Het Fransche Vreemdelingen-legioen II.
Beschreven door een Fries.
Het legioen is een armee, georganiseerd en geleid, zoals in Frankrijk, en bestaat voor 90% uit niet Franschen. Er zijn in totaal 6 regimenten Etranger; elk regiment telt 3 bataillons, terwijl ieder bataillon samengesteld is uit 4 compagnies van ieder 175 man.
De totaalsterkte aan legionnaires is dus ongeveer twaalf en een half mille. Om de verhouding in nationaliteit weer te geven, kan ik U hierbij een staatje overleggen van wat zich in 1930 liet engageren:
307 Duitsers,
181 Belgen,
137 Zwitsers,
91 Italianen,
60 Oostenrijkers,
59 Spanjaarden
11 Nederlanders,
10 Hongaren.
9 Russen
7 Marokkanen
4 Amerikanen
3 Turken
2 Engelsen en
2 Polen.
Noorwegen, Zweden, Denemarken, Tsjecho-Slowakije en Portugal ontbreken, terwijl de Fransen zich als van Belgische nationaliteit inschrijven. U bemerkt, dat Duitsland bovenaan staat, en de Duitse taal is dan ook wel sterk overheersend het legioen.
Romantiek en avontuur
Het is, nu Marokko geheel tot rust is gekomen (althans uiterlijk), lang niet meer dat romantische en avontuurlijke leven als voorheen. Door de legionnaires wordt ieder jaar de 30ste April nog als een grote feestdag gevierd, en wel om het feit dat op deze dag in 1863 te Camerone (Mexico) een geweldige heldenmoed aan den dag ls gelegd Een post met een bezetting van 62 man zag zich omringd door 300 Mexicanen. Een tot hen gericht verzoek om zich over te geven, werd van de hand gewezen. Het gevecht duurde meer dan 10 uren, en bij het einde van de strijd bleken 300 vijanden gedood te zijn, van de legionnaires waren nog 19 in leven.
Wèl hebben we nu nog eens wat opwinding, wanneer we in de blêd zijn, met slangen waarvan ik zelf ook wel het nodige heb ondervonden, en ook ben ik meerdere gestoken door schorpioenen. In September vorig jaar, toen we van travaux de piste naar Taza terugkeerden, stortte een zwaarbeladen wagen, bespannen met drie muilezels, in een ravijn van 60 meter diepte. Dat zijn dingen waar wel over gesproken, maar waarvan toch geen noemenswaardige ophef gemaakt wordt. Op marsch schijnen de jongens wat ongevoeliger voor indrukken dan gewoon.
Als soldij heeft ieder soldaat 1 franc per dag, maar na twee jaren dienst krijgt hij elke dag 2 franc toeslag. De soldij is ten laste van Frankrijk, maar de toeslag betaalt Marokko, dus in dit geval de Sultan. Men weet toch, dat Marokko onder protectoraat staat van Frankrijk. Na 3 en 5 jaren service zijn deze bedragen resp. 5 en 7 franc.
Als premie ontvangt men 1500 francs, waarvan de helft bij aankomst in Sidi-Bel-Abbes na het laatste médicale onderzoek wordt uitgekeerd, en het overige verdeeld over de 12 maanden daaropvolgend.
Iets over de bevolking
Marokko is het land der grote contrasten, en een ieder interesseert zich voor de vraag omtrent het leven der bevolking, en dat der vrouwen in het bijzonder. Men dient vóór alles onderscheid te maken tussen hen die in de stad wonen en de vele duizenden die tot de trekkende stammen behoren. Men kent deze Arabische vrouwen onmiddellijk aan haar kleding en haar gehele manier van optreden. Men heeft het gevoel, als waren er duizend jaren spoorloos aan haar voorbij gegaan, als had de tijd voor haar stilgestaan. Niets, maar dan ook niets heeft zich in dit lange tijdsbestek aan deze vrouwen gewijzigd, die met haar families van dorp tot dorp trekken, in primitieve tenten huizen, en haar eten ook thans nog op een vuur, aangehouden door droge kamelenmest, koken.

