1929 De overval in Algiers. Onrust in Marokko. “Affaire de Djihani”

Een idee van het terrein Hammada waarin de strijd plaats vond.
Foto uit de periode 1911 – 1912.
Mogelijk zichtbaar het kamp van
een bereden eenheid van het Franse Vreemdelingenlegioen.

In oktober 1929 probeerden Franse troepen in het grensgebied tussen Algerije en Marokko een groep rebellen (djich) te onderscheppen die zich ophielden in het ruige terrein tussen de Guir en de Ziz. Het gebied bestond uit de Hammada — een dor plateau — en de chebka, een netwerk van ravijnen en rotsruggen, ideaal voor guerrillatactieken.
Op 14 oktober zette een klein detachement uit Meridja de achtervolging in, bestaande uit slechts 65 légionnaires van het Compagnie Montée d’Algérie (CMA) du 1er Régiment Etranger (1er REI) CMA/1er REI en 30 mokhazenis, met één mitrailleur. Ze kwamen rond 13 uur onder hevig vuur te liggen bij Djihani, werden omsingeld en aangevallen in man-tegen-man gevechten. De mitrailleur liep vast. Pas tegen 17 uur arriveerde versterking van de compagnie du Ziz, waardoor het djich zich terugtrok.
De Fransen leden zware verliezen: 50 doden en 21 gewonden.
Ondertussen waren andere eenheden vertraagd of afgedwaald, en het vliegtuig dat het slagveld overvloog merkte het gevecht niet op. De commandant bleef lange tijd onwetend over de situatie. Op 15 oktober werd de achtervolging hervat, en op 17 oktober bleek uit een telegram dat het djich zich had teruggetrokken naar de Tafilalet.
De operatie kenmerkte zich door gebrekkige coördinatie, slechte communicatie en onderschatting van het terrein en de vijand.

De Nederlandse pers berichtte destijds als volgt over deze gebeurtenis:

Onrust in Marokko.

De Indische courant 19-10-1929

Fransche troepen in een hinderlaag gelokt. Parijs, 18 October (Aneta-Reuter).

Uit Colomb Bechar wordt gemeld, dat op 14 dezer een detachement, bestaande uit troepen van het Fransche Vreemdelingenlegioen, ten zuiden van Merya in Marokko, in een hinderlaag vielen, welke door een troep van 150 inboorlingen gelegd was. Vijftig man van het legioen werden gedood en 18 gewond; slechts 8 man konden ongedeerd ontkomen.
De overlevenden werden door een ander detachement van het Vreemdelingenlegioen gered, dat door den vliegdienst van het gebeurde onderricht was.
De Marokkaansche troepen achtervolgden de aanvallers, wien zij zware verliezen toebrachten.

NOORD-AFRIKA. DE OVERVAL IN ALGIERS
Bijzonderheden over het bloedig gevecht.
—De zware Fransche verliezen.
—Fransche militaire werkeloosheid.

Algemeen Handelsblad 22-10-1929

Men heeft gelezen, dat het in Algiers wederom tot een treffen is gekomen, ditmaal tusschen een afdeeling van het vreemdelingenlegioen en opstandige stammen, hetwelk een bloedig verloop heeft. gehad. Aan de “Temps” wordt gemeld dat de bijzonderheden, welke omtrent dit treffen binnenkomen, den ernst van het gebeurde slechts bevestigen.

