Inleiding
In de rubriek “Van alles wat” verscheen op 30 juni 1926 in het socialistische dagblad Het Volk, het verhaal van een Duitse ex- of oud-legionair. Hij vertelde over zijn ervaringen in het Franse Vreemdelingenlegioen.
Van het artikel is aan analyse gemaakt, waarbij gekeken is naar de historische context, of hetgeen er verteld werd mogelijk waar was en in hoeverre het zich hier om anti-legioen propaganda handelde.
Beschreven is o.a. :
- Werving en transport: Na een oppervlakkige medische keuring werd hij met andere rekruten onder strenge bewaking naar Frankrijk en vervolgens naar Algerije gebracht.
- Onmenselijke behandeling: Slechte voeding, fysieke mishandeling, vernedering en zware training onder extreme omstandigheden.
- Militaire inzet: Geforceerde marsen naar Marokko, waar ze moesten vechten tegen onbekende volkeren voor een vreemde natie.
- Sterfte en anonimiteit: Vele jonge mannen stierven zonder dat hun families weten waar ze zijn begraven.
- Ontsnapping: Na jaren weet hij te ontsnappen en waarschuwt sindsdien anderen voor het legioen.
Historische context: Het Vreemdelingenlegioen in de jaren 1920
In de jaren 1920 was het Franse Vreemdelingenlegioen betrokken bij de Rifoorlog (1921–1926), een heftige strijd in Noord-Marokko tegen Berberse opstandelingen onder leiding van Abd el-Krim.
De Franse legerleiding zette het Legioen vooral in bij zware en gevaarlijke missies.
Wat is waarschijnlijk waar?
Veel elementen uit het verhaal komen overeen met bekende feiten:
- De harde fysieke training en soms wrede behandeling zijn gedocumenteerd.
- Het gebruik van het Legioen in koloniale oorlogen zoals in Marokko is historisch correct.
- Het verbod op wapens in de kazerne uit angst voor muiterij is dubieus.
- Deserties kwamen voor, al waren ze riskant.
Anti-legioen propaganda zijn?
Aangezien de bron een socialistisch dagblad is (Het Volk, gelieerd aan de SDAP), is het aannemelijk dat de tekst ook een ideologisch doel diende:
- De extreme beeldspraak (“hel”, “verslonden door hyena’s”) is retorisch en bedoeld om afschuw op te wekken.
- De algemene demonisering van Franse officieren als sadistisch en racistisch kan overdreven zijn.
- De volledige afwezigheid van enige positieve ervaring (kameraadschap, trots, etc.) wijkt af van andere getuigenissen, ook van kritische oud-legionairs.
Conclusie
De tekst is een krachtig voorbeeld van anti-koloniale en anti-militaristische propaganda, maar bevat ook waarheidsgetrouwe elementen over de keiharde realiteit van het Vreemdelingenlegioen in de koloniale context van de jaren 1920. Het is een mix van persoonlijke trauma, ideologische boodschap en historische feiten.

[ Illustratie uit het boek
“Der Kirchhof der Kultur” uit 1913 ]
Van Alles Wat.
De heksenketel van Marokko
Het volk : dagblad voor de arbeiderspartij 30-06-1926
Over de instelling, die het „Fransche Vreemdelingenlegioen” heet, is al veel wonderlijks verteld en te oordelen naar de verhalen die erover in omloop zijn . moet het inderdaad een tweede „Inferno” zijn, waar de barbaarsheid geen grenzen kent.
Dezer dagen is een, inwoner van Keulen, die het twijfelachtig genoegen heeft gehad verscheidene jaren bij dit korps te dienen en wien het na tal van moeilijkheden te hebben overwonnen, is mogen gelukken aan de hel te ontkomen, in zijn vaderstad teruggekeerd. In een “persconferentie” heeft hij den gretig luisterenden verslaggevers een boekje opengedaan over hetgeen hij heeft doorgemaakt.
“Ik kwam — zoó vertelde hij — in het jaar 1920 op de ongelukkige gedachte mij aan te geven voor het Fransche Vreemdelingenlegioen.
