In dienst van het Vreemdelingen-legioen
Wat een zoeker naar arbeid wedervoer
EEN NACHTELIJKE ACTIE! WERK, DAT WEINIG BAAT GEEFT . . . . me)
De voormalige vrijwilliger bij het Franse Vreemdelingen Legioen, die ons dezer dagen een bezoek bracht om ons te verhalen van zijn wederwaardigheden tijdens een vijfjarig dienstverband, maakte tijdens den Abdel Krim-oorlog vele gevechten mede en werd ook verscheiden malen gewond.
Het is niet onze bedoeling om na den stroom van literatuur, welke na den Grooten Oorlog als een tweede golf van ellende over Europa is heengegaan, hier nog eens opnieuw bijzonderheden te geven van sensationele, of onmenselijke aard. Slechts een enkele episode uit den Marokkaanschen guerilla willen wij hier wat uitvoeriger verhalen, mede om in breeden kring te laten zien, wat er aan het handwerk van den avonturier-militair vast zit. Het kan voor anderen een tijdige waarschuwing wezen!
In den Grooten Atlas
De soldij van den légionnair bedraagt in Algerië den eersten tijd 25 centimes per dag, dat is in Hollandsch geld ongeveer 2 1/2 cent. In Marokko, waar de dienst zwaarder eischen stelt en menigmaal het doorstaan van levensgevaar en groote ontberingen vraagt, ontvangt men per dag 75 centimes, dat is 7 1/2 cent. Tijdens de campagnes wordt dit somtijds vermeerderd met tentengeld en gevechtsgeld, en stijgt dan tot ongeveer 2 francs, dat is 20 cent. Indien men dit voor oogen houdt krijgt wat hieronder volgt des te sterker relief!
In den Grooten Atlas, zoo vervolgde de Man in Manchester zijn bont relaas, hebben wij het op een keer lelijk te kwaad gehad. De Arabieren zijn hier grooter en forscher dan in andere streken, en zij verdedigen hun gebied met groote hardnekkigheid. Wie gewond of stervend op het veld achterblijft wacht een verschrikkelijk lot. De inlandsche vrouwen zijn ware furies, zoo spoedig zij in haar gevoelens gekrenkt zijn, en de oorlog welke Frankrijk voert tegen hun land, hun bezit en hun vrijheid maakt al hun hartstochten wakker. De soldaten die achterblijven worden op gruwelijke wijze verminkt, de ogen worden hun uitgestoken, en nog andere gruweldaden grijpen plaats (waarover stilzwijgen beter dan spreken is!)
Onze compie lag helemaal geisoleerd, ergens op de bergen. Het contact met onze andere troepenafdeelingen werd onderhouden door middel van vliegmachines. Die deden volgens onzen zegsman prachtig werk. De Fransche militaire vliegeniers toonden een bekwaamheid en een koelbloedigheid, die aan het wonderbaarlijke grensden.

Hadden zij een bericht bij zich, dan vlogen zij uiterst laag over den troep en lieten de mededelingen of instructies in de vesting vallen. Een hachelijke opdracht. Toen wij daar op onzen voorpost lagen, midden in vijandelijk land en dus uiterst op ons qui-vive, werd ons op deze manier een opdracht verstrekt van den volgenden aard: beneden ons lag een langgerekt, diep dal, hetwelk wij moesten intrekken. Temidden van akkers en bouwland vonden wij een verwoest Arabisch dorp, waar wij ons in een kamp verschansen moesten. Onze sergeant kreeg daar de opdracht om met een sectie verder te trekken, naar de andere zijde, waar de terreinmoeilijkheden het autorijden erg bemoeilijkten. Daar zouden wij een militaire transportauto aantreffen met bagage. Deze bagage moest op ezels worden overgeladen en in ons kamp gebracht.
De Man in Manchester en een kameraad werden aangewezen, om dit karweitje op te knappen, onder leiding van de sergeant in kwestie, en met dekking van een dertig man, allen tirailleurs. De tirailleurs, dit zij en passant opgemerkt, maken geen deel uit van het Legioen, doch vormen een aparte formatie. Zij zijn uitsluitend uit inlandsche troepen samengesteld. De tocht naar het punt waar men de camion zou treffen, werd zonder ontmoeting met den vijand afgelegd, al was de afstand grooter dan men geschat had. Zoo werd het zeer dubieus of men nog voor den donker in het eigen kamp zou kunnen terug zijn. De manschappen van de transportauto, die er blijkbaar niet op gebrand waren in deze gevaarlijke streek zich één minuut langer op te houden dan strikt noodzakelijk was, hadden hun vracht reeds afgeladen, zoodat dekens, tenten en andere bagage daar op een stapel op de ezels en hun geleiders lagen te wachten. Nauwelijks had dan ook de transportcolonne daarover de verantwoordelijkheid aanvaard, of zij gaven vol gas en verdwenen ijlings uit het gezicht. Het opladen der ezels duurde langer dan te voorzien was, en reeds vrij spoedig was het noodzakelijk, met het oog op de invallende duisternis, om den terugtocht met meer omzichtigheid dan tot nu toe te doen geschieden.