Zodra het vertrek van een troep dissidenten van den Tafilalet was gesignaleerd, alarmeerde kolonel Catroux, commandant van het district van Colomb-Béchar, alle posten, in het bijzonder die, welke de toegangen tot den Tafilalet bewaken, om de dissidenten te achtervolgen en te verspreiden.
De post van Méridja deed onverwijld een bereden sectie van het 1e regiment van het vreemdelingenlegioen en een peloton inlandsche cavalerie vertrekken, welke spoedig sporen der bende ontdekten.
Verscheidene dagen zochten de troepen, bijgestaan door vliegtuigen, naar de opstandelingen zelf, die onvindbaar bleven totdat maandagmiddag een vliegtuig meldde dat zij waren gesignaleerd, ten getale van 150 man, op slechts enkele kilometers afstand van de plek, waar de legionairs kampeerden.
Dezen begaven zich onmiddellijk op weg, zochten gedurende vijf uren, vonden echter niets en meenden reeds dat de opstandelingen zich hadden teruggetrokken, toen plotseling een hevig geweervuur losbarstte. De legionairs bleken in een hinderlaag te zijn gevallen: zij bevonden zich bovendien, wat het terrein betrof, in een ongunstige positie en werden letterlijk gedecimeerd. Toen de duisternis inviel waren er aan Fransche zijde nog slechts zeven man over.
Intusschen had een vliegtuig bemerkt in welk een gevaarlijken toestand de troepen verkeerde en de post van Meridja opnieuw gealarmeerd. Onmiddellijk vertrokken 250 man van het legioen, die in den vroegen ochtend op de plek des onheils aankwamen, doch geen vijandelijke strijdkrachten meer aantroffen. Zij verbonden toen de gewonden en borgen de lijken der gesneuvelden, vijftig in aantal.

De heer Ronx-Freisseneng, Kamerlid voor het derde district van Oran, die toevallig enkele dagen tevoren een vlucht boven den Tafilalet heeft gemaakt, verklaart naar aanleiding van het gebeurde, dat de Franschen een veel te passieve houding aannemen tegenover de opstandige benden, welke steeds stoutmoediger worden en misschien wel binnenkort een inval in Colomb-Béchar zullen ondernemen. Volgens hem is het niet noodig een grootscheepschen veldtocht op touw te zetten, doch dient krachtiger te worden gepatrouilleerd en moeten enige sterke strategische punten worden bezet.

Een uitvoerige beschrijving van de gebeurtenissen werd gepubliceerd in het tijdschrift L’Armée d’Afrique van 1 november 1929, waarvan hier een vrije Franse vertaling.

L’Armée d’Afrique : organe de liaison entre les officiers de réserve de l’Algérie, Tunisie et Maroc et leurs camarades de l’active

L’ARMEE; D’AFRIQUE

p. 314 – 319

LES CONFINS ALGÉRO-MAROCAINS

Affaire de Djihani, 14 octobre 1929.

DE ALGÉRIJNS-MAROKKAANSE GRENSGEBIEDEN

Affaire de Djihani, 14 oktober 1929 — Tussen de Ziz en de Guir hebben de dissidente Aït Hammou op 14 oktober bij Djihani opnieuw zware verliezen toegebracht aan een detachement van het Vreemdelingenlegioen dat hen achtervolgde.

De alarmfase

Begin oktober verneemt men in Eribud dat een honderdtal gewapende mannen, waaronder een Doui Menia — de moordenaar van generaal Clavery — zich verzamelt in de Tafilalet. Op 9 oktober worden sporen van de djich(strijdgroep) gevonden ten oosten van Tighmart; men vermoedt dat ze richting Meridja aan de Guir trekken.
Onmiddellijk wordt alarm geslagen langs het hele front: de cercles van Erfoud en Bou Denib in Marokko, en Colomb-Béchar in het zuiden van Algerije.
Vanuit Erfoud volgen de compagnie saharienne van de Ziz (meer dan 300 man) en een compagnie van het Vreemdelingenlegioen (150 man) vanaf 13 oktober de sporen van het djich door de Hammada. De compagnie saharienne van de Guir bevindt zich op de ochtend van de 13e bij Mouih Sifer, 26 km ten westen van Meridja.
Aan Algerijnse zijde houdt de luchtmacht van Colomb-Béchar vanaf 10 oktober toezicht. Mobiele groepen uit Meridja, Abadla en Igli worden gealarmeerd. Een peloton A.M.C. White pantservoertuigen vertrekt vanuit Colomb richting Meridja en komt daar op de ochtend van de 10e aan.

De zoektocht naar de vijand

Op 11 oktober krijgt de groep van Abadla (160 man: groupe francspahis en mokhazenis) opdracht om de Hammada te verkennen in noordwestelijke richting tot Hassi Skhouiui. De A.M.C. voertuigen krijgen een soortgelijke missie van Meridja naar Zguilma, via een ruime omweg vóór de compagnie du Guir. De mobiele groep van Meridja (een bereden peloton van de Légion en makhzen) trekt rechtstreeks naar Zguilma, met beperkte opdrachten en terugkeer op de 13e oktober.
Op de 13e oktober verneemt de Commandant van de Cercle in Colomb-Béchar via een postduif, gelost op de 12e vanuit Zguilma, dat sporen zijn ontdekt in de richting van Djihani, 10 km ten oostnoordoosten, aan de rand van de chebka van de Guir.
Vanaf dat moment probeert hij de verspreide groepen te activeren en te concentreren op de vijand.

