1938 Het Fransche Vreemdelingenlegioen IV. (Slot.) Beschreven door een Fries.

Sidi Bel Abbes

Sidi Bel Abbes

In Sidi-Bel-Abbes zijn vele en geweldig grote militaire gebouwen. De eerste dag hebben ze ons aan het trappen-boenen gezet, zalen zwabberen en open ruimten met water besproeien, om het stof tegen te gaan, en tevens hadden we gelegenheid een douche te nemen. Ook hier nogmaals een medisch onderzoek en een piqûre (inenting), dienende tegen tropische ziekten.

Saida

Na een week gingen we Sidi-Bel-Abbes verwisselen voor Saida, een treinreis van 7 uren, om aldaar bekwaam te worden gemaakt voor soldaat. In deze plaats zijn we opgeleid. Oefeningen, manoeuvres en lange marsenen waren aan de orde van den dag, maar wat het minder aangenaam maakte, is de grond die bezaaid is met stenen. Je krijgt ‘t idee dat ze opzettelijk voor ons zijn neergestrooid.
Ik wil U maar niet verhalen van de vermoeienissen die we hier geleden hebben met marsenen van 35 tot 40 km., van pijnlijke voeten en van de verschrikkelijke hitte, doch wil alleen zeggen dat juist deze twee dingen: manoeuvres en de daarmee gepaard gaande marschen, het zwaarste zijn in ons bestaan.

Op marsch worden we steeds begeleid door Arabieren, die hun handel, bestaande uit limonade, sinaasappelen, eieren en chocolade, meevoeren op ezels. Is de kameel het schip van de woestijn, de ezel mag men gerust de lastdragende steenbok noemen, want het is raadselachtig en verwonderlijk wat een ezel kan presteren wanneer hij iemand of iets over een oneffen, rotsachtige weg moet voeren en hoe weinig hij daarbij voor zich zelf eist.

De eerste maal dat we theorie hadden, zou de sergeant spreken over „armement.” Ik dacht dat hij sentimenteel begon te worden, omdat ik verstond, en ook reeds in mijn cahier geschreven had arme man, maar het werd me al gauw duidelijk dat het geweer hiermee bedoeld werd.
Zo heb ik meer van die vergissingen gemaakt, b.v. wanneer ik het woord Moeder op z’n Friesch hoorde zeggen, n.l. mem. Doch de Franschman bedoelt hier iets geheel anders mee en schrijft het als même (zelfde).

In een persoonlijke wedstrijd met het gooien van handgranaten viel mij de eerste prijs ten deel, en dat mijn arm tot een dergelijke prestatie in staat was geloof ik te danken te hebben aan mijn schooljaren, wanneer wij meermalen met steentjes naar het vierkant van de dorpstoren gooiden, en mijn latere voorliefde voor de kaatsport.

De stad Saida is niet groot, maar geeft een zindelijke aanblik met zijn geasfalteerde straten en winkels met goed verzorgde étalages. De verkoopgelegenheden der Arabieren zijn primitiever, en ‘s middags maken deze lieden hun siësta op de toonbank.
Een rij taxi’s heeft een plaats op een pleintje, en ofschoon deze het niet zoo druk hebben als bijvoorbeeld de Blokband in Amsterdam, toch hebben ze geregeld een vrachtje. De bioscoop heeft veel gelijkenis met de „Friso” op de Nieuwestad vóór de restauratie. Wereld-Journal heeft mij hier de aankomst van het Belgische koningspaar aan de Brusselsche tentoonstelling laten zien en momenten uit het groote festijn van ‘t Engelsche koningspaar ter gelegenheid van hun zilveren jubileum [ 1935 Koning George V en koningin Mary]

Rondom Saida bergen en nog eens bergen, en hier en daar hutwoningen der Arabieren, die enige gelijkenis hebben met de plaghutten zoals men ze in Frieslands Oosthoek nog ziet, en verder veel cactussen van geweldige afmetingen.

Mijn lichamelijke constitutie was (en is nog) in Saida steeds goed in orde geweest; van mijn voeten heeft een Rode Kruis-soldaat gezegd dat het kameelpoten zijn, omdat ik, in tegenstelling met de anderen, weinig last van blaren heb gehad, en nadat ik dus met goed gevolg de instructie-periode doorlopen was, nam hiermede mijn verblijf in Algerije een einde.