Deze vrouwen, die feitelijk bijzonder energiek zijn, omdat op haar schouders alle arbeidslast rust, leven als slavinnen. Haar kleding is nog altijd dezelfde — reeds honderden jaren draagt men ze — een lange losse jak uit zelf geweven grove stof die tot aan haar knieën valt en daaronder een wijde broek, reikend tot aan de voeten. Voor ‘t meerendeel ziet men de gezichten ongesluierd. Aan de voeten dragen zij ofwel sandalen, ofwel ze zijn blootsvoets, doch zonder uitzondering sieren zij zich met ringen en kettingen…. al zijn ze ook slechts gemaakt van ijzerdraad. Sierselen zijn voor haar de hoofdzaak, kleren een noodzakelijk kwaad.
Zwaar, zeer zwaar is het leven dezer vrouwen. Het ergste is evenwel dat zij zich nooit kunnen beroepen op het feit, dat zij de enige echtgenote van een man zijn. De Arabieren „komen niet uit” niet één vrouw. Economische nood dwingt hen tot veelwijverij. Vier vrouwen is geoorloofd. Zo trekken zij door het land; de vrouwen dienen voor herderinnen, malen het koren voor brood, weven de kleren voor man en kinderen, naaien de tenten, verzorgen het vee, en halen in aarden kruiken het benodigde water. Op reis zet de man zich op de ezel, en de vrouw komt wel.
Als het Arabische meisje 14 à 16 jaar oud is, wordt zij uitgehuwelijkt. Aan de vader wordt een koopsom betaald; wel is het koophuwelijk door de overheid verboden, doch een oeroude traditie laat zch niet gemakkelijk uitroeien.
De vrouw is mooi zolang zij jong is, doch nauwelijks heeft zij haar twintigste verjaardag gevierd, of haar vrouwelijk schoon verdwijnt. Dat doen ‘t zware leven en ploeteren, die alle schoonheid van het meisje afnemen. De zware lichamelijke arbeid, en het vele kinderen krijgen — twintig kinderen is geen zeldzaamheid — ondermijnen de gezondheid der vrouwen. Het gebruik van stoelen, tafels en bedden is geheel vreemd bij deze mensen, en dus is het niet het legioens leven wat voor een hel op aarde aangezien mag worden, doch het leven van hen, hierboven beschreven, hetwelk ik getracht heb van zo nabij mogelijk te leren kennen.

Als we in de „blêd” waren, ging ik meermalen kijken naar het dorsen van de oogst, ‘t welk gebeurt op een zeer primitieve manier. In een cirkel ligt het koren uitgespreid en daarop loopt een juk ossen of muilezels rond, om met de poten de korrel uit de bolster te trappen. Dan begint tegen de avond als de avondwind opsteekt, het wannen. Het gedorste koren wordt dan in de lucht geworpen, en dan waait de wind het kaf weg en het gezuiverde koren valt op de grond terug.
Het gedeelte dat zich gevestigd heeft in steden en dorpen, leeft bijna zonder uitzondering van handel. Ze verkopen hun nering in ruimten niet groter dan enkele vierkante meters, maar die dan ook stikvol zitten met waren van de meest uiteenlopende soort en dat artikelen als zeep en margarine broederlijk naast elkaar staan, is niets vreemd . Je ontmoet slechts enkele betere epiceries (kruidenierszaken) en waarvan de eigenaar een blanke is.
Heel opmerkelijk is, dat de buitenlandse markt sterk vertegenwoordigd is in Marokko, en dat komt door de voorkeur die buitenlandse producten wordt gegeven. Het zijn vooroordelen der clientèle (misschien wel zeer gegrond) maar Frankrijk is hier allerminst mee ingenomen.
Zijn aandeel is ontoereikend, het denkt aan zijn eigen economische belangen, en reeds heeft een bestuur onderzoek ingesteld naar die toestand. Men heeft reeds vastgesteld, dat buitenlandse dat sommige bedrijven, dankzij navorsingen ter plaatse, beter de plaatselijke behoeften kennen.
Die bedrijven leveren hun producten in verzorgde verpakkingen en maken ook een doeltreffende publiciteit. Die firma’s boezemen de koopers vertrouwen in en bekleeden reeds geruime tijd een bevoorrechte plaats op de Afrikaansche markt. Nu streeft de Fransche regeering naar een uitbreiding zijner artikelen in zijn koloniën, en Maroc-vennootschappen die een gedeelte van hun aankoop in Frankrijk moeten doen, zijn periodiek en officieel aan een controle op hun materiaal en hun koopwaren onderworpen.

Frisian Flag Brand
Holland exporteert buiten poederchocola, margarine, zuurkool, kaas, een belangrijk kwantum melk en dit laatste komt uit Leeuwarden van de Condensfabriek aan de Emmakade.
(Wordt vervolgd.)
Gepubliceerd
[ Leeuwarder nieuwsblad : goedkoop advertentieblad 15-04-1938 ]
[ Nieuwsblad van Friesland : Hepkema’s courant 20-04-1938 ]