Dit verhaal over het Franse Vreemdenlingenlegioen verscheen in 1917 in De Katholieke Illustratie.
Ik vroeg me af waarom, het leek niet direct te passen. Daarom keek ik naar de maatschappelijke, culturele en ideologische context van het tijdschrift en de tijd waarin het werd gepubliceerd.
Uiteindelijk kon ik concluderen dat het prima binnen de doelstellingen van dit tijdschrift paste.
1. Educatieve en morele functie van het blad
De Katholieke Illustratie was een katholiek familieblad dat vanaf 1867 verscheen en zich richtte op ontspanning, opvoeding en morele vorming van katholieke gezinnen. Verhalen zoals dit over het harde leven in het Franse Vreemdelingenlegioen dienden als waarschuwing tegen moreel verval, militarisme en het leven buiten de katholieke gemeenschap. Het legioen werd vaak gezien als een toevluchtsoord voor “het uitvaagsel der mensheid”, en het verhaal benadrukt de ontmenselijking en ellende die daaruit voortvloeien.
2. Orientalisme en exotisme
In de vroege 20e eeuw was er in Europa een grote belangstelling voor koloniale gebieden en het leven van Europeanen in verre oorden. De setting in Sidi-bel-Abbès (Algerije) en de beschrijving van het dagelijks leven in het legioen boden lezers een exotisch inkijkje in een wereld die ver van hun eigen leefomgeving lag. Dit paste goed bij de rubrieken over cultuur en wereldnieuws die het blad ook bevatte.
3. Katholieke kritiek op secularisme en militarisme
Het verhaal bevat subtiele kritiek op de ontzieling van het militaire systeem, waarin mensen werden gereduceerd tot nummers, ziekten schijnbaar werden genegeerd en discipline werd afgedwongen met minachting en geweld. Voor een katholiek publiek kon dit gelezen worden als een pleidooi voor menselijkheid, compassie en geestelijke zorg, waarden die het blad wilde uitdragen.
4. Tijdgeest van 1917: Eerste Wereldoorlog
Hoewel Nederland neutraal bleef in de Eerste Wereldoorlog, was de oorlog alomtegenwoordig in het publieke bewustzijn. Verhalen over militaire discipline, fysieke uitputting en morele strijd raakten aan de bredere thematiek van oorlog en vrede. Dit verhaal kon dienen als reflectie op de gevolgen van militarisering en als indirecte waarschuwing tegen deelname aan buitenlandse conflicten.
5. Literaire en journalistieke kwaliteit
De Katholieke Illustratie stond bekend om zijn literaire bijdragen en journalistieke reportages. Het verhaal is levendig geschreven, met oog voor detail en dramatische opbouw, wat het aantrekkelijk maakte voor een breed lezerspubliek dat op zoek was naar meer dan alleen religieuze inhoud.
A. Diepere blik op het vreemdelingenlegioen als moreel contrast
De tekst toont het vreemdelingenlegioen als een plek van ontmenselijking, hypocrisie en fysieke uitputting. Soldaten veinzen ziekte om aan de dienst te ontsnappen, worden vernederd door een cynische arts, en leven in een sfeer van verveling, angst en heimelijk verlangen naar alcohol. Dit sluit aan bij katholieke thema’s van zonde, boetedoening en de noodzaak van geestelijke verheffing. Het verhaal functioneert als een morele spiegel: het toont wat er gebeurt als men zich buiten de katholieke gemeenschap begeeft.
B. Psychologische en sociale observatie als literaire kracht
De tekst is rijk aan psychologische observaties: de angstige blikken, het toneelspel van ziekte, de minachting van de arts. Dit soort beschrijvingen past bij het realisme dat in katholieke literatuur werd gewaardeerd — niet als doel op zich, maar als middel om de menselijke ziel bloot te leggen. Het verhaal laat zien hoe mensen zich aanpassen aan een systeem dat hen onderdrukt, en hoe ze hun waardigheid proberen te behouden in een context die die waardigheid ontkent.
C. Kritiek op autoriteit en bureaucratie
De arts, de “père non-malade”, is een karikatuur van autoritaire medische bureaucratie: hij gelooft niemand, straft iedereen, en gebruikt zijn macht om angst te zaaien. Voor katholieke lezers in 1917 kon dit gelezen worden als een waarschuwing tegen een wereld waarin medemenselijkheid en barmhartigheid zijn vervangen door cynisme en controle. Het verhaal roept impliciet op tot een samenleving waarin zorg en geloof hand in hand gaan.
