1909 “Het Vreemdelingen legioen” door Franz Toussaint

De locomotief 08-04-1909


Nu korten tijd geleden de opzienbarende desertie, gepleegd door vijftig soldaten van het vreemdenlegioen, die met pak en zak hun garnizoen in Algiers verlieten, weder de aandacht gevestigd heeft op dit keurkorps, is het misschien niet ongewenscht een en ander mee te delen uit een artikel verschenen in het bekende tijdschrift “Je sais tout”, van de hand van een oud-officier van het Legioen, den heer Franz Toussaint, waarin hij een oratio pro domo houdt voor zijn geliefd korps.
Hieruit blijkt weer, welk een niet hoog genoeg te schatten strijdmiddel Frankrijk in dit wapen bezit, hoewel men uit de beschrijving wel een weinig den indruk krijgt van een regiment uit den tijd, waarin Alexandre Dumas zijn onvergetelijke roman „Les trois Mousquetaires” laat spelen.
De schrijver begint met te verhalen, hoe hij in Zuid-Tunis, nog niet bij het legioen ingedeeld, als luitenant der Spahi’s belast was met het brengen van de laatste eer aan een legionaris, verdronken bij zijn poging, een inboorling te redden, wiens boot door een rukwind op een rivier was omgeslagen. Bij die gelegenheid, zoo schrijft hij, ben ik tegenwoordig geweest bij een onvergetelijk toneel, dat mij, ineens, het mysterie deed begrijpen, dat die heldenschaar omgeeft. De wapenbroeders van den overledene plaatsten naast den grafkuil een van dunne planken getimmerde kiel, waarop verschillende inscripties te lezen stonden, een soort van Harlekijn’s pak, dat op tegelijk groteske en droevige wijze het leven van den gestorven krijgsmakker symboliseerde. Daarop trad een korporaal naar voren, een Italiaan, die vroeger geestelijke was geweest, en begon de gebeden op te zeggen. Plotseling zweeg hij, hief het hoofd op, en met het gelaat gewend naar den kapitein en de troep, hief hij het refrein aan van de oude legionarissen van Sebastopol, de „Marseillaise van het Legioen:
Partout où nous sommes passés,
Partout où nous sommes tombés,
Nous avons semé de la gloire,
Rataplan.
En allen voelden wij, dat dit lied paste bij de begrafenis van een legioensoldaat! Het vreemdenlegioen, dat bestaat uit twee regimenten van zes bataljons, elk vier compagnieën sterk, en in het geheel 146 officieren en 7726 man telt, vormt een onovertroffen troepen afdeeling en is een kracht in het Fransche leger, die de natie tot eer strekt.

Wat sommigen ook mogen beweren, die Frankrijk dit bezit benijden, de meesten van hen, die in deze gelederen gediend hebben, denken in hun vaderland teruggekeerd, met weemoed terug aan de vervlogen tijd, toen zij de uniform van het Legioen droegen,

Zonder twijfel wordt de discipline streng gehandhaafd, maar de officieren houden van hun soldaten en weten hen te waarderen in de landen, die zoals Duitschland, een groot contingent legioensoldaten leveren, zijn reeds lang verenigingen opgericht van oude legionarissen, die geregeld die elkander komen om de betrekkingen, vaak daarginds ontstaan in moeilijke uren, te onderhouden. Allen zijn het er over eens, dat zij bij het Legioen beter gevoed en behandeld worden dan vaak in het eigen leger en dat de soldaten met een soort fanatieke liefde aan hun officieren hangen, die hun chefs, maar tevens hun kameraden zijn. Hoewel het pas in 1831 in zijn tegenwoordigen vorm werd opgericht, vindt het vreemdenlegioen zijn oorsprong in de huur benden, waarvan de Fransche koningen zich sinds den honderjarigen oorlog altijd bedienden. De tegenwoordige bevelhebbers doen niet onder in roem van de aanvoerders dier hulptroepen; de namen van Mac-Mahon, Pelissier Saussiel, Négrier zijn bekend genoeg. En dat het wapen op hoogen prijs gesteld wordt, bewijst wel het feit, dat het voor ieder jong officier van het Fransche leger, die zijn vak werkelijk lief heeft, een ideaal, is, ingedeeld te worden bij het Legioen. Het oefent zijn magische aantrekkingskracht uit op alle nationaliteiten, hoewel het voornamelijk Duitschers en Oostenrijkers zijn, die er bij dienst nemen. De verhouding is aldus: 55 pet. Elzassers en Lotharingers, 30 pet. Duitschers en Oostenrijkers, de rest bestaat uit Belgen, Russen, Italianen enz.

Zoals men weet, bestaat het korps slechts uit vrijwilligers, wier opgaven betreffende hun burgerlijken stand nooit gecontroleerd worden. De meeste van die verklaringen zijn dan ook valsch. Deze omstandigheid echter vormt juist eender voornaamste bestaansredenen van deze eigenaardige afdeeling, welke wel een weinig uit den tijd is bij de tegenwoordig heerschende denkbeelden.

