Inleiding
Op zoek naar wat illustratie materiaal kwam ik via Delpher deze foto tegen in de Nieuwe Utrechtsche courant.
Volgens het bijschrift had deze krant op 21 en op 14 november 1931 een artikel over het Franse Vreemdelingenlegioen gepubliceerd.

Vrij eenvoudig waren deze te vinden.
Snel las ik over het eerste deel heen en las “De man uit Manchester”.
Ik dacht, ach het zoveelste verhaal van een Engelse deserteur.
Maar dat stond er helemaal niet, er stond een “De man in Manchester”.
Zelf heb ik nog net meegemaakt dat wat oudere mensen uit mijn dorp een ribfluwelen broek aanduidde als een “machesterse” broek, dus begreep ik wat er bedoeld werd.
Voor de wat jongere lezers de volgende uitleg.
Corduroy is een geribbelde geweven stof die ook ribfluweel of ribcord genoemd wordt. Vanaf de 19de eeuw werd deze stof populair voor het maken van werkbroeken voor mannen. Er werden ook jassen en gilets van gemaakt.
De stof werd toen in sommige streken ook Manchester genoemd omdat de stof destijds vooral in de stad Manchester werd geproduceerd.
De twee artikelen gaan over een Nederlander die van ca. 1925 tot 1930 in het Legioen diende.
Hier en daar de gebruikelijke overdrijvingen, maar in het algemeen een best objectieve beschrijving van hoe het leven in het legioen was in die periode.
Wat een zoeker naar arbeid wedervoer
AVONTUREN IN ALGARIE, MAROKKO EN SYRIE
I.
Het redactie-bureau van een goed-ingerichte grote krant is als het hoofdkwartier van een militaire staf, van alle zijden komen de boodschappers binnen met het nieuws van oost en west; er is contact met vrijwel de gehele beschaafde en onbeschaafde wereld.
Men zou het ook kunnen beschouwen als het strategisch centrum van een wijd gespannen, zeer veerkrachtig spinnerag, dat zelfs op de allerlichtste beroering der uiterste periferie onmiddellijk reageert. Al zijn wij dus op ‘t gebied van ‘t niet-alledaagsche wel het een en ander gewend, toch blijft het een witte raaf, als je plotseling in contact komt met iemand, die zon en rotsen van Noord-Afrika aan den lijve heeft gevoeld, en die met het relaas van zijn bonte wederwaardigheden, ginds in de verte, je eigen omgeving voor een ogenblik onwerkelijk, en het onbekende tot kortstondige werkelijkheid voor je maakt.
De Man in Manchester
In het verhaal, dat wij hieronder aan onze lezers willen aanbieden, wenschen wij het al te persoonlijke, als namen, data en dergelijke te elimineren, als niet ter zake doende, en zullen wij ons tevens tot de hoofdzaken moeten beperken. De Man in Manchester, zoals wij hem willen aanduiden, zag er proper en flink uit, hij was van middelbare lengte, vrij in zijn optreden, zonder hinderlijk te zijn door al te grote vrijmoedigheid, en zijn ogen hadden een onbevangen blik: ogen, die aan ruimte gewend waren. Eerst twijfelden wij er even aan, of wij hier wel inderdaad met een landgenoot te doen hadden, zijn wijze van spreken deed eerder aan een Belg of Duitser denken, doch al spoedig bemerkten wij, dat deze spontane vreemde bijmengsels juist daar het talrijkst verschenen, waar het gesprek over buitenlandse dingen of toestanden ging, ze waren zou je kunnen zeggen de sporen van een langen zwerftocht op zijn geestelijke bagage.
Een wakkere werkloon
De Man in het Manchester was oorspronkelijk monteur van professie, doch als zovelen in de na-oorlogse jaren ging het hem niet naar den vleeze, hij raakte zijn, broodwinning kwijt, en daar de maag, afgescheiden van economische constellaties of sociale toestanden toch regelmatig haar vaste portie verlangt, trok hij er al spoedig op uit, om elders te zoeken wat thuis niet meer te vinden was: arbeid en bestaan.
Dat was zoo omstreeks het jaar 1925. De provincie van de Man in Manchester lag aan de Duitsche grens. Waar, hij het zo lang aan deze zijde daarvan had geprobeerd, besloot hij het leven nu ook eens aan gene zijde te bekijken, en zo werd Duitsland ingetrokken. Ze waren met hun tweeën kameraden, en het leven was niet zachtzinnig voor hen. Het was trekken heen en weer tot ver in het onbekende land, en het bestaan was met recht van de hand in de tand. Wellicht zullen er ook wei heel wat dagen geweest zijn dat de tand nog minder dan de hand te doen vond. Toen scheen er eindelijk een wel avontuurlijke, doch tevens niet ongeschikte wending in hun lot te komen.
