p. 11
In het kamp, onvrijwillig vrijwilliger corvee eetzaal, borden, eetbestek klaar zetten, de tafelkannen met pinard vullen, en na het opruimen van de refectoir met het groepje en een toegeknepen oog van de keukenchef, de ruime overschotten pinard opslobberen, tot je tanden licht lila kleurde.
En altijd wel een ruzie in de kamp kantine, waar na een dosis alcohol de spanningen los kwamen om daarna elkaar dan om het minst verrot sloegen. Dergelijke ruzies werden snel vergeten, men had elkaar nodig. Spanningen werden ook op andere manieren geuit. Zo dan weer gooide een of andere mafkees midden in de nacht een handgranaat vanuit de barak het bos in, ter herinnering dat hier het legioen zat.
Ook tijdens onze afwezigheid in het kamp was iets gebeurd.
Een jonge Fransman van mijn sectie, die wegens ziekte in het kamp was achtergebleven, had een oplossing gevonden er uit te stappen en zich met een handgranaat in het bos naast de barak omgebracht. Dit zou zijn gebeurd na ontvangst van brieven, van zijn geliefde in Frankrijk.
Ik kon het niet geloven, zeker niet van deze jonge knaap van net negentien. Men toonde mij de plek naast de barak, waar zich het drama had afgespeeld. Stille getuigen, fragmentjes schedel en stukjes groene baret tegen een boom prikkelde mijn netvlies.
Hier in het legioen stond men bij dergelijke gebeurtenissen niet lang stil, het was een van de vele gebeurtenissen. Dit was de tweede zelfdoding in korte tijd, waarvan ik er een had zien gebeuren te Sidi Bel Abbes. Af en toe kwam het voor dat iemand zichzelf verwonde door in zijn been of voet te schieten, om zich te kunnen onttrekken aan een gevecht. Dat werd vrijwel altijd opgemerkt en diegene had dan een gigantisch dubbel probleem, strafcompagnie voor minimaal negen maanden.
Soms werd voor een uittocht van de compagnie of regiment door de staf verteld, dat het een klus van een dag zou worden, en we s᾿avonds weer op de basis zouden terugkeren. Men sleepte dan geen extra gewicht mee. Eenmaal uit het kamp vertrokken bleef je door een tegenorder een week weg, zodat je nachts ergens hoog in de bergen zonder slaapzak lag te klappertanden met niets of onder een dun tentzeiltje. Dan duurde de nachten erg lang. Enige troost, overdag werden met een heli noodrantsoenen gebracht, en je was nooit alleen.
04-1959
Het moet april geweest zijn toen het regiment weer het offensief koos in L᾿ouarsenis, de gordel rond Algiers en verder.
Als vooruit liggende basis werd een idyllische plek betrokken aan zee, dicht bij de stad Cherchel. We lagen in een schitterende baai, in een door rotsen omgeven tentenkamp op 50 meter van het water. Een ieder was gelukkig en het leek of het kind even terug was in de legionairshartjes. Alleen emmertjes en schepjes ontbraken om kasteeltjes te maken.
Als proef of gebrek aan veldbedden werden zelfs opblaasbare bedden uitgedeeld.
Nadrukkelijk werd de gebruiksaanwijzing er bij verteld, bedoeld om op te slapen! Een half uur later lagen toch een man of tien in aller euforie op zee te dobberen.
Deze brute verkrachting van de verboden des kapiteins werd niet op prijs gesteld, en een uur nadien lagen er tien man ”au trou” ook wel tombe, tombeau, (graf) genoemd, normaal een straf voor zwaardere vergrijpen. Au tombeau lag je dag en nacht in een ongeveer 40 cm diepe zelf gegraven kuil met daarover een tentzeiltje, en ernaast een gewapende wacht.
De straf van de tien duurde niet lang, en kon niet anders bedoeld zijn als een symbolische. We lagen hier in afwachting te vertrekken, en de gestraften vonden het ook niet erg. Er klonk zelfs na enige tijd wat stoer gezang uit de kuilen van enkele Spaanse legionairs. Tijdens deze enigszins jammerende geluiden, werden zij door hun compañeros met een castagnettenachtig handgeklap begeleid., ”que te tombo Maria, que te tombo, que te tombo Maria, que te tombo”.
Wij omstanders hadden het grootste plezier.
Na het harde ”ta gueule” (bek dicht) van de sergeant hield het op. Zo ook het verblijf op deze mooie plek van onze 3e compagnie duurde maar kort. Net enkele andere legioen regimenten was het 1e REP slachtoffer van haar reputatie, nog voor Algerije, ooit in 1950 tot 1954 als 1e BEP (bataljon) in Indo China , en door een wat andere stijl de zaken aan te pakken.
p.12
De compagnieën en secties, onderverdeeld in een aantal niet grote, doch effectieve gevechtsunits, die na de Indo China periode qua uitrusting modern waren geëquipeerd.
Het regiment had weinig eigen rijdend materieel, was snel inzetbaar en kon geparachuteerd worden. We maakten vaak gebruik van heliportage, om snel op de meest moeilijke plaatsen te worden gedropt.
