1957 Matricule 119.036. p18 – p20

p.18

Algiers Januari 1960, grote manifestaties in de vorm van de barricades.
Het regiment werd voor korte tijd terug geroepen naar de hoofdstad. We werden de barricades ingestuurd, waar zich in korte tijd enkele tien duizenden gewapende ”pieds noirs” achter opgeworpen steenhopen hadden opgesteld in grote gedeelten van Algiers.

Duizenden, deels studenten trokken zich na enkele dagen terug maar toch nog drie duizend gewapende burgers waaronder militairen hielden stand. Het zag er beangstigend en dreigend uit.
In de eerste dagen voor onze aanwezigheid, waren er onder de ”mobile garde en civilisten” een tiental doden en ruim honderd gewonden te betreuren geweest.
Voor ons, samen met andere Franse reguliere troepen een controlerende taak. Het leger verbroederde zich met de verantwoordelijke voor de barricades. De burgervrouwen en kinderen trakteerden ons op koffie, broodjes en soep, en fotografeerden hun “helden”.
Eerst na een week van diplomatie en emotionele toespraken van ”Generaal De Gaulle” was de
gewelddadige bezetting ten einde.

[ Référence ACT 6011 25-01-1960. Format d’origine 35 mm Couleur Noir et blanc
Origine SCA/Algérie (service cinématographique de l’armée française en Algérie) ]

Het regiment trok zich later een paar dagen terug in kamp Gosselin te Zeralda, en vervolgde ”Operation Jumelles” in Kabylië.
Maart 1960, het verblijf in Kabylië liep ten einde.
De herinneringen zijn talloos. Schitterende gelegen dorpjes, waarvan velen gepasseerd.
De rotspartijen en de vruchtbare moestuinen langs beken en riviertjes. Merkwaardige bronnen boven in de bergen, die je normaal beneden in de dalen zou verwachten. Vijg en vooral olijfbomen, meloenvelden en vele geiten. Honderden meters diepe grotten in grillig steile rotsen.
Van ongeveer maart tot juli 1960 was het REP bezig in heel Algerije.
Onze compagnie in de nabijheid van Guelma en de Tunesische grensstrook tot aan Libië.
In die periode kreeg ik samen met een sectiemaat dertig dagen arrest in kamp Gosselin, voor het toe eigenen van een gevonden pak geld. Na een fouillering van een dorp lag in een holte van een los op elkaar gestapelde stenen tuinafscheiding een pakje geld. In mijn ogen tekende zich dollartekens, verlof in Algiers en Kronenbourg bier af.