D. Verlangen naar verlossing en menselijkheid
Tegenover de harde realiteit van het legioen staat het verlangen van de soldaten naar iets zachts: een slok anisette, een moment rust, een ontsnapping aan de discipline. Dit verlangen kan gelezen worden als een hunkering naar genade — een centraal katholiek motief. De tekst suggereert dat zelfs in de diepste ellende de menselijke ziel blijft zoeken naar troost en betekenis.
Conclusie
Het verhaal is dus niet zomaar een exotisch verslag, maar een reflectie op menselijkheid, macht, en moreel verval. Voor De Katholieke Illustratie in 1917 was dit een passend verhaal: het waarschuwde, onderwees en raakte aan de kern van katholieke waarden in een tijd van wereldwijde ontwrichting.
Ipecac
In het verhaal wordt een paar keer het middel Ipecca genoemd. Zeer waarschijnlijk gaat het hier om Ipecacsiroop (vaker afgekort tot Ipecac) een natuurlijke siroop gemaakt van gedroogde wortelstok en wortels van de ipecacuanha plant. Het was en is een bekend middel voor het natuurlijk opwekken van braken, vroeger vaak gebruikt bij, verdacht op, vergiftigingen.

PÈRE NON-MALADE
(Schets van het Vreemdenlegioen)
De reveille had het kazerneplein van Sidi-bel Abbès in een wiemelend mierennest veranderd. Uit alle deuren kwamen de legioensoldaten opzetten en formeerden onder geschreeuw en geduw sectie’s, wier wit met een horizontale streep blauw in het midden doortrokken was: de blauw-wollen band, welken de soldaat jaar in, jaar uit over zijn wapenrok draagt. Commando’s weerklonken, nog een laatste gemompel, een heftig dringen, dan een kletterend stampen van geweerkolven op den grond hier en daar kringelde nog een dun blauw rookwolkje de lucht in, het laatste trekje aan een sigaret. Dan vlogen de geweren met een ruk op den schouder, de rijen verdubbelden zich en sectie na sectie marcheerde af, de trompetter aan de spits. Bijna opeens is het weder rustig geworden op het binnenplein, waar alleen de strafkolonne met slependen, zwaren tred op en neer trekt.
Hier en daar drentelt een soldaat, die geen dienst heeft, uit een deur, schiet een andere binnen of sluipt, angstig rondkijkend, langs den muur naar de cantine, welke op den achtergrond in den zuidwestelijken hoek van het ommuurde kwartier ligt. Geeuwend luieren een paar man van de wacht om het wachthuis, zetten zich, na door de geopende poort een blik op straat geworpen te hebben, in de schaduw van een boom, en rollen zich een sigaret. Een doodelijke verveling ligt over de grijze binnenplaats, een eentonigheid van stoffig groen onder den koperen hemel. Het is drie minuten voor achten. Uit het wachthuis verschijnt de trompetter, grijpt z’n instrument van den muur en laat een signaal hooren, dat vroolijk over de binnenplaats klinkt en tegen de gebouwen weerkaatst. Het duurt niet lang of er treden uit de verschillende kazernen witte gestalten, langzaam en voorzichtig. Zij stellen zich achter elkaar op en volgen een korporaal.
Maar nauwelijks zijn zij een paar passen ver gegaan, of de rij wordt verbroken, nakomers strompelen achteraan en blijven steeds verder achter, hoe langzaam de anderen ook loopen. Geen kracht schijnen de kerels te bezitten, zij sleepen zich voort als afgeleefde grijsaards. Het zijn de zieken van den dag, die door de korporaals van de compagnieën naar den arts worden gebracht. Hoe dichter de mannen de infirmerie naderen, hoe meer hun knieën knikken, hoe meer hun gezichten een eigenaardigen lijdenden trek aannemen, half verlegen, half angstig, gedwongen ; op het eerste gezicht ziet men het hun aan dat zij zich inspannen om er afgemat en ziek uit te zien. Menigeen gelukt dat voortreffelijk, zij schijnen de ellende zelf; anderen trekken een gezicht dat meer tot lachen dan tot medelijden dwingt. De troep heeft het hospitaal bereikt.
Ingang en tuin zijn vol patiënten, die zich als ruiende kippen in hoeken dringen. Vlak in de nabijheid staat de cantine vanwaar de zoete anisette-geur den zieken in den neus waait; verlangend loeren ze naar den cantinejongen, die nu en dan aan het venster verschijnt, de politiemuts trotsch in den nek geschoven, het stompje sigaret achteloos tusschen de lippen en een grinnikend lachje over het wijnroode gezicht. „Des campagnes en Afrique …” klinkt een stem van daar binnen, van achter een glas verkwikkend vocht. Die buiten staan, snuffelen tevergeefs om de cantine heen; nu heet het: „makasch goutte .. . geen snaps!”
