Inleiding
Luitenant Willem van der Veen beschreef in 1948 in het tijdschrift “De Spiegel” zijn ervaring als parachutist tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Samen met drie anderen, Greenwood (een Belgische ex-sergeant-majoor), Niek (een voormalig Nederlander met een Argentijnse achtergrond) en Bob (een statenloze ex-soldaat), bereidde hij zich voor op een missie in Nederland. Op 9 oktober 1944 werden ze boven Veenhuizen, Drenthe, uit een vliegtuig gedropt. Daar zouden ze worden opgevangen door een speciaal ontvangstcomité, dat hen verder zou begeleiden in hun missie.
Interessant in de context van beeldvorming over het Vreemdelingenlegioen in deze tijd, is dat hij de levensloop van oud-legionair Robert Michels als een “beetje duister” beschreef.
[ Leekster courant 07-02-1948 ]
Parachutisten daalden te Veenhuizen
In „De Spiegel” vertelt Luitenant van der Veen, hoe hij met anderen als parachutist uit een vliegmachine te Veenhuizen daalde.
We lagen met z’n vieren in een tentenkamp te Winchcombe. Ik was eigenlijk de enige volbloed Nederlander. Er waren nog drie agenten die boven Nederland moesten worden afgeworpen. Daar was Greenwood, de Belg, van wie ik niets anders afwist dan dat hij vroeger beroeps-sergeant-majoor in het Belgische leger was geweest en die, omdat hij goed Nederlands sprak, door de Belgen was uitgeleend voor een speciale missie in Nederland.
Verder waren er Niek en Bob.
Niek was een vijftiental jaren geleden uit Nederland vertrokken en had zich gevestigd ergens op een hacienda in de onmetelijke wildernis van Patagonië in Zuid-Argentinië en had de Argentijnse nationaliteit verkregen. Hij vertelde ons, dat hij als onderwijzer was begonnen in zijn nederzetting en zich had opgewerkt tot een grootlandeigenaar. Soms trok hij met duizenden stuks hoornvee, begeleid door honderden paarden, over het Andusgebergte naar de markt in Concepcion aan de kust van Chili. “Uit puur principieel oogpunt had hij zich genoodzaakt gezien, om zijn farmersdress te verwisselen voor het khaki en had zich via Amerika en Canada in Engeland gemeld, waar ik hem al jaren kende uit onze troep.
De voormalige levenswandel van Bob was mij een beetje duister. Eigenlijk was hij statenloos. Geboren in Nederland, had hij om een voor mij onbekende reden dienst genomen in het Franse Vreemdelingenlegioen, en had de hardheid van het legioensleven leren kennen in Syrië en Marokko. Nadat zijn onderdeel uit Narvik werd terug getrokken, kwam hij in onze troep terecht. De Nederlandsewetgeving gedoogt niet, dat een Nederlander, zonder ‘s Koning’s toestemming in vreemde krijgs- of staatsdienst treedt op straffe van het verlies van Nederlanderschap. Om deze reden was Bob dan ook statenloos.
Elke morgen om elf uur en ‘s avonds om half zes togen wij naar de betonnen intelligence-room om de laatste orders in ontvangst te nemen. Op de derde dag namen we onze parachutes in ontvangst. We begrepen toen al half, dat het dien nacht zou komen en om elf uur van de negende October 1944 vertelde de intelligence-officer ons, dat het dien nacht zou gebeuren. Hij bracht ons voor de kaart van Nederland, België en West-Duitsland, en vertelde ons, dat er bericht uit Londen was gekomen. dat wij dienzelfden nacht boven Veenhuizen in Drente zouden worden uitgeworpen. Wij zouden worden opgevangen door een ontvangst-comité van de B.S., waarvan wij verdere instructies zouden ontvangen.
‘s Avonds om 7 uur meldden wij ons weer in de intelligence-room, waar wij kennis maakten met de Nieuw-Zeelandse piloot, die ons boven Veenhuizen zou uitwerpen.
