„Vreemdelingen in de zandbak”: een onverbloemde bloemlezing
ROMANTIEK ALS ROTTE VIS
Het leven van ‘n Nederlander in het Vreemdelingenlegioen
[ Nieuwsblad van het Noorden 12-04-1968 ]
(Van een medewerker)
AIs je Yves van Domber(a) kent, dan weet je dat hij in zijn jongste boek „Vreemdelingen in de Zandbak” (Uitg. Bom, Assen) een stukje van zijn eigen leven vertelt en dit dan doet zonder een blad voor de mond te nemen. De ongezonde romantiek die zo vaak en zo lang, en ook zo geheel onverdiend heeft gehangen om het vreemdelingenlegioen, wordt hier in dit boek eens en vooral de nek omgedraaid.
De soldij was even hoog als in het Nederlandse leger, zégt hij. Hét zingen was van Duitse afkomst. We begonnen met Duitse soldatenliederen in het Frans. We. zongen alle liederen van de Wehrmacht, de Kriegsmarine, de Luftwaffe en de Waffen SS, met Franse tekst, waarvan „En de duivel marcheert met ons mee”, het grote SS-lied, met het beroemde „hahaha-hahaha!” het mooiste was. De Duitsers zongen het best, alleen kenden ze geen Frans. Ver buiten de kazerne mochten ze hun eigen liedjes zingen. De troep veranderde meteen in een leger. Italianen en Fransen zongen en marcheerden dan mee of ze betoverd waren. Meestal begon het met „Het mooie Westerwoud” (heel mooi in de bergbossen, eenzaam en winderig, onder een kille winterzon), met tweede stemmen en fluiten.

Fransen voor rotzooi
De pest in het legioen zijn de Fransen. “Zodra je in een kamer met vijftig Duitsers twee Fransen zet, is het een Franse kamer, waar niets maar dan ook wérkelijk niets meer schijnt té functionerend. Zet je in een kamer;, van vijftig Fransen 48 Duitsers, dan verandert er niets. Die Fransen worden door de leiding met opzet door het legioen gemengd om rotzooi te veroorzaken. Want waar rotzooi is, kan geen opstand ontstaan. De leiding had meer van die streken. Naarmate de rangen hoger werden, nam het aantal Duitsers af, ze hadden wel wat te vertellen, maar net niet genoeg.
Er was wijn, er waren vrouwen. Twee keer per dag werd er warm gegeten, het menu hing altijd in de keuken, en er was altijd wijn bij. Ik drink geen wijn overdag. De wijn van ‘s middags ruilde ik voor thee(!). Daar begrepen ze niets van.
Er was nóg een Nederlander in Bossuet, het enige wat hij ooit deed was in de gevangenis zitten.
Van der Woude was ‘n ex-ijscoman uit Arnhem. Hij had één eigenaardigheid: wat hij vertelde, was waar. Zijn verhalen uit Korea klonken overtuigend. Hij was ook in Indië geweest. Maar een grotere ellendetroep dan ‘t legioen had hij nog nergens gezien.
Na de opleiding gaat men naar een ander kamp. Daar zal, zo menen, de recruten, het echte „goede” leven werkelijk beginnen. Ze gaan naar de kust toe. Nu zijn ze werkelijk soldaten ….
Bloeddorstige meute
Na een mislukte ontvluchtingspoging — acht weken cel, een hel voor de gestraften —-krijgt Van Domber een kans voor een aparte opleiding. Hij wordt parachutist. Daarvoor gaan ze opnieuw naar een ander kamp. Onderwijl wordt de toestand in de Noordafrikaanse gebieden van Frankrijk steeds dreigender. Aanslagen nemen toe. Niemand voelt zich meer veilig. Dat hebben de legionnairs niet gedacht. Men meende dat na de nederlaag in Indo-China het legioen wel een’ soort rustoord zou zijn. .;.- Weer een eind naar het oosten. Met de trein naar Philipville, het opleidingskamp van de parachutisten. Kranten lezen werd vervelend. Het regende aanslagen. Iedereen werd zenuwachtig. Je kon de bak in, doodvallen uit een vliegtuig, je poten breken of op een bom trappen als je een glaasje thee ging bestellen in een café. Daarom dronk ik thee in de Kasba. We werden gelegerd in een kazerne op een heuvel met uitzicht over de stad. Hier ontmoette ik de Franse para’s die opgeleid werden. Een bloeddorstige meute moordenaars, waarbij de SS een troep zusters Karmelitessen was.