De arts is nog niet aanwezig. De médecin-majoor, die gewoonlijk het ziekenbezoek ontvangt, komt nooit te vroeg en laat zijn patiënten meestal wachten. De kerels krijgen hem anders steeds vroeg genoeg te zien, den „père non-malade,” zooals zij hem gedoopt hebben, omdat hij in de soldaten slechts huichelaars en veinzaards ziet, en hen meestal als non-malade (niet ziek) op een lijst laat schrijven, wat een straf meebrengt, die iederen non-malade haast werkelijk ziek maakt.
Daar verschijnt de strenge, de machtige. Een jonge man nog van een korte, ineengedrongen gestalte. In het donkere door een zwarten puntbaard omrande gezicht, dikkeren een paar koude harde oogen. Op z’n hoofd zit een gekreukte kepi met de drie kapiteinsgalons, de wapenrok zit onberispelijk, de knoopen glimmen, en in de linkerhand houdt hij een rijzweep. Met een trek van verachting om de dunne lippen treedt hij voorbij de soldaten, werpt hun een minachtenden hoonenden blik toe; nog meer zakken de schouders naar omlaag, knikken de knieën, en verkrimpen ze als tot een armzalig niets, de trotsche dappere legioen-soldaten. „Vandaag komen er vele nonmalades en ipecca,” mompelt er een, die het klappen van de zweep kent. Het bezoek neemt een aanvang. De arts heeft binnen aan een tafel plaats genomen en monstert het ziekenrapport. Op een tafel daarnaast heeft een hospitaalsoldaat een paar flesschen en wat verbandmiddelen neergezet, en een ander zit bij den dokter aan tafel, doopt zijn pen in den inkt en wacht om het oordeel van zijn overste op te teekenen.
Dan roept de dokter een naam, scherp en schel. „Present,” klinkt het uit het voorvertrek, en een bleeke jongeman stapt tot voor de tafel. „Zoo, wat scheelt jou,” vorscht de majoor. „Ach, mijnheer de majoor,” stamelt de aangesprokene, „ik heb koorts hoofdpijn !”
„Tong uit!” Een gele, dik beslagen tong komt te voorschijn. „Je hand!” De man steekt zijn hand uit een hand die er niet voor bestemd scheen om in het vreemdenlegioen, het uitvaagsel der menschheid, werk te verrichten.
De arts voelt een oogenblik den pols, kijkt den soldaat, die er werkelijk ziek en lijdend uitziet doordringend aan. Dan valt het vonnis : „Ipecca…. voor heden vrij van dienst.”
De infirmerie-soldaat ontfermt zich over den patiënt om hem den duivelsdrank tóe te dienen, welke den man de maag om zal keeren. Ondertusschen treedt tnummer twee naar voren, een lange vent met een rood gezicht en blinkende oogen. Een reuk van snaps, nauwlijks merkbaar, komt uit zijn mond, maar de arts bemerkt het. Als de man met zijn litanie beginnen wil, overdondert hem de majoor: „Scheer je weg, zuiplap! Niet ziek! Krijgt acht dagen!” De jonge borst is verslagen door de onvriendelijke ontvangst, hij had nog wel zoo’n mooie lijdensgeschiedenis en nu … niets kon hij ermee doen; brommen mag hij. Maar zoo gauw geeft hij het spel niet verloren, hij wil nogeens beginnen. „Verstaan,” buldert de arts. „Maar wacht, hospitaal-soldaat, geef hem een flinke dosis ipecca! Maar ’t kot in vliegt hij toch, de dronkaard.” Het lange ellende-gezicht krijgt een uitdrukking van de diepste teleurstelling. .. opgesloten worden en bovendien nog ipecca! Hij mompelt een vloek en wil heengaan, maar de infirmerie-soldaat grijpt hem al bij z’n baatje en trekt hem grinnikend op zij: „Kom toch, je krijgt ’nen snaps!” Een ander komt voor de tafel, weer een en steeds weer een met heel korte tusschenpoozen. Père non-malade werkt prompt, niemand komt er toe zijn lijdenshistorie te vertellen, en hoe zieker hij eruit’ ziet, des te sneller is het afgedaan. De infirmier-secretaris kan nauwelijks even opkijken of het heet alweer: „Nonmalade … punition (straf) !”