Te Euskirchen werd ik door een dokter vluchtig onderzocht en geschikt verklaard. Men voerde mij naar Fort Verdun, waar zich nog een paar jonge Duitsers bevonden, die hetzelfde lot als ik tegemoet gingen. leder uur bijna arriveerden nieuwe rekruten en na twee dagen waren we ongeveer 40 man sterk en werden we, onder geleide van gewapende kriminele beambten, naar Metz op transport gesteld. Daar werden we in uniformen gestoken en nadat er een troep van 80 tot 100 man gevormd was, werden we onder strenge bewaking naar Marseille overgebracht. In deze plaats kwamen de eerste tranen los, toen we begonnen te beseffen, welk een treurig en verschrikkelijk lot ons boven het hoofd hing. Het eten en ook de behandeling werden slechter en verkeerd begrepen bevelen hadden zonder uitzondering schoppen en scheldwoorden tot gevolg. Velen onder ons dachten aan de vlucht, doch er was slechts een, wien dit mocht gelukken. Zijn vrijheid was van korten duur; na enige uren werd hij zwaar geboeid teruggebracht en in arrest gesteld. Wij hebben dezen jongeman nimmer teruggezien.
Nadat wij twee dagen lang op een stenen vloer hadden gebivakkeerd, werden we per stoomschip naar Oran vervoerd. Eerst toen drong het tot ons door, wat het zeggen wil legionair te zijn. Als vee werden we aan dek gejaagd en, na ieder een paardendeken in ontvangst genomen te hebben, zochten we een plekje uit, waar we liggen konden. En wie niet kon liggen, moest staan, daar er aan dek maar heel weinig plaats was. De voeding was dermate slecht, dat zelfs de hongerigste onder ons er zo min mogelijk gebruik van maakte. Na een tocht, die 48 uur duurde, bereikten wij Oran. Hopende op beter dagen, sleepten wij ons onder strenge bewaking naar Fort St. Jean, vanwaar we weliswaar een prachtig uitzicht op zee hadden, doch zo goed als niets te eten kregen. . Nadat wij in twee groepen waren verdeeld, werden we naar onze bestemming getransporteerd ; de eene groep naar Saida, de andere naar Sidi Bell Abes. We waren de wanhoop nabij ; zulk een lot hadden we nimmer kunnen vermoeden. Maar het was al te laat! De afdeling, waarvan ook ik deel uitmaakte, ging naar Sidi Bel Abes, naar het 1ste Regiment Vreemdelingen en daar aangekomen werden we in een bad gestopt, kaalgeschoren en vervolgens ingedeeld.
De africhting duurde niet lang, maar des te verschrikkelijker waren de schoppen en slagen, die wij bij het minste of geringste „vergrijp” hadden af te wachten van den Franschen korporaal, wiens bevelen voor ons niet verstaanbaar waren. Het ergste waren de oefenmarschen met volledig gepakte uitrusting; met slecht schoeisel en zware uniformkleding ging het voort in de schaduw van de telefoondraden ; bij een ondragelijk hitte. Wie kapotte voeten kreeg, werd met arrest gestraft en wie niet meer kon, moest na op z’n verhaal gekomen te zijn; straf-exerceren. Kwamen we halfdood in de kazerne, dan moesten we altijd nog eerst de geweren poetsen en de patronen inleveren; eerst dan konden we onze “welverdiende” rust nemen. De geweren worden steeds in de magazijnen opgeborgen, uit angst voor muiterij en ook omdat het meermalen is voorgekomen, dat zij aan Arabieren verkocht werden. Wanneer de eerste oefeningstijd voorbij is, worden geforceerde marsen naar Marokko gemaakt, waar men voor een vreemde natie tegen vreemde rassen, van wie men zelfs niets afweet, moet vechten……
Honderden jonge vreemdelingen zag ik er voor de Fransche driekleur vallen. Jeugdige, krachtige mensen, wier ouders niet eens weten waar hun zonen vielen en waar zij begraven werden; — indien tenminste hun lijken niet door hyena’s en jakhalzen werden verslonden.
Ikzelf heb lange jaren in het Legioen gediend en tenslotte is het mij gelukt te ontsnappen. Veertig dagen, gekweld door angst, honger en brandende dorst, heb ik door het bergland van Algiers gezworven, totdat ik eindelijk Oran bereikte. Het geluk was met mij; er lag een Duitsch stoomschip op de reede. Het gelukte mij. me met behulp van enkele leden der bemanning aan boord te verschuilen en zo was mijn vlucht gelukt. Op deze wijze kwam ik te Hamburg aan en vertrok vandaar naar mijn geboortestad Keulen. Steeds zal het mijn streven zijn iedere jongeman, dien ik ontmoet, te waarschuwen tegen de ellende van het Vreemdelingenlegioen. Men mag zijn land niet verlaten om avonturen … te zoeken waar ze niet zijn en waar slechts ellende en ziekte wacht.”
W.