In Augustus zijn we vertrokken naar Marokko, waar men een „séjour” moet doormaken voor de tijd van drie jaren. Na dit tijdsverloop kan men of prolongeren voor hier te blijven, of men gaat naar Algerië terug.

Fez

Dus zaten we weer in de trein, en ik gevoelde me precies een schooljongen die met de klas een reisje maakt, doch het ging niet naar Hattem, doch naar Fez. We kwamen voorbij de plek waar ongeveer vier jaar geleden een trein uit de rails is gelopen, gekanteld en vele legionnaires de dood von den.
Een gedenknaald wijst deze plaats aan.

Het ging niet in één ruk naar Fez, want daarvoor was de afstand te groot, doch we hebben overnacht in Oujda, een tamelijk grote stad, precies op de grens Algerië—Marokko. Des anderen daags hadden we een treinreis van 14 uren voor de boeg, en kwamen door vele tunnels, waarvan de langste zeker 5 km. bedroeg. Met muziek zijn we afgehaald geworden, en toen we door de stad marcheerden hadden we even gelegenheid een indruk van Fez op te doen Deze plaats geeft met zijn brede straten, trottoirs en moderne winkelpanden een echt Europeesch karakter, ofschoon de huizen en gebouwen geheel in ‘t wit zijn opgetrokken.

10de Compagnie

De dag na onze aankomst vernam ik, ingedeeld te zijn in de 10de Compagnie die op dat ogenblik in Ksar es Souk en dat we na enige dagen daarheen zouden vertrekken. Zodoende heb ik van Fez niet vele herinneringen.

Een autobus heeft ons, 25 man, onder wie een Belg die uitstekend Hollandsch sprak, omdat hij in de oorlogsjaren geïnterneerd is geweest in Harderwijk en Gaasterland, vervoerd naar Ksar es Souk. Van Fez naar laatstgenoemde plaats gaat het steeds over en langs bergen; bergen met sneeuw bedekt. Gij zult zelf reeds uitgemaakt hebben, dat we hier in de Hooge-Atlas zijn. Als we dan eindelijk 400 km. achter de rug hebben (in Middelt is overnacht) komen we aan een open vlakte, kilometers ver. Het is de poort van de Sahara. Nog een half uurtje rijdens, en daar ligt Ksar es Souk, dezelfde plaats vanwaar ik u mijn wederwaardigheden vertel.
Het is hier dóorloopend mooi weer maar daarom behoeft het klimaat nog niet gezond te zijn, ja ik twijfel er aan of dit wel het geval is, en geloof dat landen met normale jaargetijden te verkiezen zijn boven tropische streken.
Vooral de sirocco’s zijn een ware plaag, dat zijn zandstormen die huizenhoog het zand opvoeren en waarbij je geen hand voor de ogen kunt zien. Er is in de nabijheid een grote palmerie met dadel-, vijgen- en perzikbomen, waar veel geschud en gegeten wordt. Onze werkzaamheden bestonden uit het behulpzaam zijn bij het bouwen ener kazerne. Nadat ik lang verstoken was geweest van nieuws uit Holland, ontving ik hier een verrassing in de vorm van een mij toegezonden Leeuwarder Nieuwsblad, en dat kwam dóór het volgende, waartoe ik even citeer ‘t geen in dat blad de dato 24 December 1935 is opgenomen.