Van L᾿oued Bellah, naar het bijna ondoordringbare woud en struikgewas Affaïne en de bergen van Dahra. In de opvolgende paar maanden werd daar fel gevochten, en werden in deze regio’s meer als 300 FLN strijders gedood.
Deze escapades koste het 1e REP een 50 tal doden en gewonden. Onder hen ook de adjudant Tasnady, een Hongaar en graag geziene onderofficier. Een man die Indo China overleefd had, en zich kon behangen met een tiet hoge onderscheidingen. Nadat zijn mannen de dichte struiken hadden gefouilleerd, was een al te goed gecamoufleerde rebel niet opgemerkt. Toen de eerste lijn legionairs hem voorbij was, richtte hij zich op, en zag de adjudant staan die met zijn rug naar hem gekeerd, bezig was de orders aan zijn sectie te geven. De rebel richtte zijn wapen en van dichtbij schoot hij de adjudant door de nek, die vrijwel meteen dood neerstortte.
Na kolonel Jean Pierre was ook dit een groot verlies voor het 1e REP.
Le 14 mai 1959, dans l’Oued EL HAMRI (secteur d’ORLEANS VILLE), l’Adjudant TASNADY, à la
tête de sa section, débusque et détruit un détachement rebelle. Exploitant cet avantage, il entraîne sa
section à l’assaut du gros de la bande adverse.
Au moment où il lance une grande, une balle le frappe en pleine tête. Emportés par l’élan que leur chef
a su leur imprimer, ses légionnaires le dépassent et lui offrent, mourant, sa dernière victoire :
46
rebelles sont tués et 32 armes récupérées.
TASNADY vient d’avoir 32 ans, il sert depuis 12 ans à la Légion Étrangère.
Met Jean Pierre zat hij in Indo China, en samen raakten zij gewond tijdens de slag van Algiers, 1954/62. Het toeval wil dat in deze periode nog twee adjudanten van Hongaarse afkomst sneuvelde, met een bijna zelfde staat van dienst, en in het zelfde jaar geëngageerd.
Drie namen: TASNADY, VALKO en SZUTS, waarvoor nu een plaatsje is gereserveerd in de ”SALLE – D᾿HONNEUR” van het legioen te Aubagne-zuid Frankrijk.
Algerije zat vol gevaar, misschien wel door deze zeer ervaren onderofficieren onderschat.
Na een attaque in een droge wadi, toonde onze sectie korporaal mij een granaat splinter die uit zijn borstbeen stak, door eigen vuur, van het 57mm kanon, en ooit had ik een kogelgat in de bretel van mijn Mat 49 PM, die vanuit een later buit gemaakt M1-Garand geweer afkomstig moet zijn geweest.
In Kabylië werd vanuit een rotsstelling een handgranaat twee meter achter me gegooid. Ik kon niet meteen weg of schuilen en in grote paniek en angst kromde ik mijn rug en wachtte op de boem. Dat was het dan, nu ging ik dood! De granaat ging niet af!
Diezelfde dag sloeg een racket vanuit een T-6 of Mirage straaljager, dicht voor ons in. De chauffeur boven had wellicht onze fel gekleurde herkenningsfoulards op de rugzakken beneden niet gezien.

[ Foto Sem Presser verschenen in het maandblad van het Legioen Kepi Blanc No 151.]
Eens werd voor ons een Sikorsky helikopter uit de formatie neergehaald.
Legionair op mijn gestapt, legionair onthoofd door een rotorblad tijdens het debarkeren vanuit een Sykorsky etc.
Dan weer galgenhumor, na een hevige explosie van een afgeweken 120mm artillerie granaat, die dicht achter onze darm ontspannende luitenant insloeg en hem genoodzaakte met half opgetrokken broek vanachter enkele rotspartijen terug te strompelen.
Een aparte man, die met een pistoolmitrailleur in de voorste lijn de troepen aanvoerde.
Tijdens een lange uittocht liet hij per heli nieuwe sokken aanvoeren voor zijn compagnie.
Even later verliet hij het 1er REP.
Annotatie
Enkele passages in het manuscript van Wil van Hooff zijn niet autobiografisch, maar vertaalde secties uit Franstalige boeken over het Franse Vreemdelingenlegioen.
De volgende passage heeft daarbij niet direct met het 1er REP maar met een officier van het 2e REP.
Kort daarop sneuvelde kapitein Pierre Bourgin in het 2e REP.
Het was ooit een oude van de 3e CSPL(Sahara compagnie).
De Sahara had hem diep aangegrepen, zoals hijzelf bekend als hij schrijft in ”Sejours de Sebah”.
“Twee jaren Sahara hebben mij niet afgestompt
Zijn vurige zon, zijn duinen en zijn zand
Hebben mijn leven van alle wrangheid rijker gemaakt
Want kapitein Bourgin was een mysticus, maar ook een dichter.
Deze baardige man met lichte ogen en gegraveerde gelaatstrekken heeft verschillende werken gepubliceerd.