Coördinatie van de troepen

Vanaf dat moment probeert hij de verspreide groepen te activeren en hen te concentreren op de vijand.
Op de ochtend van 14 oktober begint het detachement van Meridja, voorzien van bevoorrading voor vier dagen, aan de achtervolging, maar langzaam, om de compagnie du Guir niet te ver vooruit te zijn bij Djihani. Deze compagnie, versterkt in Meridja met een bereden peloton van de Légion, zal rechtstreeks van Meridja naar Djihani marcheren. Een vliegtuig zal vanaf 13 uur verbinding onderhouden, eerst tussen beide groepen, daarna ook met de compagnie du Ziz. De A.M.C. zullen patrouilleren ten zuidoosten van Berbatine in de richting van Zguilma. Aan de compagnie du Ziz, waarvan men weet dat ze op de 14e in Zguilma is, wordt opgedragen via Djihani naar Abadla te trekken.
Kortom, drie groepen werken samen in de achtervolging en omsingelen Djihani. De groep van Abadla en de A.M.C. bewaken de achterzijde in het zuidoosten en zuidwesten, klaar om de uitwegen af te sluiten.

De commandant en zijn communicatiemiddelen

In Colomb-Béchar beschikt de Commandant, om deze groepen aan te sturen, over telefoonverbinding met Meridja, T.S.F. (radio) met Abadla en Meridja, een vliegtuig en verzwaarde berichten voor alle locaties, en indirect ook ruiters via Abadla en Meridja. Vliegtuigen en A.M.C. zijn niet uitgerust met radio’s.

De last van de afstanden

Daarnaast vormen de afstanden een zware belasting.

  • Van Colomb-Béchar naar Meridja is het 75 kilometer.
  • Naar Abadla is het 90 kilometer.
  • De afstand tussen Abadla en Meridja bedraagt 60 kilometer in vogelvlucht.

Richting Marokko:

  • Meer dan 100 kilometer van Meridja naar Bou Denib.
  • Meer dan 150 kilometer van Abadla naar Eribud.

Djihani zelf ligt ongeveer:

  • 10 kilometer oostnoordoost van Zguilma.
  • 40 à 45 kilometer ten zuiden van Meridja.
  • Even ver ten noordwesten van Abadla.

Samengevat: op de ochtend van 14 oktober bedraagt de minimale afstand tussen de detachementen 10 à 15 kilometer, de maximale 45 kilometer. Alle eenheden bevinden zich op 80 tot 100 kilometer van Colomb-Béchar.

Het actiegebied

Van de randen van de Tafilalet tot aan het poststation van Igli (waar de Guir en de Zousfana samenvloeien), omsluiten de Marokkaanse posten Eribud, Bou Denib en Bon Anane de Hammada vanuit het noordwesten en noorden. Meridja, Abadla en Igli — Algerijnse posten — omsluiten het gebied vanuit het oosten. Maar naar het zuidwesten, zuiden en zuidoosten opent de Hammada zich vrij naar de Sahara.

Het terrein

Het betreft een uitgestrekt, tafelvormig plateau dat abrupt oprijst in kliffen op zo’n 20 à 30 kilometer van de Guir, de Ziz en het front van Bou Denib.

Rondom verschijnen hier en daar matige waterpunten, aan de voet van soms steile hellingen, in een woest en grillig landschap dat begrensd wordt door chebkas, vooral sterk ontwikkeld aan het oostfront tot aan de Guir. De chebka is als een net, een rotsachtig netwerk — een stenige, diep ingesneden ondergrond waar sporen moeilijk te herkennen zijn.

Daar verschansen de djicheurs, te voet, voorzien van een waterzak en een lichte tas met gedroogde dadels. Ze wachten geduldig op een kans om toe te slaan, desnoods dagenlang, en trekken dan in een snelle nachtelijke etappe door de Hammada. Vervolgens keren ze terug naar de palmoases van de Tafilalet of naar de kampementen verder westwaarts, nabij de Ferkla, het Saghro-gebergte of de maïder — graasgebieden in de overstromingszones van de Ziz en de Chéris.