Er komt iets opdagen
Ons tweetal, dat reeds ver van huis was, maakte in die dagen kennis met iemand, die ook over harde tijden kon meepraten, dagen van strijd en ontbering, doch omschenen met den wonderglans der romantiek. Het was een kerel die geleerd had zich te redden; behalve zijn moedertaal, het Duits, kon hij ook heel aardig Fransch parlevinken, en verhalen vertellen uit verre landen. Dat gaf hem een schijn van grote meerderheid. Hij was in Noord Afrika geweest, naar hij vertelde, wat trouwens zijn schrale gebruinde gezicht reeds uitwees, en hij had het er, in Franse koloniale dienst, tot sergeant gebracht. Het leven was er zwaar, maar de maag kwam tenminste op tijd gevuld, en dat is al een heel ding. Nu, na zijn terugkeer in de Heimat daar alles nog even armetierig bleek, had hij plan om maar weerom te gaan naar Frankrijk, om daar opnieuw dienst te nemen. Of de andere twee er ook geen zin in hadden? Alles heeft zijn mee en tegen, zo overwogen onze beide Hollanders, en gedachtig aan de oude spreuk: Oost, West thuis is het ook niet alles, besloten zij ook maar in Franse dienst een bescheiden fortuin te zoeken.

10 Rue François de Guise, 57000 Metz, Frankrijk, waar ook nu nog een rekruteringsdepot van het Franse Vreemdelingenlegioen is
Geteekend voor vijf jaar!
De vesting Metz is het centrum, waar men zich kan laten aanwerven voor dienstname in het Franse Vreemdelingen Legioen. De oud-sergeant met zijn vers gewonnen kameraden kwam daar al spoedig terecht, en onze beide Hollandsche jongens zetten er hun hand voor vijf jaar. Handgeld ontvingen zij nog niet dadelijk, dat zou eerst later komen, na den overtocht en een laatste geneeskundig onderzoek, in Oran. Wel werden zij er in uniform gestoken, en bij den troep ingelijfd, welker bestemming in eerste instantie de Zuid-Fransche havenstad Marseille was. Toen de afreis daarheen zou plaats hebben misten zij hun vriend van-een-oogenblik in de gelederen; had hij zich, al of niet met een aanbrengpremie, uit de voeten gemaakt?
Marseille, met zijn achtergrond van witte bergen heeft een fort, waarin de légionnaires logies kregen, in afwachting van hun overtocht.
Naar Oran.
Alle dingen hadden een normaal verloop, en zo kwam dan ook vanzelf de dag der inscheping. Eerste bestemming was de Noord-Afrikaanse havenstad Oran, waarheen het schip een dag en een nacht onderweg was. De légionnaires brachten die nacht door aan het dek, op de planken uitgestrekt onder hun deken. Men is immers geen jongejuffrouw en veel omslag kan er niet worden gemaakt.
Oran ligt volgens onzen zegsman laag aan de zee, en klimt geleidelijk omhoog tegen grijs-roode bergen. Het is een stad die er vrij Europeesch uitziet. Er bovenuit ligt ook hier het fort. Maar kans om veel van deze stad op te nemen was er niet, reeds dezelfde middag werd de troep, die een honderdtwintig man telde, (tweemaal per week komt er zulk een transport te Oran aan), op den trein gezet, en ging het het binnenland in, met bestemming naar Sidi Bel Abbes, een afstand van ongeveer anderhalf uur sporen. Sidi Bel Abbes is een stad met platte daken, en een Militair depot, waar men de vers aangekomenen in korten tijd voor hun nieuw beroep africht. Er is een Europese en een Arabische stad; de laatste biedt de inrichtingen van vermaak, welke den militair trekken, café’s en dergelijke gelegenheden. Het eerste wat de nieuw-aangekomenen wachtte was natuurlijk de „picifire” in den rug, de vaccinatie, welke door klimaat en omstandigheden vereist wordt. Meerdere patiënten beleven hier een onaangenamen tijd mee, een enkele komt er zelfs slecht mee weg. Vandaar, volgens onzen zegsman, dat de autoriteiten nog eventjes wachten met de uitkeering van het eerste handgeld. Eerst als de tweede keuring is doorstaan, aan het einde der eerste week, krijgt men, Zaterdagmorgens, zijn 250 franc, dat is ongeveer 25 gulden. Een lokaas van 25 gulden is niet groot, toch blijkbaar groot genoeg voor een aanzienlijke vangst van jonge mannen. Zoals bekend levert het Vreemdelingen Legioen een bonte staalkaart van rassen en volken: Duitsers, Engelsen. Zweden, Amerikanen’ enz. Maar het leeuwenaandeel krijgen toch de Duitsers.
Het africhten
In Sidi Bel Abbes wordt de nieuw-aangekomen troep afgericht. De sergeant-instructeurs, die hierbij dienst doen, zijn voor 60 pCt. van Duitse origine, vrijwel allen spreken Duits en Fransch. Maar Duits is onder de légionnalres vrij algemeen de voertaal. Als men een weekje in Sidi Bel Abbes heeft vertoefd, gaat het romantisch waas al aardig optrekken, en ontwaart men een werkelijkheid, die harde kanten vertoont.
