p.13
[ Een paar alinea’s over de officier Bougin die heb ik hier weggelaten ]
In L᾿ouarsenis zag ik de Belg Freddy uit Antwerpen terug. Zijn Cie had een zware dag achter de rug. Met enigszins emotionele stem, ”T᾿is van m᾿n klōōte zunne”, liet hij me weten een “plein de cul” te hebben. Hij had er dus genoeg van. Geforceerd hield ik me goed tegenover de oudere Belg en begreep wat hij bedoelde. Mijn belevenissen in het REP, hadden me een tijdelijke onverschilligheid aangekweekt. Ik nam meer risico’s en kon de angst onderdrukken. De enige vertrouweling was mijn pistoolmitrailleur! Ik relativeerde de gebeurtenissen geforceerd onverschillig. Als ze nu me afknallen ben ik een held, of sufferd, en hoef ik niet meer door die eindeloze uitputtende rot djebel te sjouwen.
Dan de momenten van natuurlijke overlevingsdrang, de 5 jaar te overleven, en met trots te kunnen zeggen: ik was een van hen! Die nacht had ik wachtbeurt bij een zestal gesneuvelde legionairs, die in tentzeiltjes op de bergkam lagen. Het was te laat en donker, om ze die dag nog met de heli op te halen. Uit de verte klonk het sinistere gehuil van de jakhalzen…
p.14
Verschillende Nederlanders zijn omgekomen voor het Legioen en Frankrijk.
Zoals tijdens een uren durende strijd in een onmogelijk rotsgebied in de Aures. Een 50 meter brede rotskloof met onderin een puinhoop van gigantische rotsblokken werd doorzocht. Onze groep nam de linker zijde, de groep van een andere Cie , klauterde langs de rechterflank.
Vanuit een opening van drie stuks vier meters hoge schuin tegen elkaar leunende rotsmassa,s was iets gehoord, waarna een legionair, er enkele meters vandaan, meteen een volle lader van zijn P.M. in de smalle hoge driehoekige opening knalde. Even was er stilte en verbazing.
Dan klonken er twee schoten, en de legionair viel zijdelings neer. Meteen zochten we dekking achter de vele rotsblokken iets hoger en vuurde op de rotsblokopening. Dit had geen resultaat, bleek later. Onze sergeant klom achterom op het rotsblok en werd meteen daarop vanuit een smalle spleet tussen de twee blokken boven, van onderuit in de borst geraakt, wat hem een halve cm diepe maar lange strijkschotwond schuin over de borst opleverde.
Legionair Linke, een Duitser, die van de andere kant het rotsblok beklom werd kort daarop in een hand geraakt, en kon zo ook niet meer verder. Een andere onvoorzichtige legionair van Duitse afkomst die vanachter onze dekking zich afvroeg hoe de situatie zich voordeed, zijn hoofd liet zien, en vroeg: ”Was ist los” werd een paar seconden later door het hoofd geschoten en stierf meteen.
Later werd nog een legionair in zijn voet geraakt. Hand- en geweer-granaten hadden weinig effect. Er werd gedacht aan een speciaal team op te trommelen om de zaak op te blazen.
Dat kon even niet, er lag nog iemand van ons. Onder dekking van machinegeweervuur hebben we de legionair weggehaald. Hij was intussen door bloedverlies bezweken. Toen ik hem bij de benen greep en samen met een maat uit de vuurlijn wegdroeg, voelde ik dat zijn rechter been alleen nog bijeengehouden werd door het textiel van zijn tenuebroek. Het was een Nederlander van een andere Cie die ik maar vaag kende. In mijn herinnering moet hij me ooit verteld hebben waar hij vandaan kwam. Jammerlijk ben ik het kwijt. Al het geweld van onze granaten en geweervuur werd de mannen uiteindelijk te veel. De in totaal slechts vier rebellen, hadden een halve Cie twee uur bezig gehouden, en hun huid duur verkocht. We doorzochten de plek. Tussen twee rotsblokken liep een paar meter lange iets gekromde gang, met daar achter in een solide schuilplaats uit opgetrokken rotsstenen, van waaruit zij naar verschillende kanten konden vuren. Een X geldbedrag in een oude boekentas, handgranaten en vier geweren waren de buit. Het kosten ons twee doden, drie gewonden.