De chebka van Djihani, die generaal Naulin na de 14e overvliegt, verschijnt hem vanuit het vliegtuig als een wirwar van kronkelende ravijnen, gescheiden door vrij steile rotsruggen die dicht bij elkaar liggen.

Mobiliteit en belemmeringen

De A.M.C. White pantservoertuigen — vermoeid materieel — rijden desondanks over de Hammada. Ruiters treffen er zones waar de paarden hun hoefijzers verliezen op poreuze rotsbodem. Infanteristen kunnen zich er vrij bewegen, maar niet zonder uitputting. De beschikbaarheid van water bepaalt de etappeplanning.

Het gevecht

De groep van Meridja, die bij vertrek in werkelijkheid slechts 65 légionnaires, 30 mokhazenis en één enkele mitrailleur telt, vertrekt om 11 uur uit Zguilma, met water maar zonder voedsel, vastbesloten om zo snel mogelijk contact te maken.
Om 13 uur wordt het detachement onder vuur genomen — hevig en goed gericht vanaf 400 meter. Het is het djich dat zich ontmaskert. Bij de eerste schoten neemt het detachement positie op de nabijgelegen hoogten, maar wordt snel omsingeld, overweldigd en aangevallen in man-tegen-man gevechten. De enige mitrailleur loopt vast. Men houdt stand tot 17 uur.
De aankomst van de groep van de Ziz — gewaarschuwd per ruiter en met spoed op mars — veroorzaakt door haar loutere verschijning de snelle terugtrekking van de vijand, die zijn muildieren met buitgemaakte munitie achterlaat.

De balans: 50 doden (42 légionnaires en 8 mokhazenis), 21 gewonden, waaronder de commandant van het detachement, 15 légionnaires en 5 mokhazenis.

Bewegingen en vertragingen

De compagnie du Ziz, die onvoldoende water vond in Zguilma, trok naar de dichtstbijzijnde bron in Berbatine, 15 kilometer ten noordwesten, waardoor ze zich tijdelijk van Djihani verwijderde, om daarna terug te keren.

De compagnie du Guir en het peloton van de Légion vertrokken met twee uur vertraging uit Meridja. Het vliegtuig dat het slagveld overvliegt, merkt het gevecht niet op en slaagt er niet in verbinding te maken met de troepen.

De Commandant van de Cercle is slechts zeer gebrekkig geïnformeerd; op de avond van de 14e weet hij niets over de verliezen en alleen dat het djich zich heeft teruggetrokken. Hij is niet op de hoogte van de tegenslagen die de compagnies du Ziz en du Guir (b) hebben vertraagd.

La Basse légion du Guir door lieutenant Jacques Jaubert,
nummer van september–oktober 1929 van het Bulletin L’Armée d’Afrique.

De achtervolging

Aan de groep van Abadla geeft hij opdracht zich ’s nachts naar het noorden te verplaatsen. Op de ochtend van de 15e beveelt hij de A.M.C., de groep van de Ziz en het detachement dat de dag ervoor was ingezet, om de sporen op te nemen.
Hij informeert Marokko, dat twee nieuwe detachementen van 100 en 180 gewapende mannen mobiliseert.
Deze zullen de noordwestelijke uitgangen van de Hammada bezetten.
De sporen worden op de avond van de 15e teruggevonden.
Op 17 oktober meldt een telegram dat het djich op 16 oktober om 14 uur is teruggekeerd via het zuiden van de Tafilalet, tussen Taouz en de erg Chebbi, op 80 kilometer ten zuiden van Erfoud.

Een overlevende van de L’engagement de Djihani caporal Chef Kintzinger kreeg enkele dagen later de Medaille Militaire uitgereikt

Inschattingsfouten en operationele tekortkomingen

Op basis van bovenstaande berichtgeving kunnen enkele duidelijke inschattingsfouten en operationele tekortkomingen aangewezen worden in het optreden van de Franse commandanten tijdens de “affaire van Djihani” op 14 oktober 1929. Hier zijn de belangrijkste:

Strategische en tactische inschattingsfouten

1. Versnippering van troepen en gebrekkige coördinatie

De Franse commandant probeerde verschillende groepen (compagnie du Ziz, compagnie du Guir, groupe mobile de Meridja, groupe d’Abadla, A.M.C.) te laten samenwerken, maar ze waren verspreid over een uitgestrekt gebied met afstanden tot 45 km tussen de detachementen.