Hij legde ons de route uit, die wij zouden volgen over de Noordzee tot boven de Waddeneilanden en dan tussen Vlieland en Terschelling door naar Veenhuizen. Later schoof de grijze truck, bestuurd door de pittige legerchauffeuse, met gedempte koplampen over de beregende startbaan van het vliegveld naast ons kamp.
Niek, Bob, Greenwood en ik zaten met onze parachutes en jumpingkit achter in de laadbak en zagen, hoe de grondtroepen van de R.A.F. druk bezig waren in ‘t schemerdonker om de zware bommenwerpers klaar te maken voor hun nachtelijke tocht over vijandelijk gebied.

Bij één van de vele vliegtuigen stopte ze de truck. De intelligence-officer kwam naar ons toe en verzocht ons uit te stappen. Voor ons stond een reusachtige, zware Lancaster bommenwerper. De bemanning scarrelde wat rond in en om het toestel.
toen wij uitstapten, kwamen zij allen naderbij. Ik zag hen in het vage licht van de truck. Behalve de piloot, die wij al ontmoet hadden, waren er de marconist, twee boordschutters, de mecanicien, de tweede piloot en onze dispatcher.
De dispatcher nam nu de leiding. We laadden onze parachutes en jumpingkit in het vliegtuig en namen plaats. dispatcher gaf het sein aan de piloot dat alles klaar was. De motoren werd aangeslagen. Langzaam zette het gevaarte zich in beweging en wielde traag naar het einde van de startbaan, draaide nagenoeg om zijn as, daarna terug met een razende vaart, een paar lichte schommelingen, een loeiend gebrul der vier motoren en we waren los, los van de grond, los van Engeland, dat ons jaren achtereen had opgenomen met een gulle gastvrijheid, dit land eigen.
Ik kan niet zeggen, dat ik mij angstig voelde op dat moment; ik kon mijn gedachten niet op een bepaald doel concentreren. Alles warrelde in mijn brein dooreen, gelijk de herfstwind de bladeren doet opzwiepen van de ene plaats naar de andere in de stervende natuur. Geleidelijk aan echter, gelukte het mij om mijn gedachten in geordende banen te leiden en mij voor te bereiden op wat komen ging. Ik dwong mijzelf aandacht te besteden aan de anderen. We zaten stil met onze ruggen tegen de wand, twee aan stuurboord en twee aan bakboord, de parachutes en jumpingkits lagen opgestapeld, dicht bij het springhol. We spraken niet met elkander. Daar was het te rumoerig voor.
Greenwood, de Belg was in slaap gesukkeld. Hoe kon iemand in vredesnaam slapen met zo’n job voor de boeg? Ik keek uit in de donkerte door het kleine raampje. Aan stuurboord zag ik de roodglleiende uitlaatpijpen der motoren en vonkjes, die met razende snelheid het toestel voorbij schoten. Verwonderd vroeg ik mij af, of de vijand dit straks niet zou opmerken. Beneden ons lag Engeland. Hier en daar twinkelde een lichtje in de diepte, vaag en onbeduidend.. Ik keek naar boven. Het was een heldere Octobernacht. Aan de hemel blikkerden wat sterren met opmerkelijke klaarheid. Plots flitste beneden ons een zoeklicht aan. Van hieruit geleek het een hel-verlichte lange straat, een baan waarlangs men naar beneden zou kunnen glijden. Het knipperde even, zwenkte naar links en ging toen uit. Toen we de Engelse kust achter ons hadden gelaten begon ik me langzamerhand af te vragen, hoe dit alles moest aflopen.
