1927 “De Brief” door Felix Kirchhoff

Dit verhaal, De Brief van Felix Kirchhoff verschenen op 18 januari 1927 in de rubriek “ELCK WAT WILS” in het sociaal-democratisch dagblad “Voorwaarts” is een rauwe, psychologisch geladen novelle over schuld, boetedoening en menselijke complexiteit binnen het decor van het Franse Vreemdelingenlegioen.

Hier een samenvatting en analyse van dit verhaal:

Samenvatting van het verhaal

  • Hoofdpersoon: Willem Lagendijk, een Nederlandse legionair met een gewelddadig verleden, berucht om zijn ruwe gedrag en agressie.
  • Setting: Garnizoen in Sidi-bel-Abbes, Algerije, waar het Franse Vreemdelingenlegioen gestationeerd was.
  • Verloop:
    Lagendijk is een gevreesde figuur, verdacht van moord, maar onaantastbaar door gebrek aan bewijs.
    Zijn leven verandert abrupt na het ontvangen van een brief uit Nederland, vermoedelijk van zijn vrouw.
    Hij stopt met drinken, komt nuchter terug van verlof, en toont tekenen van berouw.
    In een intiem gesprek met een oude sergeant biecht hij op dat hij in Nederland toen hij dronken was een politieagent heeft gedood in een gevecht.
    Hij vertelt over zijn vlucht, zijn dienst in het legioen onder valse naam, en zijn verlangen naar zijn vrouw en kind.
    Hij besluit zijn straf te aanvaarden en terug te keren, gedreven door het verlangen naar verzoening en innerlijke rust.
Cavalier Arabes, un Goum

Stijl en toon

  • Stijl: Realistisch, rauw en psychologisch. Kirchhoff gebruikt een levendige, volkse taal vol dialect, militaire jargon en mengvormen van Frans, Nederlands en Duits.
  • Toon: Cynisch en hard, maar met een onderliggende melancholie. De ruwe buitenkant van Lagendijk contrasteert met zijn innerlijke worsteling.
  • Vertelperspectief: Derde persoon, met veel nadruk op dialoog en karakterontwikkeling.

Doel van de schrijver

Kirchhoff lijkt met dit verhaal meerdere doelen te hebben gehad:

  • Menselijke kant van het legioen tonen: Achter de façade van geweld en discipline schuilde een wereld van persoonlijke drama’s, schuld en verlangen.
  • Kritiek op militarisme en morele dubbelzinnigheid: De sergeant die moord verheerlijkt “voor de glorie van Frankrijk” contrasteert met Lagendijks persoonlijke worsteling met zijn daad.
  • Verkenning van boetedoening: Het verhaal draait om de vraag of een mens zich kan verlossen van zijn verleden en of berouw oprecht kan zijn.

Kennis van het Vreemdelingenlegioen

Kirchhoff toont opvallend veel detailkennis:

  • Authentieke setting: Sidi bel Abbes was daadwerkelijk het hoofdkwartier van het legioen.
  • Terminologie: Begrippen als “Zephyrs”, “Goums”, en de mengtaal van legionairs zijn historisch accuraat.
  • Sociale dynamiek: De hiërarchie, het geweld, de vervreemding en de kameraadschap zijn realistisch weergegeven.

Dit suggereert dat Kirchhoff óf uit directe ervaring óf via gedegen onderzoek over het vreemdelingenlegioen schreef.

Sidi-Bel-Abes
Arrestation de Legionnaires en goguette

De Brief
door Felix Kirchhoff

Men is in het Vreemdelingenlegioen aan hardgekookte zondaars, zelfs aan regelrechte schurken gewoon. Maar zoo’n „uitgek…. canaille, als de Hollander Willem Lagendijk, van het tweede regiment étrangère, was zelfs onder dit uitschot een unicum. Wanneer er in het garnizoen — Sidi bel Abbis — weer eens in de inboorlingenwijk werd gevochten tussen legionairs en Arabieren, dan behoefde men de belhamel niet ver te zoeken. Vechten, de boel op stelten zetten en de „Goums” — inlandse militaire politie — de handen vol werk geven, dat was zijn lust en zijn leven. Hij was een geboren ruziemaker en zelfs de onderofficieren waren een beetje bang voor hem, sedert men, na een gevecht met de Kabylen kapitein Sacrogne had gevonden met een [ mes ] in den rug. Lagendijk werd verdacht, hiervan meer te weten, doch er waren geen bewijzen tegen hem in te voeren geweest en men kon hem niemendal maken.

