorde ik er een zeggen.
We slaagden er in om dezen post heen te komen en drie kerels te overrompelen. Die waren ons. Omdat ik goed Duits spreek spreek werd ik hier tolk.
Eén van de gevangene Duitsers vertelde dat hij meesterknecht was in een zijdefabriek in Elberfeld 44 jaar oud een vader van zeven kinderen.
Weet je welke legerafdeling je gevangengenomen heeft? vroeg ik.
Door het Vreemdelingenlegioen! Daar viel me de arme lobbes bibberend op z’n knieën.
Wie in het Vreemdelingenlegioen gevangen werd, dien werd geen kwartier gegeven, was hem gezegd, dus hij dacht zijn laatste uur geslagen. Hij en zijn twee vrienden leven natuurlijk nog. In één of ander gevangenkamp. We waren nog maar net terug bij onze troep of daar kwam het bevel: opmarcheren en het koste wat het wil die automobielen vermeesteren. Dat gelukte ons, na drie uren zwaar vechten, we brachten tien auto’s vol etenswaren van het Duitsche kamp in het onze. Die arme boches hadden in geen drie dagen eten gehad en wij hadden nu volop! Om een nieuwen terugslag te voorkomen, hadden wij een sterke verschansing opgeworpen, waarachter we ons, vier dagen lang, tegen de onophoudelijke aan vallen der Duitschers vasthielden. Het was begin April en het einde van mijn vechttijd. Moet u horen. Op een middag kwam een Duitsche deserteur op handen en voeten aangekropen om ons te waarschuwen: er zou een aanval met gifgas worden ondernomen. Wij hadden die afschuwelijke aanvals manier nog niet ondervonden, maskers hadden we niet.
Dien avond, het woei zwaar, kwamen de grijze golven op ons toe.

Gasaanval

Hoe de vreselijkheid van zo’n overval te schetsen? Men voelt zich als was men in een kleine kamer dik vol kolengas uit de verstopte kachel. Het slaat in de keel, op de ogen, men voelt het kil in de maag, men snakt naar adem en lijdt tegelijk duldeloze pijn.
Veertig van ons moesten naar achter gesleept worden, naar de ambulance, waar zusters ons melk en braakmiddelen toedienden. Doch voor de meesten was geen herstel meer mogelijk, die stikten, vergiftigd.
Mij heeft het gas mijn linkeroog vernield, het is blind.

LUCHON
Salle des fêtes du casino transformée en salle d’ hôpital 1915

Luchon

Aldus invalide ben ik naar het depot te Orleans gestuurd. De doktor schreef mij zoutbaden in Luchon voor en vier maanden ben ik daar verpleegd, elken dag drie of vier baden nemende. Toen vond de dokter, dat ik wel weer naar het front kon, doch ik protesteerde en een consult op mijn verdoek door een professor in Toulouse gehouden, bepaalde dat ik mijn linkeroog verloren had. Niettemin bleef de commissie volhouden dat ik weer kon gaan vechten ik had mijn rechteroog toch nog om bij het geweer te gebruiken. Ik verzette mij en de dokter noemde mij een simulant.
– Breng me dan voor den krijgsraad, vroeg ik.
– Welneen, was het antwoord, wij zijn geen boches, wij schieten de menschen niet dood.
Enfin, ik kreeg nog twee maanden verblijf in Luchin. Met dankbaarheid gedenk ik de vriendelijke oude dame, die mij in haar villa opnam en zó zorgde, dat ik het geelste onderkomen en adres had. Zij vond het zo „joli” dat een Hollander in Franschen dienst vocht, dat zij mij uit erkentelijkheid huisvesting schonk. Toen ik vertrok, gaf zij mij dit horloge als souvenir.

01-09-1915

Op den 1sten September kwam ik in het depot te Orleans terug. Dat was in middels verplaatst: ik moest verder, naar Lyon. Ook daar zei de dokter: je hebt, je rechteroog nog, dus „bon pour service”. Maar ik kón niet meer dienen. En ik wilde ook niet meer. Ik voelde mij zo ellendig down toentertijd, dat ik naar mijn land terug moest.
Een collega uit het depot “De Wijs” een wijnhandelaar uit Parijs, die voortreffelijk Fransch schreef, maakte voor mij een memorie op aan den minister van oorlog. En die memorie liet ik den dokter lezen. Hij keek me aan, dacht even na en zei dan. — Onnodig dat stuk op te zenden. Dààr.
Op mijn stuk tekende hij aan: buiten dienst gesteld.

14-09-1915

Den 14den September werd ik eindelijk formeel afgekeurd.
De rest is onbelangrijk. Niet zo eenvoudig was de reis naar Holland, maar dank zij de „Dames de France” te Dieppe die mij in het pak stoken en de hulp van de Hollandsche consuls kwam ik er toch. En nu ben ik hier, voor mijn leven gedeeltelijk geschonden, zonder enige aanspraak op schadeloosstelling of pensioen, met een vast ingevreten herinnering aan ontzettende gebeurtenissen, maar vol vertrouwen in de zaak der rechtvaardigheid, vol liefde voor Frankrijk, de eeuwige.
Vive la France.

© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over