De sergeant die een man van ervaring was, wees twee tirailleurs aan, die als verkenners werden vooruitgeschoven. Op eenige distantie volgden er dan weer een vier of vijf, daarop volgden de bepakte ezels, links en rechts door tirailleurs geflankeerd, en door de beide légionnairen begeleid, terwijl het overblijfsel van de sectie den tocht sloot. Deze tirailleursformatie,die in de duisternis langzaam en onzichtbaar voor de anderen, voortschoof, diende dus als een soort voelhoorn, en moest zich op de hoofdgroep terugtrekken, zoodra er ook maar het geringste onraad te bespeuren viel. Contact met den vijand. Onze tirailleurs die regelmatig met hun voormannen voeling hielden, meldden na verloop van tijd, dat zij het contact met de beide vooruitgeschoven militairen kwijt waren, en onmiddellijk trokken toen de overigen op de hoofdgroep terug: er was iets niet in orde. Vermoedelijk waren onze voorste posten door de Arabieren verrast en onschadelijk gemaakt.
Op bevel van den sergeant werd die bagage die wij vervoerden afgeladen en over een groots ruimte verspreid, om geen houvast te geven.
De ezels werden op den grond gelegd met samengebonden poten, zodat zij het minste doelwit boden en ook niet bij een treffen in paniek weg konden galopperen, en wij zelf zochten in een wijden kring dekking achter rotsen en andere oneffenheden van het terrein. Wij hadden streng bevel niet te schieten, voor dat vuur gecommandeerd werd.
Het was een beklemmende afwachting in de duisternis, men voelde de nadering van het gevaar, ook al had men geen enkele duidelijke vingerwijzing, vanwaar het naderde. Eindelijk werd de spanning zóó ondragelijk, dat toen ik dicht in de nabijheid iets meende te bespeuren, mijn eerste schot losgedrukt werd eer ik het wist. Onmiddellijk knalde en kaatste het geweervuur van alle kant in de duisternis, er werd met hardnekkigheid gevochten. Eerst later bemerkte ik, dat een kogel mij langs de scheen was geschampt, door het bloed dat in mijn schoen stond. Een ander schot doorboorde mijn dij, toen kon ik niet veel meer uitrichten. Het was een ellendige nacht, die wij daar meemaak ten, bedreigd door een onzichtbaren dood. Wij verlangden naar den morgen, hoewel ,die misschien tevens ons laatste uur zou brengen. indien de vijand bemerkte hoe klein ons aantal was.
De morgen kwam en toonde ons menig op den grond uitgestrekt kameraad, die niet meer zou opstaan. Ook onze ezels waren dood. Wij hielden echter vol.
Toen kwamen de vliegtuigen over ons heen, heel laag, en bij hun zwenken over den vijand rikketikten ononderbroken de mitrailleurs. Maar ook de Arabieren hielden vast en waren niet uit hun schuilhoeken te jagen. Tegen den middag, eindelijk, kwam er uitredding. De spahi’s in hun rood-en-witte uniformen (dat zijn de befaamde keurtroepen te paard), kwamen aangestormd en ruimden het veld schoon.

Het gewonden-transport. Ik was tamelijk zwaar gewond, evenals verscheiden van de kameraden. Wij werden op draagbaren gebonden en met ezels weggevoerd. Een dag of twee zijn we zoo onderweg geweest, naar een veldlazaret. Dat was geen pretje. Ik ben niet lang in de krib gebleven, drie weken maar geloof ik, en ik was ten slotte blij, er weer uit te wezen.