Lagendijk — zo noemde hij zich, doch men kon veilig aannemen, dat hij zo niet heette — was een roodharige kerel, kort en gedrongen van gestalte, doch beschikkend over meer dan gewone kracht. Als die sinjeur loskwam en iemand een opsodéju verkocht, dan kwam het aan — nou, asjeblieft!
Hij had reeds alle strafklassen doorlopen van kazerne-arrestant tot „Zephyrs”, zoals men ‘t strafbataljon noemde. De hemel mocht weten, wat hij in zijn vaderland had uitgespookt; veel goeds kon het in elk geval niet zijn geweest en het was niet erg waarschijnlijk, dat men bij zijn eventuele terugkeer erepoorten voor hem zou oprichten.
Hij bezat maar één goede eigenschap. Het was een kraakzindelijke kerel, die zijn bullen keurig in orde hield. Van deze eigenschap hadden zijn superieuren eenmaal willen profiteren, door hem bij een inspectie als paradepaard te gebruiken. Doch toen hij dat in de smiezen had trad hij aan “als een varken”; bovendien was hij „stombezopen” en zong het legioenslied en de onderofficier kreeg’ een uitbrander die raak was.

“Maudit choucroutier, sale béte!” (vervloekte zuurkoolvreter, vuilik), donderde de woedende onderofficier hem na de inspectie toe. — Wou je mij d’r bij lappen? Ik zal je wel krijgen, reken maar, vader! ‘k Zal je leeren, mij voor jouw zwijnderij standjes op te laten loopen. Mon dieu, wat een canaille! Wat een zwijn.
Op zekeren dag ontving, tot grote verbazing van de hele escouade. de legionair Lagendijk een brief uit Holland. Het adres: — Mr. Lagendijk, soldat de 2me regiment étrangère à Sidi-bel-Abbis. Alger — was door een ongeoefende vrouwenhand breven. De geadresseerde scheurde haastig het couvert open. las … De, hem nieuwsgierig aangapende kameraden konden hun ogen niet geloven: Lagendijk zat te huilen. Waarachtig, de ruwe kerel zat te huilen als een kind! Men keek elkander in zwijgende verbazing aan. Een landgenoot van hem trok de stoute schoenen aan: — Zeg, Lagendijk, wat is er aan de hand; heb je slecht nieuws? — Jullie kunnen allemaal tegelijk doodvallen! — was het ruwe antwoord van de aangesprokene, die onmiddellijk na deze woorden opsprong en de chambrée verliet. De afgepoeierde legionair keek verbijsterd de anderen aan duwde, beide handen in de broekzakken haalde met een verlegen grijns de schouders op. – Ja nou weet ik ook, wat een pond daarvan kost zei hij raadselachtig.
De legionair Lagendijk kwam dien avond oor het, eerst nuchter en zonder politiegeleide in de kazerne terug. En ook de daaropvolgende avonden. Dit ongelofelijke feit ging als een lopend vuurtje door het gehele regiment; op zekeren avond stond alles, wat vrij van dienst was, hem on te wachten, om zich daarvan te overtuigen, dat „Lakendaik” — , zoals de Fransozen zijn nam uitspraken — wis er, waarachtig „als een mensch” van avondpermissie terug kwam.
„Je bent iets van plan. vader, je voert iets in het schild”, zei een oude sergeant op zekeren dag tegen hem. “Misschien heb je het drinken gelaten om met het gespaarde geld te deserteren”
De oude man schudde afkeurend het hoofd en besloot waarschuwend: „Doe het niet, mon gars, doe het niet; ça ne va pas”
Vroeger zou Lagendijk zijn opgestoven doch thans schudde hij treurig het hoofd.
“Ik denk er niet om te deserteeren; ik blijf in het legioen, tot mijn tijd om is. Nog een paar maanden dienen en dan is het achter den rug. Waarom zou ik dan wegloopen, om door de Goums toch weer teruggebracht en daarna gefusilleerd te worden?”
De oude snorrebaard klopte hem op de schouder.
Zó mag ik het hooren, mijn jongen. Misschien komt er nog iets goeds van je terecht, als je de dienst verlaten hebt. “Wat mij betreft”, — hij richtte zich kaarsrecht op — „ik ben als soldaat oud geworden en hoop ook als soldaat te sterven —- le mort pour la gloire de la France! Maar bij jou is het natuurlijk iets anders.”
Zo babbelde de oude voort in de eigenaardige „legioentaal”, die een mengsel is van Fransch, Duitsch en Arabisch. Klein, schraal en uitgedroogd ventje in de gele legioensuniform, vormde hij een geweldig contrast met de stevigen roodharigen Hollander. Toch zag men hen den laatsten tijd gedurig samen. De oude sergeant was blij iemand te hebben, die geduldig wist te luisteren naar zijn blufferige verhalen over zijn veldtochten in Tonkin en Marokko. De Hollandsche legionair op zijn beurt waardeerde het, iemand gevonden te hebben, die hem andere vriendschap wilde bewijzen, dan alleen op tochten naar verdachte huizen en gelegenheden, waar men de legionairs vergiftigde met foezel.