“Vrijwilligers”
Toevallig was er geen plaats meer in de zalen waar bet legioen werd ondergebracht en kwam ik op een zaal met Franse, para’s. Ze waren blij eens te praten met een legionnair. Ik sliep naast een Franse para. Hij had al een actie meegemaakt. De Franse marine had een kustgebergte gebombardeerd. Daarna waren ze opgetrokken. In de gloeiende hitte. Niets te vinden. „Waarom zit jij in het legioen? Waar heb jij Frans geleerd” vroeg hij. Ik vertelde het een en ander. Antwoord: „Ze moeten jou eens een dreun voor je smoel geven.” Ik: „Waarom ging jij bij de para’s?” „Ik ging helemaal niet bij de para’s” Het bekende vrijwilligerssysteem. In Frankrijk verstaan ze onder een vrijwilliger iemand die niet weigert uit te voeren wat hem bevolen wordt. . . .
Dan begint de opleiding tot parachutist. Van opgestapelde kisten op de grond springen, steeds hoger. Dan voor het eerst uit het vliegtuig. Dan wordt ook dit weer gewoon.
Zoals de auteur Yves van Domber schrijft: Je springt eigenlijk maar één keer echt… da’s de eerste keer. Heb je dan geen angst, dan gaan alle volgende keren — bijna —- automatisch. .. maar je weet nooit of de parachute wel open zal gaan.
Rebellenoorlog

De oorlog komt steeds naderbij. Van Domber. wordt in reserve gehouden. Telkens worden manschappen met helikopters naar de plek gebracht waar een afdeling rebellen is omsingeld en die zich met de moed der wanhoop verdedigt. Van Domber denkt: waarom de één wel en de ander niet? Daar stond ik verlamd van de angst, van de hitte, de dorst… Er stond ook een aantal jachtvliegtuigen, waarvan de piloten, glimlachende Franse jongens, met de oudere legionnairs een kaartje legden. Ik probeerde of er enig verschil was tussen zitten, lopen, liggen of staan. Dat is er niet. Het hart bonst hetzelfde ritme: geweldig zwaar en nadrukkelijk, onder de schaduw van de vleugels was het niet koeler. Het was er precies even stinkend heet Ik kreeg advies van een oudere: „Als de helikopter geland is, spring er dan meteen uit en ga plat liggen, want ze schieten je meteen uit de deuropening”.
De oudere legionair ging verder met kaarten. Hij vroeg niet of ik meedeed. Ik zocht naar woorden, gedachten en geheimzinnige gebeden, maar ik zal doodvallen als er iets in mijn hoofd zat, waar ik wat aan had. Ik begon me af te vragen hoe sommige mensen toch kunnen denken dat er ooit iets zou komen uit iets waar helemaal niets in zit…. Weer wachten.
“… .een dode”, kwam iemand vertellen.
Alleen angst
Daar had je het. Het was dus toch waar. De rebellen schoten raak. De drinkbeker met angst liep over, het liep over m’n boordje. Ik ben geen type dat een glas bier in één teug leegdrinkt. „Daar heb je Schutz ook”, zei mijn kaarten leggende adviseur. Schutz had een buikschot. Je kunt beter dood zijn, had ik gelezen. „Zeven gewonden, één dode”, zei de oudere legionnair. (En ik was nog niet eens vertrokken!) „Het lijkt Indo-China wel”. „Algerije wordt een nieuw Indo-China”, zei een ander.
Ik geloofde. er niets van. Jean- Pierre zat ergens helikopters uit te delen, aan de hand van de radiorapporten van de luitenants. Het plateau was nu bijna leeg. „Een buikschot?”, vroeg ik mijn kaartleggende adviseur overbodig. „Ja, maar dat heeft Schutz al vier maal gehad, in Indo-China; over een paar weken zit hij weer in de kantine. De kleine helikopter schoot de hoogte in en gierend ging Schutz kantinewaarts.
Dan geven de rebellen zich over. Van Domber is niet in het gevecht geweest hij heeft alleen de angst leren kennen.
Opeens vindt hij het genoeg. Zijn avontuurlijke ziel heeft genoeg „genoten” van de romantiek van het legioen. Hij deserteert met een Nederlandse boot, die hem in Marseille aan wal zet. Hij weet naar Italië te ontkomen, wordt daar gehuisvest in een kamp, krijgt na veel moeite reisgeld en gaat per trein naar Holland terug.
Rustig is het einde van het boek. Om de geschiedenis even verder te vertellen: Nadat Van Domber een paar jaar in ons land heeft gewoond, trouwde, boeken vertaalde en artikelen schreef, kon hij het toch niet thuis harden. Met vrouw en kind trok hij met zijn autootje naar Perzië…. Nu is hij op terugreis.
(a) C.A.A. Koreman
pseudoniem Yves van Domber
No Matricule: onbekend
September 1954 – September 1955

Kafttekst van het boek “Vreemdelingen in de zandbak”
De wildste jaren in het leven van Yves van Domber (het pseudoniem van een bekende Nederlandse journalist) zijn in dit boek vastgelegd. Het is de periode die hij doorbracht in een gemeenschap van avonturiers, roekelozen en moordenaars, onder wie ex-nazi’s.
