1938 Uit het Vreemdelingenlegioen. Ervaringen van ’n Limburgschen Jongen III

Hoe twee-en-vijftig légionnairs door kwaadwilligheid den dood vonden.
Sinaasappelen voor sardienes III
El Agreb (Marokko)

In den vorigen brief is reeds medegedeeld, dat wij, Nederlanders van elkander gescheiden werden. Ik ben alleen achtergebleven. In het begin vindt je dat erg vervelend. — zo leeg en heimweeachtig. Maar een légionnair mag niet stil staan bij dergelijke beuzelpartijen. Ik heb mij er dan ook doorheen geslagen. Weldra was het ook mijn tijd om uit Saïda te vertrekken. In een nieuw land wachtten ook nieuwe vrienden. Zolang ik echter nog te Saïda verbleef, heb ik mij angesloten bij een Engelschman en een derden légionnair. Ik meende aanvankelijk dat het een Duitscher was, maar toen ik eens een liedje zong van den „blindeman” viel hij mij om den hals; het was zowaar ook een Nederlander. Hij was korporaal geweest in Nederlandsch-Indië. De Engelschman was voorheen adjudant in Britsch-Indië. Ik bemerkte al spoedig, dat vriend Engelschman melancoliek was aangelegd en vriend Nederlander zeer veel van „pinard” (wijn) hield. Zo kwam ik met mijn nieuwe vrienden weldra in botsing. Vooral van den „pinard”-liefhebber had ik genoeg. Een „pinard”-drinker heeft nog al eens wat straf op te knappen, en als onderwijzer heb ik destijds aan jongeren geleerd, „wie met pek om gaat, wordt er door besmet”, zodat ik een beetje huiverig tegenover mijn vaderlandse broertje stond.
De Engelschman was veel ouder dan ik en een zeer bedaard kameraad. Een goedzak. Men vraagt hier elkander nooit, waarvoor men voor het legioen getekend heeft. leder moet dat maar voor zich zelf ontraadselen. Nooit wordt daarover gesproken. Allen beginnen hier opnieuw en zij zijn allen gelijk.

Het is best uit te houden

Het is hier best uit te houden, mits je je plicht maar doet. Het is precies als overal, ook zoals in Nederland. Als ik vroeger geschiedenis niet leerde op de kweekschool kreeg ik ook straf van den leraar en moest ook menigen vrije Zaterdagmiddag daarvoor boeten. Het weer was de laatsten tijd zeer slecht. Het regende verschrikkelijk. Ik heb nog nooit zo iets gezien. In de bergen zijn nu prachtige watervallen te zien. Ongelukkig zijn deze stromen spoedig weder opgedroogd en vinden we na enkele dagen niets anders dan ‘n droge bedding. Ik heb gezien, dat waar des morgens nog een beek stroomde des middags een droge bedding lag.

Soms hebben wij ook „siroco’s” dat zijn warme of liever gloeiend hete zandwinden, die uit de woestijn komen. Dan ziet de lucht geel van het zand. Allen gaan plat op den grond liggen, menschen zowel als dieren. Je oren. neus, mond, alles komt vol zand te zitten. Berg je voor de „siroco”.
Enige nachten geleden werden wij plotseling uit bed gehaald en volgde het commando „aantreden binnen 10 minuten.” Wat was er nu gaande? Rechtstreeks naar het station marcheerden wij. Ik dacht, dat alle Berberstammen op ons zouden worden losgelaten. De trompetter blies instappen. Wij stapten in een gereedstaanden trein en waren allen vol afwachting op hetgeen komen zou. Ik had juist een goed plaatsje in de coupé uitgezocht om mijn onderbroken nachtrust te vervolgen, toen de trompet schetterde „einde der oefening”. Het was gewoon een oefening geweest en wij konden weer in de kazerne gaan slapen.

Op weg naar Marokko

Des morgens om 5 uur was het echter weer dag; en wel de laatste van mijn verblijf in Saïda. Spulletjes allemaal inleveren. Onderzoek van den dokter en indeling bij een troep, welke naar de garnizoenen in Marokko reisde. Wij vertrokken voor het eerste traject Saïda —Sidi bel Abes. Deze reis is den lezers reeds bekend uit een vorig schrijven, doch thans zagen wij de fellah’s in volle bloei. Fellah’s zijn uitgestrekte en zeer vruchtbare dalen tussen de Noord-Afrikaansche bergen. Men schiet met den trein in uit een tunnel en ziet dan plotseling in de felle zon links en rechts niets dan korenvelden en wijngaarden. Een eigenaardigheid van het koren hier is, dat de halmen nergens hooger zijn den 50 centimeters. Het koren levert dus weinig stroo; de aren zijn echter zooveel te dikker.
In Sidi bel Abes bleef ik een week. Het is een stad twee maal zo groot als Maastricht met brede, goed verlichte straten. Bij de indeling, die wij te Sidi kregen, werd ook de “pinard”-drinkende Nederlander van mij gescheiden. Ik werd ingedeeld bij een transport, dat nog een verre reis voor den boeg had.
‘s Morgens om 7 uur vertrok de trein uit Sidi bel Abes naar Tlemcen.