De achtervolging werd ingezet met drie groepen die Djihani moesten omsingelen, maar de timing en synchronisatie waren onvoldoende.
De groupe mobile de Meridja raakte geïsoleerd en werd zwaar aangevallen voordat versterking arriveerde.

2. Onvoldoende communicatiecapaciteit
De commandant beschikte over telefoon en radio verbindingen met sommige posten, maar de vliegtuigen en pantservoertuigen hebben géén radio, wat cruciaal is voor real-time coördinatie.

De communicatie met de troepen in het veld gebeurde deels via ruiters en duiven, wat traag en onbetrouwbaar was voor een snel evoluerende gevechtssituatie.

3. Verkeerde inschatting van terrein en vijandelijke tactiek
Het terrein rond Djihani is een chebka — een netwerk van ravijnen en rotsruggen — ideaal voor guerrilla-ambushes. De Franse troepen waren hier kwetsbaar, zeker zonder voldoende verkenning en luchtsteun.

De Djich gebruikte klassieke guerrillatactieken: embuscade, snelle terugtrekking daarbij effectief gebruik makend van het terrein. De Franse eenheden of bevelhebbers leken dit te onderschatten, ondanks eerdere ervaringen met de Aït Hammou.

4. Te kleine en slecht uitgeruste voorhoede

Het detachement van Meridja dat als eerste contact maakt met de vijand bestond uit slechts 65 légionnaires, 30 mokhazenis en één mitrailleur, die bovendien vastliep tijdens het gevecht.

Ze vertrokken zonder voedsel, enkel met water, wat wees op haast en gebrekkige voorbereiding.

5. Vertraging en misverstanden bij versterkingen

De compagnie du Guir vertrok met twee uur vertraging uit Meridja.
De compagnie du Ziz raakte afgeleid door watertekort en trok tijdelijk weg van Djihani.
Het vliegtuig dat het slagveld overvloog, merkte het gevecht niet op en slaagde er niet in verbinding te maken met de troepen.

Gevolgen van deze fouten waren dat het detachement van Meridja werd omsingeld en zware verliezen leed:
50 doden (waarvan 42 légionnaires),
21 gewonden.

De vijand trok zich terug met buitgemaakte munitie en zonder noemenswaardige verliezen.
De Franse commandant bleef lange tijd onwetend over de omvang van de verliezen en de vertragingen van de andere eenheden.

Sur le front Algero-Marocain, Nos pertes

Tues


Adjudant Bonnier
Sergent Lutz
Sergent Mukine
Sergent Kieffer
Caporal Dolstorff
Caporal Muller

Blessé

Lieutenant Foiret
Caporal Chef Kintziger

BONNIER René Georges
Décédé(e) le/en 14/10/1929 à Zguilma Djihani ( Maroc)

Grade adjudant
Unité 1er régiment étranger (1er RE)
Matricule au corps 14256
Mention Non Mort pour la France
Cause du décès tué au combat
Conflit Afrique du Nord
Date de transcription du décès 26/7/1962
Lieu de transcription du décès Paris 1er arrondissement
Département de transcription du décès 75 – Paris (ex Seine)
Cote Service historique de la Défense, Caen – AC 40 R 4038

FRANSCH VLIEGTUIG BESCHIET OPSTANDELINGEN IN MAROKKO.
PARIJS, 25 October. (Havas.)
,,Le Journal” bevat een telegram uit Colomb Bechar, meldende dat door een bombardementsvliegtuig opnieuw een harka werd uiteengedreven, die een hinderlaag poogde te leggen bij Djihani.
De harka leed zware verliezen, door het welgerichte mitrailleurvuur van het vliegtuig.
Volgens den bestuurder was de harka samengesteld uit 300 a 400 man cavalerie.
Na het vliegtuig tevergeefs met geweren te hebben beschoten, namen zij de vlucht

[ Haagsche courant 25-10-1929 ]





© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over