p. 19

We deelde het en trokken verder richting basis. In het Legioen had men speciale recherche technieken om dingen op te lossen. Nadat de compagnie al weer een uur op terugweg was, werd plotseling op een veilige plek halt gehouden en werd aan de hele compagnie, tot aan de rang sergeant, bevolen zich tot onderbroekje uit te kleden. De kapitein deed zelf het verdere fouillerende onderzoek. Drie weken na betaaldag had geen legionair nog geld.
Mijn maat en ik hadden nog.
Het gezegde ”geld stinkt niet” klopte toen ook niet. Dit geld rook naar allerlei plaatselijke gebruikte kruiden, en de kapitein rook eraan. We waren er gloeiend bij!!
Eenmaal terug op de tentenbasis werd de compagnie in carré opgesteld en de kapitein begon zijn betoog. Wij twee werden naar voren geroepen en in het midden gezet. We hadden gestolen van arme Algerijnse mensen, wat niet bepaald de gedragingen van een Seigneur zijn!
Ik schaamde me kapot voor de hele compagnie, het meest voor mezelf. Ik schaamde me zelfs voor mijn omgeving, de bomen de vogels en de grond waarop ik stond, en had er toen het liefst in willen zakken. Ik had er enorm spijt van. In afwachting op vervoer naar kamp Gosselin ploeterde ik wat later met een pikhouweel in de harde rotsstenengrond en lag ik twee dagen en nachten op de achterbasis au Tombeau, (graf).
Mijn maat kwam met een later vervoer naar camp Gosselin. Hij kreeg een mindere straf. Ik was per slot van rekening de hoofddader! Terug naar Zeralda, een rit om niet te vergeten. Achter in de open laadruimte van een truck naast de lijkkist met een gesneuvelde legionair, honderden kilometers door hobbelige pistes richting kamp. De held die gestorven was voor Frankrijk, met naast hem de slechterik.
In Algiers werd de kist afgeleverd bij de kapel van het Hôpital-Maillot. Wat later werd ik afgezet in kamp Gosselin en melde me bij de chef de Prison. Ik had de man al eens gezien, hij woonde naast het kamp met vrouw en kind. Een kleine sergeant een Siciliaan met een apensmoeltje. Je kon bijna zien dat hij niet deugde. Voorlopig was ik de boef en overgeleverd aan zijn nukken. Minuten later was hij met groot genoegen bezig met een nog handmatige tondeuse mijn hoofd kaal te zetten, waarbij dan zijn smoeltje met het knipritme meedeed. Een kaal hoofd, een korte kaki short, dito hemdje met korte mouwtjes en blootsvoets in kistjes zonder veters, was doorgaans het prisonier model van het legioen in die tijd.
Met nog vijftien anderen sliep ik in een tien bij vijf meter cel, op een twee meter brede betonnen verhoging over de lengte, iets aflopend naar het midden. Twee gaten van tien cm in het plafond voor ontluchting. Een deken met een stro- oreiller(kussen) als enig gerief voor de nacht.
‘s Morgens 05 uur op, voor allerlei corvee.
Van 07 tot 08 u ”Pelot” in draftempo rondjes lopen naast het gebouw.
Het gebouw was tijdens afwezigheid van het regiment verbouwd.
Het bijhorende wachtkwartier was verplaatst meer naar de ingang van het kamp.
De betonnen vloer van de vroegere cellen lag er nog en het opruimen daarvan werd met een celgenoot mijn eerste klus. Afwisselend werd met een lange tang een grote beitel op het beton gehouden, terwijl de ander een knoert van een hamer op de beitel moest mikken.
Het was bloedheet, zwaar werk, en dat alles onder corrigerend snauwend toezicht van apensmoeltje. Het ging hem niet vlug genoeg. Dat liet hij duidelijk merken door de hamer uit je handen te rukken en voordeed hoe het dan wel moest. Het duurde een paar dagen eer ik de hamer evenwichtig van boven mijn hoofd veilig op de grote beitel kon neerlaten.
Op bevel van de chef mocht je af en toe vlug wat drinken uit de gevelkraan van het gebouw.
Even voor etenstijd werd de baas afgelost en het werk gestopt. Dan moest je in de houding met de neus tegen de gebouwmuur. Na een half uur werd gegeten uit gamelles. Dat gebeurde staande in enkele minuten. Dan gamelles spoelen, opsluiting of weer ”face au mur”(neus tegen de muur) tot 1400u.
Van 1400u tot de generale verzameling van het kampkader om 1500u, ”Pelot”, waarna voortzetting van betonvloer werkzaamheden. Na het werk avonds, eten, gamellen spoelen en opsluiting.

p. 20

Enkele keren rond 2300u of morgens 05u werd een man of vier de grote vriescellen van het kamp ingestuurd om de bevoorrading voor het regiment te veld, in trucks te laden.
Na een week beton hakken mocht ik nieuwe stelen zetten aan schoppen en houwelen in een schuurtje dicht bij het woongedeelte van officieren en onderofficieren.
Daar zag ik apensmoeltje, die bezig was in een aangrenzend perceel een zwerfhond tot zich te roepen. Met uitgestrekte hand lokte hij het beest dichterbij. Toen het dier met enige achterdocht tot een paar meter genaderd was, greep hij zijn pistool en knalde het arme beest ineens af. Een celgenoot vertelde me dat de sergeant ooit met (trots) zijn drie jarig dochtertje wou voorstellen aan zijn collega᾿s onderofficieren. Gehurkt zou hij het kind meerdere malen hebben geroepen: ”viens chez papa, viens chez papa” (kom dan bij pappa). Als het kind op dat moment geen zin had naar pappa te komen, wuifde hij zijn kleine meisje weg, met een ongegeneerd mompelend: ”saloperie va!” (zoiets als, vuiligheid). Ook niet uitdrukkelijk de gedragingen van een Seigneur!