Nadat de rook amper was weggetrokken uit een eerder gevecht met een grote groep FLN, hoorde ik de onderofficier verslag uitbrengen aan zijn meerder. “Luitenant, die en die zijn dood en we hebben een x aantal gewonden!
Even geen antwoord en dan de luit, “Hoeveel wapens buitgemaakt?„
Het leek me of men dat laatste zeker zo belangrijk vond. Een dode legionair was dan misschien een held, maar had geen nut meer.
Een generaal ”DE NEGRIER” heeft ooit de uitspraak gedaan:
”JULLIE LEGIONAIRS, JULLIE ZIJN SOLDATEN VOOR TE STERVEN
IK STUUR JULLIE DAAR WAAR MEN STERFT„
07-1959
De operaties liepen tot ongeveer half juni. Ik was opgelucht, en later ook trots te hebben deelgenomen aan verschillende acties.
Het regiment kreeg een pauze en trok zich terug in kamp Gosselin bij Zeralda. Ik mocht er zes dagen verlof opnemen. Zes dagen en nachten naar de talrijke bars, bistro᾿s, de geroosterde pikante braadspitworstjes op een straathoek, het bier en de Laila᾿s. Zes dagen in uitgangstenue met de witte kepie op, de trots van de legionairs, die vooral in Sidi Bel Abbes maar ook in Algiers het uitgaanscentra mede aanzicht gaven.
Je zag ze altijd wel ergens rondhangen. Met nog drie strijdmakkers trok ik Algiers binnen. Ons kon niets meer gebeuren.
s᾿Morgens zeven uur een cognac in de koffie, dan broodjes, daarna bier of wijn van bar naar bar, ouwehoeren met de burgers en genieten van een zekere vrijheid. ”La vie est belle”.
p.15
In de laatste warme verlofnacht lagen vier legionairs midden op de ”Place du Gouvernement” te slapen, met hun kepie als hoofdkussen. In aller vroegte werden we gewekt door de werkzaamheden van de pompiers.
In kamp Gosselin was een en ander veranderd. Regelmatige wisseling van officieren en onderofficieren. Kapitein Chiron verliet de onze compagnie, kapitein Joseph Estoup kwam en nam met luitenant Rubin De Servence het commando over.
Ook hadden we een Nederlandse sergeant ”van Zwieten” in de tweede sectie.
Een model legionair en boom van een vent met een hart van goud.
Alleen, als hij zich liet zien bij interne ruzies deed een ieder in de kortste tijd weer normaal.
In een photo reportage uit 1958 gemaakt door Jacques Boissay bevinden zich een aantal photo’s van buitgemaakte documenten van de FLN.
Als beschrijving staat er bij een
“Permission écrite et légalisée par un cachet du front de libération nationale (FLN), découverte sur un rebelle tué au cours de l’opération du 18 mars 1958 par le 1er régiment étranger parachutiste (REP) dans la région de Duvivier”
Référence ALG 58-141 R3
Duidelijk zichtbaar op deze foto is de naam rechtsonder Peter van Swieten.

Ik kende er ook iemand uit Best bij Eindhoven.
Samen met een Spanjaard onderhield hij de elektrische installaties van het Kamp. Hij vertelde me eens, niet meer te durven springen en is later uit het legioen gedeserteerd!