Op zekeren avond zaten zij op een bank in het prachtige park van Sidi-bel-Abbis. Zij hadden geluisterd naar het concert, dat de muziek van de jagers dien avond gegeven had en bleven nog wat nakaarten. Hier en daar dwaalde nog een gestalte rond, glommen de gloeipuntjes van sigaretten in het duister, hoorde men af en toe het schorre zingen van een legionair of een stem in diepe, Arabische keelklanken.

Beide zaten een ogenblik zwijgend naast elkander. De sergeant rolde een sigaret en begon met genot te roken. Lagendijk zat voorover gebogen de ellebogen op de knieën, de kin op zijn gevouwen handen en staarde voor zich in het donkere park. . Doch de stilte viel niet in de smaak van de babbelzieke oude Fransoos. Hij begon weer, levendig gebarend, met zijn bloederige verhalen; hoe hij in Tonkin alleen met zijn bajonet – zo – vier, vier zwartvlaggen had neergelegd en van twee anderen – zo, zie je? – de luiwar afgenomen, door hen het wapen uit hun vlerken te draaien. Ja zo’n duivels kerel als hij de sergeant ….!
De Hoolader antwoord verstrooid en eensklaps onderbrak hij de woordenstroom, door zonder enige aanleiding te vragen: “Sergent, is iemand, die een mens kapot maakt, een moordenaar?
,,Dat hangt er van af” antwoordde de sergeant nadenkend. „Niet als het bij ongeluk of in drift gebeurt, zou ik denken. Maar”, vervolgde hij en uit zijn woorden bleek, dat hij lont begon te ruiken, — „ik weet niet, hoe de wet er denkt”.
„Sergeant”, de stem van Lagendijk klonk schor, „ik heb een mensch gedood”. „A-a-Ah”. zei de sergeant medelijdend. „Maar waarom deed je dat dan?”
Het viel hem niet in, dat hij zelf nog geen minuut tevoren had zitten opscheppen, dat hij meer dan een medemens het leven benomen had, en allerminst in drift. Hij dacht er niet aan, dat hij er misschien morgen reeds weer op los zou knallen en steken — „pour la gloire de la France”.
„Waarom heb je dat gedaan?” herhaalde hij treurig, en ook lichtelijk ontsteld, nu het bleek, dat zijn vriend een moordenaar bleek te zijn. „Ik weet het niet”, antwoordde Lagendijk somber. „Ik was dronken en kreeg twist met een politieagent. Wij raakten aan het vechten en daarbij kreeg hij van mij een vuistslag tegen den slaap”.
„Met de vuist? Gebruikte je geen wapen?” vroeg de sergeant opgewonden. ..Nee. Ik had niks in de hand”.
De sergeant slaakte een zucht van verlichting, greep vol emotie naar de hand van zijn vriend en drukte die verheugd. „Goddank. Dan was het geen moord, doch slechts manslag. Dan behoef ik me niet over je te schamen, mijn jongen. Ne pleurez pas” — want de Hollander liet een geluid horen, dat op een snik geleek — „mon- cher camarade, ne pleurez pas —- je vous en prie — alles komt wel weer in orde.
Vertel maar verder: men heeft niet altijd het geluk, „zijn hart te kunnen uitstorten” — het ouwe kereltje werd waarempel sentimenteel! — „aan den boezem van een trouwen vriend.”
En Lagendijk vertelde, op de stooterige manier van iemand, die [niet] aan veel spreken gewoon is, hoe hij zijn vrouw met haar kindje van enkele weken had verlaten en gevlucht was. Als stow-away was hij met een vrachtboot in Havre terechtgekomen. Daar had men hem, als vreemdeling zonder papieren, gearresteerd, en hem de keus gelaten tusschen uitlevering of dienstneming in het Vreemdelingenlegioen.
Bij zijn aanwerving had hij — als alle toekomstige legionairs — een valschen naam opgegeven. In het ruwe, onmenschelijke bestaan van legionair had hij getracht zijn ellende te vergeten. „Ik heb gezopen. Ik heb geleefd als een zwijn. Maar ik kon niet vergeten – kon niet vergeten. — Dat wat ik gedaan had, bleef me bij… En dan het verlangen naar me arme wijf en me kindje…. En tenslotte kon ik het niet meer uithouden en toen heb ik geschreven… Ik verwachtte eigenlijk geen antwoord… En toen kwam het toch…. Ze wachtte op me…”
„Maar als je terug gaat, wordt je gestraft”, sergeant medelijdend. „Dat moet dan maar”, zuchtte de, ander. „Trouwens, ik voel het, sergeant, ik moet boote doen. Eerder heb ik toch nooit rust.” .
Toen rees hij op. „Het wordt tijd, sergeant, willen weggaan?” Zijn stem klonk weer gewoon. Zwijgend doorschreden zij het donkere park, op weg naar de kazerne. Heldere stemmen klonken zangerig op in de nachtelijke stilte.. „Het waren de muezzins, die de gelovigen opriepen tot het avondgebed
„Allah akbar! Allahoe akbarl”

© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over