Natuurlijk tref je onder die verpleegsters ook wel goede typen aan, maar de meesten, nou dat is niet veel. ‘t Is wel te begrijpen, wie in Frankrijk kan blijven, gaat niet naar Afrika. De légionnairen zijn gevreesd bij de inlandsche bevolking. In den regel worden eerst de inlandsche troepen in het vuur gezonden. Ik heb het meegemaakt dat wij ergens in afwachting lagen aan dien voet van een kegelvormigen berg, waar de Arabieren in holen en gaten weggekropen zaten en aan de onzen het Voortrukken betwistten. Onophoudelijk zagen wij de gewonden terugkomen uit den strijd, heele rijen. Wij zeiden al tegen elkander: daar gaat het heet toe. Eindelijk werden wij opgecommandeerd, en daar ging het er op los!
Maar nauwelijks verschenen onze bekende képi’s, met den neksluier, die je voor zonnesteken moet beschermen, op de flank van den berg, of het vuren werd al gestaakt. De Arabieren weten, dat de légionnaires nooit mogen terugtrekken uit een gevecht. Waar zij eenmaal in het vuur worden gebracht, daar is het bittere ernst, en wordt alles op alles gezet. Er werd geen kwartier gegeven.
Waar de Franschen binnentrekken, wordt door hen nooit het eerste schot afgegeven, maar als de bevolking zelf het vuur opent, dan gaat het er grimmig op los.
Naar Syrië
Toen ik in Marokko een anderhalf jaar campagne achter den rug had, werd ik naar Port-Said verscheept, en vandaar ging het per expresse naar Syrië. Hier zijn het de Druzen, die aan de Franschen voortdurend werk geven. Toen we daar aankwamen was de groote opstand van 24-25 natuurlijk al goed en -wel achter den rug, en was er niet veel anders te doen dan patrouille lopen, met nu en dan kleine straf-expedities tegen zwervende stammen.

De Druzen strijden te voet, of van kamelen en paarden. Het zijn taaie kerels, die van een stuk of wat vijgen en wat eigenbakken brood dagenlang kunnen leven. Die broden zijn plat en rond en heeten „kesrah”. Het gevaarlijke van deze lui is dat hun kleding ze vaak zoo goed maskeert, dat ze haast niet tegen de omgeving afsteken. Zij zijn nog bewapend met lange Arabische geweren, waarmee wij niet overweg zouden kunnen, doch het zijn uitstekende schutters. Zij richten meest op voorhoofd of buik, en hun kogels maken wonden, waar je of dadelijk van dood blijft, of die zoo goed als niet te genezen zijn. Een schouderwond.
Toen ik na verloop van tijd weer terug kwam in Marokko, ben ik daar bij een gevecht in den Grooten Atlas opnieuw gewond, nu in mijn linker schouder. Ik heb er langen tijd aan gelegen, en nu is mijn arm niet meer te gebruiken, ik heb er geen macht meer in.
Toch was het nog niet makkelijk, om afgekeurd te worden. Ook met mijn lamme arm hadden ze nog wel werk voor me, in de depots en zoo. Na veel vijven en zessen, met rekwesten en zoo, ben ik eindelijk los gekomen.
Mijn contract was toen ook op een oor na gevild.
In Oran word je weer zoo’n beetje in de burgerkleeren gestoken, al is het er een pakje na, en met de boot kom je terug in Marseille.
Daar krijg je nog zestien franc, zegge zestien franc (een gulden zestig!) en gratis vervoer tot aan de Belgische grens. Dan moet je maar zien, dat je verder komt.
En dan?
Onze man zag er nog flink uit, ondanks zijn vijf jaar bij het Legioen, een flinke sterke kerel zou je zeggen, die wat gezien heeft, en wat presteren kan. Maar hij heeft een arm, die onbruikbaar is geworden, en een korporaalspensioen van drie harde guldens waarvan een volwassen mensch zich moeilijk in het leven houden kan. Hij klaagde niet, hij zal wel lang aan de weet zijn gekomen dat klagen weinig baat geeft in een tijd, dat de ellende van werkloosheid en het gebrek in brede kringen voortwoekeren
Wij vroegen hem, wat hij nu ging beginnen? Hij zou het maar eens met een beetje negotie proberen, iets moest er in elk geval worden gedaan. Drie guldens pensioen en invalide voor het leven, het is wel een triest slot van een avontuur, dat met zoveel durf werd aangepakt.
En toch brengt elke week de boot van Marseille weder haar verse aanvoer in de haven van Oran, waar Frankrijk civilisatie-arbeid verricht. Men ontmoet vreemde tegenstellingen, vooral in dezen tijd, die de verhoudingen zozeer heeft verscherpt!
De nood dringt vaak tot dingen, die men anders niet doet.
Doch men bedenke zich tweemaal eer men Metz kiest als uitgangspunt voor een nieuwe carrière!