Uit het Fransche Vreemdelingenlegioen

Het handelsmerk van de Friesche Zuivelindustrie heeft zich een plaats veroverd onder alle landen en volken. Toen dezer dagen een Palestina-vaarder (die Friesch vee naar de Joodsche kolonies had overgebracht) langs de Middellandsche zee voer, werd hij getroffen door het feit dat op de Grieksche boot gecondenseerde melk gebruikt werd die als merkteken de Friesche vlag voerde, het handelsmerk van de Coöp. Condensfabriek Friesland. Thans ontvingen we een nieuwe bevestiging van de waarheid, dat er bijna geen oord te vinden is, waar „de Friesche vlag” niet bekend is.
Er is een Fries in het Fransche Vreemdelingenlegioen en hij kreeg daar in de verte een groet van het vaderland, een groet van de Friesche vlag. ‘t Bracht hem er toe om te gaan denken aan ‘t land zijner geboorte en aan zijn jonge jaren, en ‘t eind van zijn gepeinzen was dat hij „de j.en opnam om u enige letteren te schrijven.” Die u was m dit geval de directie van de Coöp. Condensfabriek „Friesland” die ons welwillend inzage gaf van de brief. „Ik had laatst kiespijn”, zo schrijft de soldaat, „en kreeg toen, inplaats van de gewone portie vleesch, melk toegewezen. Welk een verrassing, toen ik bij het bekijken van het etiket van de bus melk bemerkte, dat dit product uit mijn vaderland afkomstig was, uit mijn provincie.
Ik ben geboortig uit een dorpje dat een uur gaans van Leeuwarden is gelegen. De zuivelfabriek daar stuurde meermalen melk naar de Coöp. Condensfabriek „Friesland” te Leeuwarden en dus kan het zijn, dat ik hier melk drink van vee uit mijn eigen dorp. Levendig zie ik voor mij het bedrijvige boerenleven, de groene weiden, ik ruik het geurige hooi en denk: „Fryslan boppe”.
Ik herinner mij die fabriek aan de Emmakade, bij het kanaal met zijn rij bomen ter weerszijden, nog zeer goed. Door daar achter langs te fietsen neb ik eens een bonnetje opgelopen.” De schrijver vertelt in zijn brief dan nog een enkele bijzonderheid uit het leven van den legionnair, waar het, volgens hem, heusch wel uit te houden is. Maar toch, een enkele keer, zoo tegen Kerstmis en Nieuwjaar, denkt men daar in de Sahara met lichte weemoed terug aan zijn geboortedorp in Friesland. De herinnering kent geen afstanden.

In October vertrok ons bataljon naar Taza, waartoe een 25-tal camions nodig was. In deze plaats heb ik mij goed in het zadel gezet; na allerlei baantjes te hebben gehad als ordonnans, garde-refectoire etc. werd ik benoemd als bibliothécaire in de „Cercle des Officiers”, en vooral hieraan heb ik mijn galons als eerste klas te danken. Zelfs binnen de daarvoor oorspronkelijk bepaalde tijd.


3eme Regiment Etranger d’lnfanterie
Décision du 24 Février 1937.
Nominations.
Par application des articles 35 et 36 du decret du 1e Avril 1933 portant reglement sur le service dans l’Armée (Discipline Génerale) Ie Colonel Mantoz, Commandant Ie 3e Regiment Etranger.
Nommé a la date du 1er mars 1937 au grade de 1o classe Ie légionnaire Waander Matricule 6963.

Daarna hebben ze mij op het bataillonsbureau te werk gesteld en ben ik daar sinds dien gedurig gebleven. Vanuit Taza heb ik nog eenmaal een groote manoeuvre meegemaakt in Boulhaut [Camp Boulhaut] , ongeveer 50 km. ten oosten van Casablanca. Daardoor zijn we nogmaals in Fez geweest, en hebben Meknes en Rabat (woonplaats van den Sultan) gezien. Laatstgenoemde plaats ligt aan de Atlantische Oceaan, de zee die Marokko met Holland verbindt en natuurlijk gingen hier mijn gedachten weer even naar thuis. De heenreis geschiedde per camion terwijl de terugreis per trein ging via Port-Lyauthy en Petit-Jean, in welker omgeving uitgestrekte bosschen met kurkbomen te vinden zijn.

“Kaartje met plaatsen waarvan in dit verhaal sprake is”

Thans zijn we weer in Ksar es Souk en daarmede aan het einde van mijn verhaal. Ik weet niet of de lezers en lezeressen voldaan zijn, maar van één ding ben ik zeker n.l. dat ze misschien gaarne wat over opwindende gebeurtenissen luidden gelezen. Ofschoon ze natuurlijk wel voorvallen, wil ik mij daarvan maar ontslaan want zoo licht gaat men de werkelijkheid iets overdrijven. Ook andere onderwerpen, als mooi natuurschoon, waarvan je in overvloed vindt ‘n Marokko, zijn de moeite waard om beschreven te worden, doch om dit naar juistheid te doen, daarvoor is een vaardiger hand dan de mijne nodig.