Een periode waarin hij de ergste grofheden die een mens maar kan begaan, moest leren aanvaarden als het gedragspatroon van een elitekorps: het Franse Vreemdelingenlegioen.
Het zal iedereen die ‘Vreemdelingen in de zandbak’ leest, zonder meer duidelijk zijn dat leven in die keiharde, onmenselijke troep voor de schrijver onmogelijk vol te houden was.
Zijn ontsnappingspogingen waarvan er tenslotte een gelukte, bevestigen de indruk dat een legionair geen mens is, maar een opgejaagd, vogelvrij dier dat geen rechten kent.
Yves van Domber koos de romanvorm om verslag uit te brengen van deze ware belevenissen die zonder overdrijving en ongekleurd zijn beschreven.
Sommige gebeurtenissen zijn – ten einde shockeffecten te vermijden – sober weergegeven.
Yves van Domber in de clinch met ‘gelijknamige’
Van een onzer verslaggevers
HAARLEM — Yves van Domber, een zakenman in Algiers met de Franse nationaliteit, heeft een kort geding aangespannen tegen de Nederlandse publicist C. A. Koreman uit Haarlem die onder het pseudoniem Yves van Domber boeken publiceert en onder meer in Elseviers Weekblad schrijft.
Op straffe van 25000 gulden per overtreding eist Yves van Domber uit Algiers
— een kleinzoon van een naar Algerije geëmigreerde Zeeuw —
dat de heer Koreman stopt met het gebruik van zijn naam als pseudoniem.
Hij zou hiervan schade ondervinden, met name omdat de pseudo-Yves van Domber in Algerije in het vreemdelingenlegioen heeft gezeten.
Van de uitgeverij Bom te Amsterdam, die het boek van pseudo-Yves Vreemdeling in de zandbak’ (over het vreemdelingenlegioen) en het door pseudo- Yves samengestelde ‘Ik leefde met Martin Bormann’ uitgegeven heeft, eist de echte Yves van Domber dat zij onmiddellijk stopt met het verkopen van deze boeken onder de naam Yves van Domber.
De heer Koreman zegt desgevraagd door zijn advocaat geadviseerd te zijn niet te vertellen hoe hij aan het pseudoniem Yves van Domber is gekomen, voordat het kort geding op 4 december aanstaande dient voor de president van de Amsterdamse rechtbank. Hij wil echter ook niet zeggen dat hij de in Algiers wonende Yves van Domber niet gekend zou hebben voordat hij het pseudoniem koos.
De heer Koreman publiceert reeds negen jaar onder de naam Yves van Domber.
[ Trouw 28-11-1969 ]
Yves v. Domber als pseudoniem gehandhaafd
AMSTERDAM — De Haarlemse journalist Cornelis Koreman kan het pseudoniem Yves van Domber, onder welk hij het boek Ik leefde met Martin Bormann schreef, blijven voeren.
Dit bleek vanmorgen uit de uitspraak van de president van de Amsterdamse rechtbank in het kort geding, dat de in Algiers wonende van Nederlandse afkomst zijnde importeur Yves Vandomber tegen hem had aangespannen.
De president overwoog dat de eiser, die een dwangsom van 25.000 gulden had gevraagd voor elke keer dat zijn naam werd gebruikt, de Franse nationaliteit bezit en dat diens naam was afgeleid van de Nederlandse naam Van Domburg.
Volgens de president stonden niet voldoende gegevens ter beschikking om aan te nemen dat de namen Yves Vandomber eisers wettige naam en voornaam zijn.
Zeer waarschijnlijk ging het bij de zakenman uit Algiers om Yves Clair VANDOMBER geboren op 22 november 1907 in Bizerte, Tunisie als zoon van Roger Marin VANDOMBER (geboren in Parijs) en Jeanne Honorine Alexandrine BOISSONNIS.
Van beroep was hij Agent de fabriques.
Op 10 februari 1938 trouwde hij in Algers, Algerije.
YVES VAN DOMBER, Amsterdam 1929. Studeerde drie jaar metaphysica in Nijmegen, bracht een jaar in het Vreemdelingenlegioen door – als cavalerist, burolist en parachutist: acht sprongen ging in de handel, studeerde drie jaar metaphysica in Amsterdam en vulde twee jaar lang het door hem uitgegeven maandblad Kenon. Ontvluchtte Amsterdam bij het uitbreken van de hondsdolheid, nu als auteur-vertaler gevestigd in Enschede.
https://www.dbnl.org/tekst/_ran002196301_01/_ran002196301_01.pdf