Een enkelen keer wordt een dosis ipecca bevolen en klinkt het: „vrij van dienst… heden … of twee dagen,” wanneer het een ernstig geval is. Een of twee die aan een verzwering of gezwel lijden, worden aan het mes van den chef-infirmier overgeleverd. Een die hooge koorts heeft wordt in de infirmerie ingekwartierd. De non-malades trokken een ellenlang gezicht, toen zij de kamer verlieten. Zij betaalden den vrijen voormiddag met twee of meerdere nachten in de politie-kamer, en wat dat beduidt weten ze maar al te goed. Zij die met ipecca bedeeld werden, lachten zuurzoet. Voor een of twee dagen zijn zij vrij van dienst; daar zij zich met reden ziek gemeld hebben, komen zij er zonder straf af. Alleen het ipecca is een afschuwelijk tuig, dat iemand lijf en ziel omkeert. Zij zullen geen prettigen voormiddag hebben en den bitteren smaak worden zij niet gauw kwijt, die spoelt wijn noch sterke drank weg. Ipecca is hèt afdoend geneesmiddel voor de legioensoldaten; den zieken moet het goed doen, de anderen weerhoudt het, zich weer ziek te melden, als het hun eenmaal gelukt is, père-non-malade te misleiden.
Het laatst van allen verschijnt een „prisonnier”, eentje die zwaar arrest heeft en begeleid wordt door twee mannen met de bajonet op het geweer. De kerel ziet er in zijn smoezelige, riekende kleeren jammerlijk uit Zijn eenen voet heeft hij met lompen omwonden en hij maakt zich gereed, deze er af te wikkelen. „Aha, ben je daar weer, luiaard! Heb je nog niet genoeg,” ontvangt hem de arts. De man wijst op zijn voet die één wonde is. Zwijgend heft hij hem omhoog terwijl hij zich aan de tafel steunt om niet te vallen.
De majoor verwaardigt den armen kerel met geen blik maar schuift dichter aan tafel om te schrijven, terwijl de soldaat stom op de inspectie wacht, met de uitdrukking van een gesarden hond in de oogen.
„Voort met den luien vlegel,” schreeuwt de majoor kwaad tot de bewakers. „Nog acht dagen !” De man krimpt in een en uit zijn oogen vlamt een straal van gloeienden haat. „Loopen of sterven,” staat op den gewonden voet in ruwe letters getatoeeerd. „Loopen of sterven,” hoont de arts hem nog.
Dan verlaat hij de kamer, gevolgd door de twee ziekensoldaten, om de zieken in de ambulance te bezoeken. Een hospitaalsoldaat blijft achter. Zoodra de arts het vertrek verlaten heeft, neemt hij zijn pot zalf, wast den gewonden voet af, smeert er zalf op en wikkelt er een helder en zindelijk verband omheen. Hij reikt den armen duivel, die op een stoel neergezonken is, een slok brandewijn, terwijl hij hem toefluistert: „Ga naar den overste als hij in het kwartier komt! Die heeft meer hart dan deze uitzuiger!”
De man was voor een klein vergrijp tot acht dagen gevangenisstraf veroordeeld. De bestrafte soldaat verlaat voor den bepaalden tijd (zijn compagnie, moet zijn hebben en houden in het magazijn afgeven en krijgt daarvoor in ruil terug wat smerige lompen, slechte, oude schoenen, een met zand gevulden ransel en een verroest geweer.
Nu had de arme kerel een paar schoenen gekregen, welke hem bij het strafexerceeren reeds den eersten dag de voeten openscheurden; tot den derden dag had hij het uitgehouden onder steeds grooter pijn; toen kon hij niet meer, zijn voet was geheel open. De dienstdoende sergeant had hem afzonderlijk genomen, hem gekweld en gesard, zoolang tot de man weigerde nog langer te marcheeren en zich ziek meldde. Door den sergeant werd hij bij den arts voor een huichelaar uitgemaakt en deze had denman weggestuurd en hem vier dagen arrest gegeven.
Den volgenden dag wéér ziek gemeld, en weer weggezonden zonder inspectie met vier dagen hechtenis.
Heden was zijn straf verdubbeld … maar de overste was gekomen en had aan alle ellende en gesar een einde gemaakt. Een dol gejubel brak los, toen de soldaten het bericht gewerd dat de père non-malade op voordracht van den overste naar Madagaskar verplaatst was. Allen gunden hem van harte die bevordering. Vele artsen zijn hem al opgevolgd, maar zeker hebben de oude snorrebaarden den père non-malade nog dikwijls in de gedachten.
[ De katholieke illustratie; zondags-lektuur voor het katholieke Nederlandsche volk, jrg 51, 1916-1917, no. 31, 05-05-1917 ]