Toen Z.K.H. Prins Bernhard ons had verzocht om deze missie uit te voeren, hadden wij ons zonder aarzelen beschikbaar gesteld, omdat wij voelden, dat het onze plicht was en omdat ja, waarom eigenlijk? Avontuur? Sensatie? Zou het ontvangstcomité op de grond wel aanwezig zijn? Zouden we niet in een Gestapoval lopen, zoals zovelen voor ons al hadden gedaan? Ik werd me bewust dat ik angst kreeg, angst voor het onbekende, het geheimzinnige dat ons te wachten stond, als wij straks in de duisternis zouden moeten afspringen op voor ons onbekend, door de vijand bezet gebied. Angst en toch een gevoel van bevrediging, voldoening, dat ik het had aangedurfd, zekerheid, dat ik het verder zou aandurven. Er was immers geen weg terug? Zouden de anderen ook zo denken?
Greenwood sliep nog steeds. Niek en Bob kauwden hun sandwiches. Beneden ons lag de Noordzee. De motoren zoemden hun rhytmischen zang. De dispatcher liep bedrijvig heen en weer en controleerde banden en gespen van het automatische apparaat. De piloot kwam nu binnen en informeerde op welke hoogte wij uitgeworpen wensten te worden. We prefereerden 500 voet. Zo vlogen we meer dan anderhalf uur. Toen kwam de marconist ons mededelen, dat we boven Vlieland zaten. Binnen een half uur zouden we ons klaar moeten maken voor de sprong. Er was geen afweervuur, geen nachtjager. Alles was zo gewoon, bijna onwerkelijk.

Bob maakte Greenwood wakker, die verbaasd rondkeek. Met grote moeite kreeg ik de 120 pond wegende jumpingkit aan mijn benen vastgegespt. We zaten twee aan twee elk ter weerszijden van het springhol, dat nog met een luik gesloten was. Nu de parachutes. De dispatcher gaf ze ons aan, stuk voor stuk. Hij hielp ons de banden over de schouders leggen en haalde de leggsstraps tussen de benen door. Ik bevestigde het slot op mijn borst en controleerde de werking. Toen tikte de dispatcher mij op de schouder: „Je bent aangehaakt, je bent no. 2″. Ik knikte loom, dat ik hem had begrepen. Toen ging het groene licht aan. Het vliegtuig begon over te hellen in een flauwe bocht; het luik was nu open. Rechts van mij was een donkere, ijzige, bodemloze diepte. „Running in”, schreeuwde dispatcher. „No. 1 klaarmaken”. Greenwood schoof zijn benen in het gat en wachtte rustig af. Ik betrapte me er op, dat ik Greenwood’s gezicht bestudeerde om te zien, of hij zo angstig was als ik. Ik kon niets bijzonders constateren. Dit gaf mij moed. Greenwood was al viermaal in vijandelijk gebied afgesprongen, kende de routine, was een vakman, zo te zeggen.
Het vliegtuig vloog rond in cirkels. Ik verlangde er naar dat het rode licht zou uitgaan. pan zou ik springen in deze duistere afgrond, direct na Greenwood. Ik voelde, dat we omlaag gingen. Nu zou het komen. Schiet op, schiet op! Daar vlamde het rode licht aan: de verlossing, eindelijk! „Go”, schreeuwde de dispatcher. Greenwood verdween in de griezelige duisternis daar beneden. Bliksemsnel slingerde ik mijn benen in het gat en meteen voelde ik mij in de diepte glijden. Het was een Egyptische duisternis om mij heen. Een gierend brullend gedaver als een orkaan loeide mij tegemoet.
Toen was het rustig. O, heerlijke stilte. Ik was zo kalm als thuis onder mijn leeslamp. Was dit nu alles? Wat nu? Systematisch denken; ‘t touw van mijn jumpingkit losmaken… Heden! wat was dat? Ik kreeg een zwiepende slag in het gelaat, voelde plotseling een stekende pijn in mijn benen. Het duurde minstens een minuut, vóórdat ik mij realiseerde, dat ik op de grond zat. Ik was suf, mijn benen en mijn hoofd deden pijn. Rondom mij heerste stilte. Stilte en duisternis. Ik keek om mij heen. Vaag zag ik mijn parachute uitgespreid in een boom boven mij hangen. Ik was terechtgekomen in een dicht bos. Voorzichtig gespte ik mijn riemen los. Wat deden mijn benen pijn! Met kracht was ik tegen een boomstam aangeslagen. Maar dan moest de piloot mij toch ook veel te laag hebben uitgegooid. Ik had zelfs geen tijd gehad om in de lucht mijn jumpingkit los te maken.

