1938 Het Fransche Vreemdelingen-legioen III. Beschreven door een Fries.

Mijn eerste kennismaking met het legioen

L’hôtel militaire des Bleuets situé Place aux Bleuets, Lille

Ik zal u nu vertellen gaan van mijn moeilijkste tijd als legionnaire, en dat zijn n.l. die zes maanden geweest voordat we naar Marokko gezonden werden. In Ryssel, Place de Bluets [Place aux Bleuets], ondergebracht in een oude kazerne met een grote vuile binnenplaats, waarvan de begrenzende gevels misschien nooit de weelde eener verfbedekking gekend hebben, bevindt zich het aanwervingsbureau van het vreemdelingenlegioen.
Aan de poort van de tunnelvormige ingang zijn grote biljetten aangebracht, die de één begerig doen opkijken naar de verlokkende premiën en soldijen, en den ander naar de schone uniformen.
Het was in de gure maand Maart dat ik gedreven door (?) doch in alle geval ook viel avontuurlijke bevlieging, in de zwaar gewelfde gang trad, om me in het zo geduchte vreemdelingenlegioen te laten inlijven. In een grote kamer, met een tussendeur verbonden aan een bureau, was een sergeant die me beduidde te gaan zitten en te wachten.

L’hôtel militaire des Bleuets, Cour

Ik kreeg een vaag gevoel, zoals het arme muisje moet gewaar worden, wanneer het, aangelokt door het geurige spek, de indrukwekkende staven van de muizenval beschouwt, alvorens zich er in te wagen. Ik doodde de tijd door te kijken naar de kasten aan de wand, met hun vakken vol paperassen, en ik was al bijna vertrouwd met het idee, dat weldra van mijn persoon niet veel over zou blijven dan een kaart met naam en nummer, toen de dokter verscheen.
De capitaine-dokter was een vriendelijke, zachte en voorkomende man, die me de wenk gaf dat het nog tijd was om terug te keren, want dat men niet voor z’n plezier naar het legioen moest komen. Als een echte Friesche stijfkop schudde ik mijn hoofd, en toen ik even later met een „geschikt voor de dienst” op het bureau verscheen, werden er korte metten gemaakt.
Er waren buiten mij nog vier andere volontaires, waarvan één wegens spataderen werd afgekeurd. Nadat men ons onze papieren overhandigd had, werden wij naar een ander gebouw verwezen, alwaar wij de laatste formaliteiten te vervullen hadden. Veel vragen werden ons hier niet gesteld, nog minder uitleg gegeven, maar wel legde men ons papieren voor om te tekenen. echter niet alvorens ik een Hollandsche verklaring gelezen had, wat de inhoud betrof. Na ondertekend te hebben was ik van één ding zeker, n.l. dat elke terugtrekking thans als deserteren werd beschouwd.

Caserne Toul, poort naar depot Legion Etrangere

Naar Toul

Nadat we dus tot het edele beroep van legionnaire waardig bevonden waren, kregen we bevel ons naar Toul te begeven, en daartoe de eerste trein te nemen. Deze plaats ligt aan de oostgrens van Frankrijk, en is het groepeeringscentrum van het legioen. Des avonds 9 uur gingen wij vertrekken, en toen wij des morgens, na een ééntonige en vervelende reis, half geradbraakt en verstijfd door de koude van de nacht te Toul aankwamen, stond daar reeds een sergeant te wachten, die ons, tegelijk met andere aankomenden uit andere plaatsen waar aanwervingsbureaus zijn, dadelijk binnen palmde, en in soldatenpas naar de kazerne bracht. Hier werden wij vergast op brood en koffie, en na dit onthaal werden wij door een sergeant, die erg brul deed, doch later een heel goede bleek te zijn, gefouilleerd en al onze papieren werden ons afgenomen.
Na enige dagen zijn ons deze weer ter hand gesteld. In de middag hebben wij onze burgerkleren tegen een uniform verwisseld. Wij waren zo ongeveer met een vijftigtal tezamen in Toul, alwaar we acht dagen verblijf hielden en die we doorbrachten met voet- en korfbalspelen, hardlopen enz. De laatste dag dat we in Toul waren, kreeg ik van een sergeant, in ruil voor een pyama die ik nog bij mij had, een rijbroek en stond er dus „netjes” op. Omdat ik nog nooit in het leger geweest was heb ik hier voor ‘t eerst kunnen meemaken wat klaroengeschal betekent. Terwijl ik me nog goed en wel in dromenland bevond, dat was om 5 uur, werd ik door dit signaal tot de werkelijkheid teruggevoerd. Het vroege opstaan in ‘t civiel was me steeds een zware inspanning geweest, ja als ik soms vroeg moest opstaan, bleef ik voor de zekerheid maar de gehele nacht wakker, maar zie, hoe het kwam weet ik niet, maar hier sprong ik uit de veren, alsof ik het al jaren gewoon was geweest. Wat de krijgstucht al teweeg brengen kan!

Van Toul herinner ik mij dat we nog tweemaal gekeurd zijn geworden, dat we kennis hebben gemaakt met de kapper (die ons rapper kaal geschoren heeft, dan dat ze bij ons om de hoek doen), een bezoek bij den fotograaf, en ten slotte het onderhoud met den kapitein, die aan ieder enkele vragen stelt, bijv. het motief waarom men zich hier bevindt en ofschoon ik hem zeide dat ik geen werk had, hoorde ik hem mompelen, met de ogen gericht op mijn portefeuille met foto’s: „Un histoire de l’amour.”