Op een dag kreeg ik met twee andere gestraften de opdracht, drie stuks 1,90 m diepe grafkuilen te graven, bedoeld als regimentsvoorraad, op de begraafplaats van Zeralda.
Een van die jongens, een Duitser vertelde mij verheugd dat hij nog twee dagen moest, dan kon hij terug naar zijn compagnie. Nog voor mijn straf erop zat, wil het toeval, dat de Duitser ergens bij de Tunesische grens was gesneuveld, en was begraven in een van de drie kuilen op de begraafplaats van Zeralda.
De tijd verstreek in kamp Gosselin. De gevangenen gingen verder met Pelot, vuil ophalen, beton hakken, puin wegsjouwen, meubilair verplaatsen, bomen hakken, vrachtwagens zand laden en lossen, het kamp vegen, toiletten schoonmaken, keukencorvee en allerlei andere rotzooi opknappen. Als men na het werk te vroeg werd terug werd afgeleverd bij de prison, moest men in de houding tegen de muur tot iedereen terug was. Wie vervelend ging doen werd aangepakt. Vooral sergeant apensmoeltje, een radicaal met sadistische trekjes drukte dan zonder schaamte, iemand met zijn fok tegen de gebouwmuur. Aan dit alles kwam voor mij een eind, het regiment was intussen terug in het kamp.

Het was eind juni en mijn straftijd zat erop. Met een nieuwe ervaring kwam ik terug in de compagnie. Ik had van mijn straf geleerd. Het liep anders dan verwacht! Twee dagen later werd ik ontboden bij de kapitein, Joseph Jean Bertrand Estoup, en hij begon zijn verhaal. Toen hij de aantekening voorlas van mijn dienststaat, dacht ik even aan een nieuwe onderscheiding. Het ging over een actie in Kabylië. Ik had een mec omgelegd die volgens onze (integere) kapitein gevangen genomen had moeten worden. Vanaf grote afstand had onze machinegeweer schutter hem niet kunnen raken. Ik had intussen mijn rugzak afgegooid en ben 500m schietend achter de man aangerend. De laatste twintig meter stond ik stil en stuurde hem een paar 9mm. Met een verrekijker had Estoup het gebeuren in zich opgenomen. Ik weet nog hoe kwaad hij toen was. Ik flikker je weer in een equipe van voltigeurs!, had hij me toen toegesnauwd. Twee weken was ik zijn ordonnans geweest. De kwestie met het geld en die van de schietpartij moest hij extra bestraffen vond hij. Van achter zijn bureau sprak hij mij toe: ”un bon combattant”, je ne t᾿enlève pas tes decorations; je t᾿enlève ton brevet!”
( “een goed strijder, je onderscheidingen neem ik je niet af, wel je brevet”).

Joseph Estoup in 2022

Ik stuur je naar de Sahara, daar kan je uitrusten. Ik had er de pest in, maar nam alles voor waar aan en liet het zo het was. Ik had geen hekel aan hem; een integer officier, zover ik wist.
Ik heb van hem geleerd. Ooit had ik hem bijna incidenteel gekild, een voorval wat in mijn hoofd vijftig jaar later nog af en toe de revue passeert.
In Kabylië was hij tijdens wachtaflossing vanuit een oud school gebouwtje zonder ruiten, dat dienst deed als onderkomen voor een nacht, via de achterkant naar buiten gegaan om zijn weggewaaide dagjournaal terug te zoeken. Aan mij werd dat niet gemeld. Na aflossing stond ik nog maar net op wacht aan de voorkant van het gebouwtje, toen ik voetgeschuifel waarnam op het aangelegen zandpad.
[…]

© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over