Maar dit is nodig. Het Legioen is een soort toevluchtsoord voor mannen, die in het leven mistasten, en dienst nemen om vergetelheid te zoeken en tevens te trachten het verloren eergevoel te herwinnen, «door zich als een held te onderscheiden te midden van deze dapperen. Natuurlijk, dat de garnizoensdienst in de Afrikaansche plaatsen niet de aangewezen werkkring is voor deze paria’s van het beschaafde leven. Zoodra dan ook ergens gevaar dreigt of een veldtocht in zicht is zendt men hen er heen en dan toonen zij zich de beste soldaten ter wereld. Dan zijn ze allen Franschen geworden en sneuvelen met een glimlach op de lippen, Schrijft kapitein Toussaint.
Even talrijk als de nationaliteiten, zijn de verschillende vakken vertegenwoordigd : metselaars treft men onder hen, daglooners, polderwerkers, bedienden van handelsinrichtingen, schoenmakers, bakkers, slotenmakers, boeren, studenten, kleermakers, schilders, smeden, werktuigkundigen. Op het register, waarboven staat: zonder beroep, schrijven zich vele ingenieurs in, voortvluchtige bankiers, architecten, notarissen.
Men vertelt, dat toen generaal De Costagny het tijdens den veldtocht in Mexico noodig vond, iederen Zondag de officieren en manschappen te vereenigen om de mis te hooren lezen, er op zekeren dag geen enkele priester uit de omstreken te vinden was; allen waren gevlucht. Toen trad een iegionaris uit het gelid sloeg aan en zeide: „Generaal, als « het goed vindt, zal u ik de mis lezen, dat kan ik best.”
Gij ?” «Welzeker. Voordat ik het geweer ter hand nam, was ik een eerzaam priester.” Vele Franschen schrijven zich in onder vreemde nationaliteit, evenals Duitschers en Oostenrijkers, terwijl Spanjaarden zich dikwijls voor Italianen uitgeven. Gelaten wachten zij in de kleine garnizoenen de oproeping tot het actieve krijgsmansleven af; in dien tijd echter is hun grootste vijand de z. g. cafard, een soort dolzinnige verblindheid, die hen plotseling overvalt en hen drijft tot dwaasheden, als de desertie der vijftig uit het kamp van Bou-Rechid.

Tot op zekeren ochtend de officier van de week bij het morgenappel mededeelt, dat men spoedig een expeditie verwacht en de mannen er aan herinnert dat alleen zij in aanmerking komen om ingedeeld te worden, die een maand lang.! geen straf hebben gehad. Vanaf dit oogenblik is ieder man vol zorg voor zijn uitrusting, staat als een kaars in het gelid en houdt zich doodstil. Het gedrag is voorbeeldig. Het lijkt wel of de kazerne ineen klooster veranderd is. En dan, voorwaarts. Bij den afmarsch spreekt de kolonel hen toe en herinnert hen aan de daden van hunne voorgangers. Hij weet, dat ook zij den ouden roem zullen hoog houden. In het Zuiden der Fransche kolonies komt desertie zeer sporadisch voor, aangezien hier aan de inboorlingen een premie is uitgeloofd, voor het vangen van een legionaris, die zich zonder verlof uit zijn garnizoen verwijderd heeft. „Eens kreeg ik bevel het is nog altijd de oud-officier, die aan het woord is —te Médenine een deserteur te gaan afhalen, die dicht bij de grens van Tripolis gearresteerd was. Spiegel, een Duitscher, uitmuntend soldaat, was plotseling, door de cafard overvallen, uit Tunis gevlucht naar Kairouan, waar hij zijn uitrusting had verkocht en het kreupelhout was ingedrongen om, hierdoor aan het oog onttrokken de grens over te komen.

„De man had het onmogelijke gedaan om zijn doel te bereiken: ’s nachts ging hij op weg, overdag verborg hij zich, meestal in putten, waarin hij tot aan den hals inkroop om zijn vervolgers te ontgaan ; dagenlang leefde hij van wortels, terwijl hij afgemat werd door een vreeslijke dysenterie. Op het oogenblik dat hij op het punt stond de grens te bereiken, werd hij door Arabieren gegrepen, gekneveld en in een kelder geworpen, waarin hij 28 uur doorbracht, gekweld dooreen afschuwelijke hitte. Daarna bracht men hem naar het kamp van Médenine, waar hij acht dagen met den dood worstelde, Toen was hij er bovenop en werd hij uitgeleverd. „Onderweg gedroeg hij zich voorbeeldig en las hij steeds uiteen klein zakbijbeltje, waarin een vrouwenportret geplakt was.
Op alle vragen antwoordde hij slechts met het arabische woord „maldum”, dat ongeveer hetzelfde betekent als het Russische „nietchewo”; het doet er niet toe. „Ik kon niet nalaten den man, toen ik hem afleverde, de hand te drukken.”

© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over