Waar was het ontvangstcomité? Geen geluid was te horen. Rondom mij was slechts het duistere bos met zijn lugubere stilte. Toen kwam het vliegtuig opnieuw. over. De motoren minderden en ik hoorde de parachutes met een klap openslaan in de duisternis boven mij. Daar kwamen de wapencontainers. Ver achter mij hoorde ik ze inslaan met een doffe dreun. Ik moest hier weg. Altijd zo vlug mogelijk weg van de plaats waar je bent neergekomen en sporen uitwissen. Mijn gedachten werkten automatisch. Vruchten van de jarenlange commando-training. Direct pakte ik mijn jumpingkit uit en haalde mijn pistool-mitrailleur te voorschijn. Ik werd nu ook wat gewend aan de duisternis en zag vrij goed mijn parachute hangen. Toen kwam het vliegtuig nog eenmaal over en verdween daarna in westelijke richting. Ik besloot nu een kleine verkenningstocht te maken, teneinde mij te oriënteren en een diepere plaats te vinden, waar ik mij, indien nodig, kon verschuilen. Ik hoefde niet ver te gaan. Al na tien meter vond ik een diepe geul. Nu ging ik terug en sleepte alles wat ik bij mij had in die geul. Mijn parachute trok ik uit de boom. Met mijn handen groef ik een gat in de vochtige aarde en legde hierin alles wat ik niet meer nodig had: mijn valhelm, mijn parachute en springblouse en enkele andere dingen en overdekte dit met wat grond en losse bladeren. Toen zat ik even stil om mijn verdere plannen te overdenken. Niets dan stilte om mij heen, stilte en duisternis.. Ik keek op mijn horloge. Het was circa half een, Hier was ik dus in» Holland, na een afwezigheid van meer dan vier jaar.
Mijn angst en zenuwachtigheid waren volkomen verdwenen. Uit mijn blouse haalde ik een stafkaart, en spreidde deze uit in de kuil. Met behulp van mijn kompas oriënteerde ik de kaart naar ‘t Noorden, Onder de párachuteblouse trachtte ik daarna met behulp van mijn lamp een idee te krijgen waar ik ergens terecht was gekomen, maar er waren vele en grote bossen in de omtrek van Veenhuizen en het was een moeilijke taak.
Ik vroeg mij af, wat er van de anderen was geworden. Greenwood moest waarschijnlijk een paar honderd meter van mij vandaan zitten, evenals Niek en Bob. Een paar malen floot ik zacht in het bos. Er kwam geen antwoord uit de stilte. Aan de hand van de kaart, vermoedde ik, dat ik niet ver van de weg Veenhuizen-Assen af zou zitten. Er moest iets gebeuren; ik kon moeilijk hier zitten afwachten, tot er iemand mij kwam zoeken. Daarom besloot ik een verkenningstocht te rrraken, teneinde precies te weten te komen, waar ik mij bevond. Lukraak liep ik met behulp van mijn kompas in westelijke richting. Het lopen ging mij erg moeilijk af, vanwege mijn geblesseerde knieën. De Tommy-gun hield ik in de aanslag, om op alle eventualiteiten te zijn voorbereid. Reeds na dertig meter te hebben afgelegd stuitte ik op een bospad. Ik stak mijn kaart met het wit boven aan een tak, om mijn plaats terug te kunnen vinden en volgde het bospad naar links. Na een paar honderd meter kwam ik voor een brede vaart. Plotseling hoorde ik een geluid. Snel wierp ik mij plat op fle grond. Rechts van mij aan de andere kant van de vaart hoorde ik stemmen; zacht en gedempt. Als de mensen die ik hoorde, zich zouden voortbewegen, zou ik hun silhouet kunnen zien in het water tegenover mij. Ergens in de uitgestrektheid van dit land sloeg een hond aan. Ik spitste mij tot het uiterste. Een blaffende hond in de nacht is een hond, die wordt gestoord in zijn slaap. En waar een hond is wonen mensen. Ten noorden van mij klonk motorengeronk. Dit bevestigde mijn vermoeden dat ik ten zuiden van de weg Assen-Veenhuizen zou zitten. Ergens langs de vaart flitste een klein lichtje aan. Waarschijnlijk een lucifer. Ik zag het licht weerkaatsen in de vaart. Toen was het weer donker. Even later waren de stemmen duidelijker te horen. Zij kwamen in mijn richting. Ik drukte mij plat in het vochtige gras dat nog rook naar de regen van de vroege voornacht. Mijn Tommy-gun hield ik gericht op de andere kant van de vaart. Als die mensen mijn richting zouden uitkomen, moesten ze op een gegeven moment in mijn vuurlinie terechtkomen, terwijl ik voor hen, vlak in het gras enige meters van de oever, op deze manier absoluut onzichtbaar moest zijn. Ik zag opeens twee donkere gestalten.