Grand Kabylië en Petit Kabylië
Een bergachtig gebied, deels langs de kust dat zich ruim 200 km uitstrekt tussen de hoofdstad
Algiers en Bejaïa in richting Tunesië en 125 kilometer landinwaarts. Het is verdeeld in groot en klein Kabylië, met in het grote, bergtoppen boven 2000 m terwijl in het Petit Kabylië de top net boven 1000 m ligt. Het was een van de wildste maar ook een van de meest pittoreske landstreken van noordelijk Afrika, met ruige bergen en verlaten dalen. Sommige regio᾿s een flink deel van het jaar slecht bereikbaar door sneeuw of regen. Koude natte winters en puffende zomers.
Door zijn zeden en gewoonten is de Kabyle zeer verschillend van de Arabier. Hoewel hij zich aangesloten heeft bij de leer van Mohamed, wijkt hij er van af, als de koran tot de wet verheven word. Hij houdt niet van veelwijverij en toch is zijn vrouw slechts een “sociaal minimum” Een oude spreuk geeft de rechtskundige status van de vrouw goed weer: beter een spaarzame vrouw dan een span ossen dat veel geld opbrengt! Zij gaat niet gesluierd, zij schoffelt, spit, ploegt, zaait, oogst, verbouwt, snoeit, plukt olijven en vijgen, verzorgt het vee, maalt het koren, kaardt en verft de wol, weeft haïks en boernoes en ook tapijten, looit de huiden, laat de kinderen eten en voedt hen op. En spreken we slechts voor herhaling van het ondankbare werk van hout en water halen. Haar situatie verbetert, als zij “Tamrart” wordt op latere leeftijd, en vooral als zij mannelijke kinderen gebaard heeft. Dan wordt zij gevreesd en om raad gevraagd door haar kinderen, kleinkinderen, neven. ”Het huis zonder Tamrart is een boomgaard zonder mannelijke vijgenboom” zegt het spreekwoord. Haar macht is uitgebreider dan de gewoonte wil toegeven. Haar man, hoewel hij het nooit zal toegeven, vraagt haar dikwijls om raad. De Kabyle heeft respect voor de natuur. Ondanks het ruwe leven van bergbewoner, heeft de Kabyle een diepe liefde voor zijn geboortegrond en voor bomen. Sinds lange tijd is de olijfboom bevorderd tot de “koe van Kabylië”.
07-1959
In juli 1959 vertrok het 1e REP daarheen voor een lang durende operatie onder de naam Operation Jumelles (Operatie Verrekijker). De eerste dagen na het vertrek van het regiment verliepen triest. De colonne camions van de 3e compagnie kroop traag als een rups tussen het groen de bergpiste op. Het was warm in de middagzon, en de chef de voiture naast de chauffeur moet half onderuit gelegen hebben onder het monotone geronk van de truckmotoren in kruipversnelling. Ook bij sommige legionairs achter in de GMC, sloeg in deze middagambiance klaasvaak toe. Plotseling geroep en paniek in de colonne Iedereen was in seconden uit de wagens. De op een na camion voor ons die mannen van de tweede sectie vervoerde, was plots van het pad het ravijn in gereden.
Het voertuig lag 20 meter lager met onderkant naar boven op een uitstekend stuk rotsplateau. Een trieste aanblik! We renden in het steile terrein naar beneden om te helpen, waarbij losgeraakte rotsstenen rakelings langs een paar liggende slachtoffers rolden.
De eerst die we zagen was sergeant van Zwieten, de Nederlander, op een 10 meter dieper.
p.16
Hij had pijn maar was niet ernstig gewond, en gebood ons meteen de anderen te gaan helpen. Een luitenant die we 60 meter dieper aantroffen, bewoog maar was er erg aan toe.
Onze hospik, Spekovius kreeg het weer eens heel druk. Voor de meesten die nog onder de truck lagen kon hij niets meer doen. Latere berichten gaven aan dat men ook bij deze gebeurtenis zeven doden had geteld. Deze domper op de compagnie had niet belet dat we toch een paar uur later, met gereserveerde gevoelens verder trokken, toen hulptroepen de verdere zorg op zich hadden genomen. Het legioen moest verder. Het gevoel een paar bekende strijdmakkers te hebben verloren ebde zich langzaam weg.
[…]