‘s Morgens al in de vroegte trok men met zware bepakking het gebergte in.
Het kon dan nog zo koud zijn, dat je hand, die ter schouder de geweerriem vasthield, er letterlijk van verkleumde, en je er je adem moest inblazen, om hem te ontdooien. Maar overdag, als de zon hoog begon te klimmen, werd het stikkend heet, en de marsen tussen het bouwland en de eindeloze wijnbergen, waarin veel boeren uit Spanje een bestaan vinden, waren zeer afmattend, Het is dan ook niet te verwonderen, dat een zeer groot percentage manschappen er dan „tabak” van krijgt, en tracht er tussen uit te knijpen.
Desertie
Tegen dat het op die wijze enigszins minder plezierig begint te worden, is desertie dan ook aan de orde van den dag. Of de kans om weg te komen bijster groot is? Het Franse gouvernement geeft, aan elke Arabier, die een deserteur aanbrengt, een premie van 50 franc, wat voor hen een aardige som gelds is, zodat zij er als de kippen bij zijn. Als je nog recruut bent, en je wordt gevat, aldus onze zegsman, kost je dat een week of veertien dagen cachot, maar alleen ‘s nachts, overdag exerceer je met den troep. Ben je er al langer, dan moet je per dag acht uur straf lopen, vier uur vóór de soep en vier er na. Je krijgt dan een zak op je rug met een 30 á 40 K.G. stenen of zand, en dan sjouw je maar in de rondte in de provoost, en de wacht zorgt er dan wel voor, dat je geen ogenblik uitblaast.
lkzelf was ook van plan, er van tussen te gaan, met mijn maat, en van overgespaard geld van onze gage hadden we al het een en ander in voorraad, voor onderweg. Maar op ‘t laatste moment heeft ie het opgegeven, en toen ben ik ook maar gebleven. Het schijnt, dat vooral het optreden van vele onderofficieren, meest Duitsers, er toe bijdraagt, het leven er onplezierig te maken.
Over de Franse en Russische meerderen had onze man geen klagen gehad. Er waren heel wat Russische emigre’s bij de troep, lui van adel of die in het leger van de Tsaar als officier hadden gediend, maar ook nog typen waarvan je niet helemaal te weten kon komen, wat, ze waren.
Zo was er een jongeman. die met meer onderscheiding dan de anderen werd behandeld, en die later ook is afgezwaaid op een onregelmatige manier. Het gerucht wilde dat hij een niet-legitiem afstammeling van een der Europesche koningen was!
Naar Marokko!
Algiers is een land, waar niet veel meer te vechten valt, een enkele keer heeft erhier of daar een onregelmatigheid plaats, ; maar daar is het mee uit. Je doet er patrouille dienst, en hebt er geen zwaar werk. Maar Marokko, daar is het anders! Toen onze , troep in Sidi Bel Abbes na vier, maanden was afgericht ging het een tachtig kilometer sporens het land in, naar Oudja, waar, het normaal trein verkeer ophoudt en alleen nog maar smalspoor ligt, voor vrachtvervoer, bakken met hout en fourage, waar de militairen bovenop geklauterd mee wegrijden. Toen ik daar kwam was het nog de tijd van Abdel Krim. In het Rifgebied werd gevochten. Ik werd ingedeeld bij het vliegende bataljon, en met camions ging het naar het gevechtsterrein.
Het Rifgebied bestaat uit rotsen, en je vindt er planten met scherpe stekels, die het je lastig maken. Veldkeukens hadden we niet, de troep sjouwde zelf zijn menage mee. Behalve geweer, bajonet, schop en verdere uitrusting, en je handgranaten, droeg de een wat keukengerei, de andere koffie, vet, erwten of bonen., Het eten was zo over de hele troep ingedeeld, en moest maar zien, dat je ‘t gekookt kreeg. Het zoeken van water en brandstof waren de dingen, waarmee menigeen zijn eind vond. Je moest je natuurlijk verspreiden, en daar loerden de Arabieren op. Menigeen werd er zo door hen uit een hinderlaag in het halfdonker neergeknald.
In Marokko bestond het Legioen uit vier regimenten, elk bestaande uit vier bataljons.
Een bataljon had vier compagnieën, en elke compie bestond weer uit vier secties, waarbij er een met mitrailleurs was.
De normale sterkte van een sectie was dertig of veertig man, maar vaak kwam je met ongeveer de helft terug.

EEN MAROKKAANSCHE MOSKEE. Algiers en Marokko worden overwegend bewoond door Arabieren, belijders van den. Islam, Van den Moskeetoren (Minnaret) roept de Muezzin vijfmaal daags de geloovigen tot het gebed.