Naar Marseille

Eindelijk, ‘s morgens 9 uur, reisden we af naar Marseille en het is overbodig te zeggen dat dit een plezierreisje was, want men liegt niet als men spreekt van „la belle France”: wouden, velden en weiden in rood, bruin en groen, omgeven door prachtige woeste vlakten, heuvels en rotsgroepen, doorsneden met fiere stromen en kronkelende watertjes. Ik had mij een goed plaatsje verzekerd in de trein, en was in volle bewondering voor al die mooie taferelen, die zich voor mijn ogen ontrolden.

Om 6 uur waren we in Lyon, en even daarna, daar dondert ons de Oriënt-Express voorbij, op weg naar de lichtstad, Paris. Eten was voldoende meegenomen, brood met bussen comestibles als leverpastei, corned-beef, sardines en verder een flink kwantum wijn benevens koffie.
Wij arriveerden ‘s avonds om 10 uur in Marseille, en waren hiermee in de interessantste, maar wellicht ook de goorste stad van geheel Europa, de stad waar Koning Alexander van Joego-Slavië op zo lafhartige wijze is vermoord.

Marseille Fort St Jean, ingang

Het legioen is gevestigd in het geweldige fort St.-Jean, een middeleeuwse vesting met indrukwekkende hoge muren, geheel en al omringd door water, met als enige toegang een ophaalbrug.
De drie dagen dat we hier waren, voerden we niets uit, en verdeelden de tijd door in de bibliotheek in de bladen te snuffelen, en met het naar de zee turen. Ik was in die dagen, omdat ieder zo afschuwelijk sprak over ons toekomstig leven, zo apathisch, dat ik de jongens heb doen griezelen door over die hoge muur te lopen. Het deerde mij niet, te weten dat 20 meter dieper de zee tegen de rotsen klotste, maar thans, met het er aan terug denken, huiver ik. In een weemoedige stemming heb ik in die muur nog een naam in een hartsfiguur gebeiteld, als laatste herinnering aan Europa. Deze sentimentaliteit is nu voorbij. Het gevoelsen gedachtenleven van een vrouw kan vervuld zijn en blijven van een man. Een man echter wordt opgeëist door zijn werk; en al gelukt het ons niet om ondervonden liefde geheel te verbannen, toch neemt ze op ‘t laatst niet meer zo’n voorname plaats in.
In Marseille nogmaals een medisch onderzoek en voor hen die „apte” waren, was er gelegenheid om de burgerkleren, die wij vanuit Toul meegenomen hadden, te verkopen. Zelfs horloge en ring heb ik van de hand gedaan; slechts een portemonnaie met inscriptie Morrema-Leeuwarden [ destijds bekende lederwarenzaak in Leeuwarden ] en een sigaretten-etui met de daaraan verbonden herinneringen is alles wat ik meegenomen heb over de blauwe Middellandse Zee.

Naar de koloniën


Het vertrek naar de koloniën was dus bekend en was bepaald op Zaterdag. Des avonds 5 uur gingen wij scheep; aan boord van de „Sidi-Bel-Abbes.” met Oran als bestemming. Toen we de haven uitliepen, ging juist de zon onder in de Middellandse Zee, een prachtig schouwspel.
Om 8 uur goed en warm eten aan boord, terwijl naderhand een Italiaanse zanger ons op liedjes vergastte. Zondagmorgen was ik reeds om 6 uur aan dek en kon nog juist het opkomen der zon gadeslaan.
Om 12 uur voeren wij de Balearen voorbij. Dat deze eilanden nogal behoorlijk groot zijn, blijkt wijl we ongeveer 2 uren het gezicht op de kusten hadden. Hierna was het weer enkel zon, lucht en water. Toen we ‘s Maandagsmorgens aan dek verschenen, speelde een aangenaam windje ons om de lokken. (Dit laatste in figuurlijke zin, want ik heb U toch verteld, dat we in Toul gekortwiekt zijn.) Om 6 uur kregen wij kust in zicht en merkten grote vissen in het water op, die waarschijnlijk daufhins (dolfijnen) zijn geweest.
Het binnenkomen te Oran was een onvergetelijk gezicht, op dat moment goot juist de zon haar eerste stralen over de stad, met zijn grote prachtige gebouwen trapsgewijze tegen en op de rotsen gebouwd, uit. In de haven vele en groote zeestoomers, en ook zag ik op de wal twee van die vertrouwelijke Shell-pompen.
Na de gewone formaliteiten liepen wij een uur lang zig-zag maar steeds klimmende door Oran, en kwamen aan een gebouw, hetwelk mij aan een herstellingsoord deed denken. In één der zalen is een enorm groote wandschildering aangebracht, met als onderteekening „Swart-Delft.”
Tot ‘s avonds 5 uur zijn we hier gebleven en toen ging het naar het station om in te stijgen voor Sidi-Bel-Abbes, wat een reis was van drie uren. Het ging door hei-groene vlakten en bouwgrond met lange lijnrechte voren. Aan het gewas te zien worden hier veel aardappelen verbouwd, en meerdere malen zagen we vruchtbomen in bloei. Éénmaal kruiste een brede rijweg, waarop zich een auto voortspoedde, die wolken stof achter zich liet, de spoorlijn.

( Wordt vervolgd )

Gepubliceerd

[ Leeuwarder nieuwsblad : goedkoop advertentieblad 16-04-1938 ]
[ Nieuwsblad van Friesland : Hepkema’s courant 02-05-1938 ]

© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over