Vaag kon ik onderscheiden, dat zij uniformen, lange, zwarte jassen en petten naar Duits model droegen. Nu en dan bleven zij staan. Zij waren nu recht vóór mij, op ongeveer 5 meter afstand aan de andere kant van de oever. Mijn machinepistool was op hen gericht. Eén druk op de trekker en zij waren er beiden geweest. Zacht floot ik het V-teken Zij bleven stil staan en luisterden, onbeweeglijk. Een nachtuil schreeuwde zijn schorren keet in het geboomte. Weer floot ik zacht het V-teken. „Wie is daar?” klonk een stem uit het duister. „Waar zit je? Ben je één van de parachutisten?” „Wat is het code-woord?” antwoordde ik, steeds er voor zorg dragend ongezien te blijven en hen op de korrel houdend. „Q voor Queen”, antwoordden zij. Toen was ik wat meer gerustgesteld, „Hoe kan ik bij jullie komen?” vroeg ik, „Loop maar met ons op langs de vaart, na een paar honderd meter krijg je een brug.” Spoedig daarna ontmoetten we elkander op het houten noodbruggetje, dat de beide oevers met elkaar verbond.
We drukten elkaar de hand. De één stelde zich voor als Kees, de ander als Jo, (dezelfde Kees en Jo uit het bekende boek: „Den vijand wederstaan.”) Ze waren beide gekleed in marechaussee-uniform. „Hebben jullie de anderen al gevonden?” vroeg ik. Zij antwoordden ontkennend. We liepen eerst terug naar de plaats waar ik was neergekomen, om mijn uitrusting op te halen. Opnieuw bestudeerde ik nu de kaart en stelde met behulp van Kees en Jo vast, waar ik mij bevond. Aan de hand hiervan en de vliegrichting van ons vliegtuig trachtte ik uit te vinden, waar de anderen moesten zijn neergekomen. Kees en Jo vertelden mij, dat ze ons veel te laag hadden uitgegooid. Waarschijnlijk zelfs beneden de 100 meter. We liepen nu in de richting waarvan ik dacht, dat Greenwood moest zijn terechtgekomen. In het bos vóór ons klonk opeens geluid. Er kraakte een tak. „Halt, wie is daar?” klonk het scherp.. Ik herkende direct Greenwood’s stem aan zijn sappig Vlaams dialect. „Oké, Greenwood, Q for Queen” antwoordde ik vlug. Uit het duister kwam Greenwood ons tegemoet. Hij liep heel erg mank. Ook hij had zich bezeerd bij het neerkomen.
