p.07
16-05-1958
Tot 16 mei 1958 bleef ik in Bel Abbes en bracht de tijd door met wachtlopen, corvee en de laatste eer brengen bij begrafenissen op de locale begraafplaats. Op een nacht na een wachtdienst rond middernacht legde ik me op bed op de derde etage naast het openstaande raam.
Ik lag maar net in bed toen ik het schaarse licht een man de kamer zag binnen komen.
Hij was in onderbroek, blootsvoets en liep meteen naar het raam dat zich dicht bij het voeteneind van mijn bed bevond. Heel even dacht ik, die is erg bezopen en moet kotsen.
Zeker hier niet was het de gewoonte dat uit een openstaand raam te doen.
Hij keek uit het raam, klom er op en draaide zich vervolgens, liet toen zijn lichaam zakken en hing toen met zijn handen aan de rand van de raamopening en,……….. LIET LOS!
Verstomd keek ik toe, als een filmfragment was het voorbij.
Met het geluid van een slecht gestemde banjo nam hij de tussen twee verdiepingen daar bevestigde rij telefoonkabels mee en knalde op het beton, waar ik hem de opvolgende seconden met het gezicht naar onder, half over de hoge stoeprand zag liggen.
Ik rende naar beneden om dit te melden, en liet het verder aan de sergeant van dienst.
Wel werd ik die nacht nog twee maal gehoord over het gebeurde voordat mijn verhaal de achterdocht wegnam. De man heeft het niet overleefd. Ik kon daarna de slaap niet meer vatten.
Sidi Bel Abbes zat erop en ik was zover om naar de para᾿s te vertrekken.
Hier moesten nog wat formaliteiten worden ingevuld door de compagnie administrateur.
Er was hier een grote groep mannen die naar verschillende regimenten gingen.
Toen ik de man liet weten naar de para᾿s van het 1e REP te gaan, toverde hij een lichte grijns op zijn gezicht. Hij vroeg me of ik ook wilde sterven, waarop ik met een gemaakt lachje antwoordde. In al mijn jonge naïviteit had ik niet het gevoel dat mij iets kon overkomen.
16-05-1958
Op 16-5-58 was ik ingedeeld bij het 1ste vreemdelingenregiment parachutisten (1e REP), 3de compagnie de combat , 4de section te Zeralda, dicht bij de Algerijnse hoofdstad Algiers.
Vanaf Algiers via de kustweg richting Zeralda, liep op een paar kilometer voor het dorp de weg landinwaarts naar het kamp van het 1e REP.
Tussen licht glooiende terra gekleurde akkers en wijnvelden, reden we na een paar honderd meter het kamp “Gosselin” binnen van de ”groene baretten”.

Mijn eerste indruk was de rust, die het kamp uitstraalde. Totaal anders als Sidi Bel Abbes. Hier huisden de elite van de elite van het legioen. Even waande ik me in een vakantie of zieken paviljoen in een mooie omgeving, op loopafstand van de blauwe zee.
Centraal de brede geasfalteerde allee, uitlopend op de vlaggenmasten van de appel en ceremonieplaats. De borders met rozen tussen eucalyptus en aan beide zijden van de allee tussen cipressen en andere naaldbomen, de barakken waarvan de ruim onderlinge afstanden van fraai groen waren voorzien.
Elke barrak had een douche en toilet. In de barakken binnen liep over de lengte in het midden een meter hoog muurtje met aan beide zijden enkelbedden met het hoofdeinde tegen het muurtje.
Na de invasie van 1942 had dit kamp ooit gediend als tijdelijk onderkomen voor de Britten en andere commandotroepen voor hun vertrek naar de Extreem Oriënt, en vanaf die tijd was er weinig of geen onderhoud meer gedaan. De metalen barakken aangevreten door roest en weer, het sanitair was in slechte staat, en de infrastructuur bleek onvoldoende om een bataljon onder te brengen.
De staf van het Para Bataljon terug uit Indo China, zag omstreeks 1955 in deze locatie de ideale plek zich er voorgoed te vestigen. BEP werd REP, en net als het 3e REP te Batna, gingen de legionair bouwers van kolonel Jean Pierre aan de slag.
De barakken werden geschilderd, sommigen vernieuwd, stoffige zandwegen werden geasfalteerd. In enkele maanden werd het kamp de trots van het regiment.
[ Bron Legion Etrangere ]
Het had een mooie uitstraling, maar jammer, men was er maar zelden. De dertig dagen in de prison daar, is een van de langste periodes die ik er zonder onderbreken heb doorgebracht.