Vanuit het bureau heb ik het gezicht over een grote dorre vlakte. Daarginds aan de horizon zijn eenige stippen waar te nemen. Ik weet wat het is: het zijn kamelen met hun begeleiders, want morgen is het markt. Thans, eind Maart, is het hier reeds zeer warm, doch niet hinderlijk. Ik ben geheel aan de Aïnkaansche zon gewend geraakt, en mag ik volgens menschelijk inzicht door legionnaire te zijn aan aanzien verloren hebben, toch heeft die zon mij een soort voornaamheid gegeven, want ik ben zo onderhand aardig bruin geworden.
In Holland zal het waarschijnlijk nog winter zijn, en laat ik nog even vertellen dat ik in de strenge winter van 1928-’29 óók naar Terschelling gefietst ben, ja de auto op het eiland heb gezien waarmee enkele uren later een onderwijzer uit Akkrum door het ijs is gezakt en jammerlijk verdronken. Door dit accident werd ons verboden om de terugreis op dezelfde manier te doen, en zijn we des anderen daags door twee ijsbrekers der firma Doeksen naar Harlingen gebracht. (a)

Over ‘t algemeen zult u wel de indruk gekregen hebben dat ik mij zeer tevreden gevoel. Zelden heb ik onmenselijke handelingen waargenomen. Officieren, sergeants en korporaals, allen zijn steeds strikt rechtvaardig. Hoofdzaak is steeds alles met ernst te doen, dat verlicht de tijd. Plichtsvervulling van welke aard ook schenkt ons een soort tevredenheid en behaaglijkheid. Wij zijn aan strenge tucht onderworpen zeer zeker. Dat ik mij daar goed in schikken kan, bewijst wel dat ik mij met de eerstvolgende oproep daartoe, volontair gemeld heb voor Tonkin, en dientengevolge rengageren moet.
Dat is het ideaal van iedere legionnaire in dit land, en of het nu is om nog meer van de wereld te zien of om de soldij die beduidend groter is, ofwel om de lange zeereis (45 dagen) daar zou ik geen antwoord op kunnen geven, maar voor mij heeft het ook een magische aantrekkingskracht.
De laatste tijd, tengevolge der troebelen China-Japan. willen ze een grotere troepenmacht in Indo-China, en verschillende transporten zijn reeds vertrokken.
Wellicht hoort u vandaar nog eens iets van mij.

Eén der verzen van Pieter-Jelles [Troelstra] begin met: “It jonge libben moat ris rûze”.
Ik mag wel zeggen van dit alles niet tekort te zijn gekomen, maar schijn met ‘t oog op mijn voornemens omtrent Tonkin nog niet voldaan.

Hedenmorgen, juist terwijl ik meende klaar te wezen met mijn verhaal, kregen wij het bericht van het overlijden van een onzer collega’s, in wien ik een besten vriend en het bureau zijn bekwaamsten machineschrijver verliest.
Zes dagen geleden heeft hij zich „malade” gemeld en thans moesten wij zijn dood vernemen. Er heerscht een droefgeestige stemming in het bureau; de stoel naast mij blijft enige dagen leeg doch wordt daarna door een ander ingenomen want de „regelmaat” moet blijven voortgaan. In deze bedroefde gemoedstoestand heb ik een bijzondere hartewens betreffende mijn „Heitelân” en bid daartoe:
“Geef mij dat ik thuis sterven mag sterven, niet hier!”

Gepubliceerd

[ Leeuwarder nieuwsblad : goedkoop advertentieblad 17-05-1938 ]
[ Nieuwsblad van Friesland : Hepkema’s courant 27-05-1938 ]

(a)
Op 3 maart ’s middags reden onderwijzer Evert Bakker uit Oudeschoot, monteur J. Thomas uit Heerenveen en opzichter bij de Ned. Heide Mij Gauwe Spanjer uit Heerenveen met een auto van Terschelling naar Zwarte Haan. Tijdens deze rit zakte de Ford door het ijs en Evert Bakker kwam hierbij om het leven.
De beide andere mannen bereikten lopend Zwarte Haan.
Na dit ongeval werden oversteken van en naar Terschelling verboden.
Daardoor moesten op Terschelling 170 bezoekers wachten tot de boten weer voeren.
Aan de vaste wal strandden zo honderden Terschellingers.

© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over