Met z’n drieën hielpen wij Greenwood bij het begraven van de parachute. Daarna trokken we naar het droppingsterrein. Na ongeveer een kwartier arriveerden we op het droppingsterrein. De rand van het terrein was afgezet door marechausees met machinegeweren en verderop waren een vijftiental burgers bezig om wapencontainers in de boten te laden. Bob was onder hen. Hij was goed terechtgekomen, was afgesprongen bij de tweede „runing”. Met de commandant besprak ik de plaats waar Niek naar alle waarschijnlijkheid, moest zijn geland. Een patrouille trok op onderzoek uit, in de door mij gewezen richting. Greenwood, Bob en ik gingen nu elk een verschillende richting uit, in gezelschap van een marechaussee. Het was eenzaam langs de weg. Mijn bagage had ik achterop de fiets van de marechaussee geladen. Hij loodste mij langs stille wegen en over bruggetjes de marechausseekazerne binnen, naast het tweede gesticht.

Opname gemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Nooit zal ik het ogenblik vergeten, toen mevrouw Duister [ Duyster] mij tegemoet trad: „Welkom in Holland, mijnheer”. Eenvoudige woorden uit een eenvoudig hart, doch zij griften zich diep in mijn ziel. Een handdruk, waarin alles lag opgesloten: angst, hoop, vriendschap. Zij bracht ons in de keuken, een Hollandse keuken, voor het eerst na ruim vier jaar, een keuken met een fornuis en een oliestel met een pruttelende koffiepot. In die keuken een Hollandse vrouw, met een blozend gelaat en een geruite boezelaar. Langzamerhand kwamen ook de anderen binnen, en na een poosje kwam Niek, gesteund door een paar burgers. Hij was er nog het ergste aan toe, had zich vrij ernstig bezeerd, doch, was uiterlijk niet gewond.
De Hollandse vrouw nam ons mee naar boven. De tafel stond gedekt voor twintig. Triomfantelijk lichtte zij het deksel van een grote, stomende pot. „Hebben de heren bezwaar tegen het verorberen van een N.S.B.-varken?”
Het was een koningsmaal. Na het eten, sprak Kees een gebed en dankte voor de zegen, die God hen die avond geschonken had. Later bracht opperwachtmeester Duister onze slaapzakken naar de vliering. Spoedig vielen we in een diepe slaap.
Toen ik de volgende morgen wakker werd, brandde de zon in het dakvenster. De anderen sliepen nog. Greenwood snurkte weer zwaar. Ik trachtte op te staan, doch een vreselijke pijn trok door mijn hele lichaam. Alles was stijf. Nauwelijks kon ik mijn armen en benen bewegen. Ergens buiten, ver beneden, klonken kinderstemmen. Ik wilde, ik moést die kinderen zien. Moeizaam krabbelde ik overeind en strompelde naar het dakvenster. Ik opende het raam een weinig. Daaronder was een tuin. Er liep een hond op de weg achter de haag met een klein meisje er achter aan. In de tuin stond de opperwachtmeester met een rokende pijp, tussen de rode kolen. „Pappa, pappa, de hond is op de weg”. Een kinderstem, een Hollandse kinderstem in een Hollands herfstlandschap onder een stralende herfstzon. De opperwachtmeester keek omhoog naar het venster en blies een blauwe rookwalm tussen de vlier. Door een nevelig waas zag ik hem onopvallend knipogen. Toen sloot ik het venster. In het zonlicht dansten de stofjes.
Niek J. de Koning
Willem van der Veer
Robert ‘Bob’ Michels
Begin september 1944 werd commando de Koning, samen met een zevental andere Nederlandse commando’s door Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) aangewezen om boven bezet Nederland te worden geparachuteerd.
In de nacht van 11 oktober 1944 werd hij samen met sergeant W. van der Veer, korporaal R.C. Michels en adjudant R.H.A. Groenewout van de Belgische SAS gedropt in de omgeving van Veenhuizen in Drenthe
Team Portia: Twee Nederlanders Robert.C. Michels (alias Bob) en lt. W. Van der Veer, de Nederlandse Argentijn 1ste lt. Special Forces Niek J. De Koning en de Vlaming R.H.A. Groenewoud, een geroutineerde para die al 4 maal in vijandelijk gebied was afgesprongen.