Tlemcen

Tlemcen et sa region




De tocht ging dwars door het gebergte; wij passeerden elf tunnels. Het was een prachtig landschap, dat wij uit den trein zagen; hoge kale rotsen, dan weer diepe ravijnen, waarin watervallen neerploften. Tegen één uur kwamen wij op de plaats van bestemming aan. Tlemcen ia een net stadje, schitterend tegen de berghelling gelegen. De huizen zijn wit van kleur, en de straten gaan trapsgewijze de hoogte in. Geen wonder, dat een generaal dit plaatsje als residentie koos. Wij hadden hier een paar dagen rust. Ik benutte deze vrije dagen om eens een kijkje in de omgeving van de stad te gaan nemen. Even buiten Tlemcen ligt een dode stad met oude kasteeen, omgeven door hoge dikke muren, die weer, wind en hitte hebben doorstaan Deze stad moet volgens inlichtingen welke ik aldaar kreeg van een gids, gebouwd zijn in de achtste of negende eeuw door Portugezen. Alles bewijst, dat het een nederzetting van betekenis is geweest. Ik had dit uitstapje gemaakt op een muilezel. Dit beestje leek een beetje onwennig, misschien ook wel, omdat de ruiter niet gewend was op zijn rug te zitten. De heenreis naar de dode stad verliep nogal vlot. Zij ging bergop, maar op den terugweg begon ik naar de mening van den langoor te veel naar voren te schuiven, met het gevolg, dat het beestje eensklaps stil stond. Daar was ik niet op verdacht, ik tuimelde op het bergpad. Ik vond het toen maar beter verder te voet te gaan.

Begrafenis te Sidi-bel-Abes van bij de treinramp te Tlemcen destijds om het leven gekomen légionnairs .
[ Illustratie bij artikel ]

Waar trein in den afgrond stortte

Nadat onze rustdagen te Tlemcen verstreken waren, begon de derde etappe. Opnieuw in den trein. Wij passeerden wederom de dode stad, thans op enige afstand. Even verder maakt de spoorlijn thans een scherpe bocht en passeert een zeer diep ravijn.
Plotseling klonk het commando: „Silence! fixe! ” Stilte, in de houding met kepi af. Wij reden voorbij een groot monument, ‘n geweldige obelisk. „Eere aan de dooden”, stond er op te lezen.
In 1932 is hier een trein met legionnairs, door kwaadwilligheid van Arabieren naar beneden gestort.
Tweeenvijftig dooden en honderden gewonden waren te betreuren.
In de omgeving van Maastricht wonen nog oud-legionnairs, die over dit verschrikkelijk ongeluk kunnen mee praten.
We gaan weer verder, het gebergte neemt in hoogte af en langzamerhand bereiken wij de vlakte, een kale woenstenij.
Tegen acht uur ‘s avonds komen wij te Oudjda aan. Dit is het grensstation van Marokko. Hier werd overnacht in het kamp der tirailleurs. inlandsche troepen, meestal negers. Wij krijgen bij het eten ..vin nègre”, (negerwijn). Toen ik er een slokje van had genomen spuwde ik het goedje aanstonds weer uit. De legionnairs noemen dit spul „esijc”. Of er azijn in zit, weet ik niet, maar het smaakt geweldig zuur. Daarbij schijnt het erg op benen en hersenen te werken. Je wordt er spoedig dronken van, en het ergste is, dat je er vechtlust van krijgt. Ik was blij dat wij den volgenden dag weer met onzen trein verder boemelden. Wij passeerden een woeste, eenzame „hamade”. Het was geweldig heet in de coupé, zodat wij ons ontdeden van bovenkleding en alleen in hemd en broek zaten.

El Agreb

Tegen vier uur kwamen wij in El Agreb,een klein Arabierendorp aan. Hier ligt een oud kasteel, door Arabieren en negers, uit een groenachtige klei gebouwd, met veel eigenaardige koepels en torens. Ik verkocht er mijn rantsoen sardientjes voor 15 sinaasappelen aan een Arabier, want ik had zulk een geweldigen dorst, dat ik er gek van zou zijn geworden. Ik nam den tijd nog niet, om de sinaasappelen behoorlijk te schillen. Zij gingen zoo naar binnen; dat is „goed voor de laxatie” zegt men hier.

Gepubliceerd
[ Limburger koerier : provinciaal dagblad 09-03-1938 ]

© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over