Ik kreeg mijn intrek bij de 3de compagnie-4e sectie halfweg in het kamp naast de allee.
p.08
De barak maakte een lege indruk toen ik er binnen kwam. Als gevolg van de schermutselingen aan de Tunesische grens was het aantal manschappen aanzienlijk gereduceerd. Het regiment likte nu zijn wonden. In een felle strijd van enkele maanden in de omgeving van Guelma waren er volgens berichten 111 legionairs gesneuveld en ruim 270 gewonden gevallen, wat bijna de helft van het gevechtseffectief was.
In het kamp hield men een korte pauze en werd het tekort aan manschappen aangevuld.
In de 4e sectie maakte ik kennis met de andere legionairs en werd meteen een welkome kameraad. Het gaf me als jongste en minst ervaren een beschermend gevoel. Ingedeeld in een equipe van voltigeurs, liep ik enkele dagen later met een “MAT 49” pistoolmitrailleur, patrouilles in de kasba en de rest van Algiers.
Door mijn medekameraden werd me ook de topografie van de stad bijgebracht, waardoor ik bij het eerst verkregen ”permission de jour” (dagverlof), de cafés en madamtenten van de stad wist te vinden. Ook had ik al geleerd me in de kampkantine te laten vollopen met Kronenbourg of Mutzig bier, tot ik me de sterren waande.
29-05-1958
De 29ste mei 1958 hing er een trieste sfeer over kamp Gosselin. Via alle radio᾿s kwam het bericht binnen: ”Soleil est mort” (zon is dood).
Kolonel Jeanpierre was de zon van het regiment. Samen met zijn legionairs had hij het kamp herbouwd en met hen gestreden tot het noodlot toesloeg.
Vanuit zijn helikopter bij Guelma gaf de kolonel die 29ste mei in de namiddag de te volgen strategie door aan de 2e compagnie beneden, toen de heli waarin de kolonel met medevliegers werd getroffen door vijandelijk mitrailleurvuur en neerstortte. Jean Pierre, de piloot en een derde passagier waren dood.
Kolonel Brothier, werd zijn opvolger en wat later, kolonel Henri Dufour.
Onder deze figuren heb ik er nog twee jaren gediend.
De volgende maanden werden gevuld met kleine acties en patrouilles in Algiers, en eind 58 trok het 10de divisie regiment er weer op uit. We werden meestal weggereden of opgehaald door een reguliere Franse troepenunit. Een lange sliert camions met aanhangwagens, waarin onze uitrustingen verliet kamp Gosslin met de bedoeling te opereren in heel noordelijk Algerije-Oranie.
De 3e compagnie onder commando van kapitein Chiron installeerde zich in tenten aan de voet van een rots dicht aan zee ergens tussen de kustplaatsen Cherchel en Ténès.
De andere compagnieën betrokken verschillende sectoren verder, in het binnenland. De volgende dag mochten we genieten van zee en strand, voor ons een unieke gelegenheid. In een smalle kreek vanuit zee werd met offensieve handgranaten (gevist), bij gemis aan hengels. Later werd door de hele sectie rond een kampvuurtje gezongen en visjes gebakken. Het enige dat nog ontbrak, was bier en een stel lekkere wijven. Het genot op deze basis was kort.
In aller vroegte vertrokken we de volgende morgen via Orléanville richting Mascara, waar ik de Belg Freddy tegenkwam van de 2de compagnie die zich daar tijdelijk ophield. Samen hebben we de opleidingscompagnie bezocht, en nog gesproken met Konchof, die ons een jaar terug hard maar fair gedrild had.
Ostfeld met schoenmaat 46 hebben we er niet meer gezien.
De 3de compagnie trok weer verder, verkenningsvliegtuigen hadden een groep gesignaleerd in de wijde omgeving richting Saïda. Enige tijd later was het raak en had ik mijn eerste vuurdoop. Als voltigeurs in de voorste linie, daalde we vanaf de heuvelkam door dicht on-Hollands dicht struikgewas richting dal. Ik schrok me lam toen we plots midden in een onaangekondigde knokpartij geraakte, en ons de kogels om de oren suisde. Die mannen zaten ineens voor ons en overal, en ik was nog maagd. Deze plotselinge ontstane aanval veroorzaakte zo een adrenalinestoot, waardoor ik bijna ik mijn stoere combat broek scheet van ellende.
Ik had me het me iets anders voorgesteld. Dit was anders als in een film.