Een Hollandsche jongen in Fransche krijgsdienst

Drie man nemen zestien Duitschers gevangen.
De eerste reeks heldendaden van den Tilburger Van Rooij.
Na drie weken bij Curi gevochten te hebben ontvingen wij bevel naar Arras te gaan. Wij kwamen daar, het was eind November en al schemer, om drie uur ‘s middags aan en marcheerden dadelijk naar de plaats waar een ontzettend vuur van de Duitschers woedde. Ik heb vóór en na dien dag nooit zo’n helsche kanonnade bijgewoond, het was gewoon gruwelijk. U moet daarbij wel onthouden dat wij vreemdelingen, in de gehele oorlog steeds vooraan op de gevaarlijkste punten werden geplaatst. Dat was het noodlot van onze indeling bij het vreemdelingenlegioen. De gekleurde troepen, die nu eenmaal er aan gewoon zijn willen niet vechten als zij niet gedekt worden door dat legioen, daar waren wij dus in zekeren zin de dupe van.
O, we beklaagden ons niet, we deden ons best. En voor deze periode, de strijd bij Arras, hebben vooral de Grieksche vrijwilligers prachtig gevochten. Het was een wonder wat die kerels durfden en deden, zij hebben zich met roem overladen. In het reusachtig overstelpend vuur kregen wij de opdracht de eerste linie te bezetten op 20 a 25 meter van de Duitsche loopgraven.
Het gelukte ons met niet veel verliezen daar te komen en tegen den avond verminderde het vuur. Wij hoorden de Duitschers zingen en babbelen, iets opgeschroefs was daarin, iets kunstmatigs als van hogerhand bevolen. dat bij het Fransche leger niet denkbaar is. Wij waren te diep ernstig na zo’n gruwelijke dag en niemand van de hogere dwong ons tot vrolijkheid. Ze riepen ons ook een en ander toe vrij hartelijk:
— Nou, hoe gaat het dan?
En wij: — Best en jullie?
Wat ben jij voor een landsman? — Pommeraan!
En jij? — Wij zijn Hollanders!
— Hollanders! En vechten jullie tegen Duitschers, jullie zwijnbonden. wacht, we zullen je eens even wat geven!
En dan volgde een hagelbui van kogel.
Daar in Arras had ik nog een vreemd avontuur. De sergeant van onze sectie., een Maastrichtenaar, Jansen waar ik straks nog meer van vertellen zal, had drie man uit gestuurd op verkenning: een Hollandsche korporaal Dinkhuizen uit Den Haag, een Poolsche Jood die student was en ik.
In het pikkeduister waren we al gauw de weg kwijt en op geen stukken na wisten we waar we waren, noch waar wjj heen moesten. Richting en afstand, we waren er alle besef van verloren. Na een halfuur vond de korporaal het gewenscht eens een schot in de lucht te lossen, misschien dat er wat op volgde. En er volgde wat op! Een sterke Duitsche patrouille begon onmiddellijk verwoed in onze richting te schieten. Wij smeten ons vlak op den grond, diep in de bagger en daar lagen we dan. Onbeweeglijk en alle kogels gingen hoog boven ons voorbij. Maar na twintig minuten riep Dinkhuizen:
— Zeg jongens, ik verrek hier van dé kou op die griezelige pap, wij trekken achteruit, voorzichtig aan maar.
Ik waarschuwde: — Als die Duitschers ons pakken, schieten ze ons als vreemdelingen zeker voor onze rapen. Je riskeert je leven.
Maar Dinkhuizen: Dat wagen we er op, vooruit! Wij kropen dan voort in dat stikkedonker over een drassig veld. En jawel, daar opeens schieten we over den rand van een diepen kuil, zo’n enorm gat, dat door de obussen geslagen wordt: En net gaat er van de Duitschen kant een lichtkogel op — dien laten ze elke twintig minuten gaan om het terrein te verkennen —en daar onderscheiden we een groot aantal Duitsche soldaten in den kuil. Ons hadden ze gelukkig niet in de gaten.

[ Géo Michel ]
— Ziezo, fluistert Dinkhnizen, nu is ons laatste uur geslagen, jongens. Tenminste… ging hij voort, als we niet. wegkomen. Ik heb daarnet bij dat licht gezien, waar we zijn, we moeten die kant uit! De Pool wilde toch liever eerst nog eens gaan kijken en wij vonden dat goed. Dus kropen we naar den kuil toe. De Duitschers moeten ons toen in het donker bemerkt hebben, want ik hoor fluisteren:
— Daar komen de Fransozen!
En meteen gaat in den kuil een groot geschreeuw op: „Wij zijn kameraden, schiet ons niet dood. wij zijn kameraden!”, in stumperig Fransch.
De Pool, die goed Duitsch verstond, antwoordde met een grove, brutale stem:
— Nou vooruit dan, kom voor den dag, maar één voor één en laat je wapens beneden liggen. Stel je voor dat daar vijftien Duitschers met een officier uit den kuil kruipen! En net toen ze, ongewapend, bijeen stonden en wij met onze geweren rond hen daar gaat weer een Duitsche lichtkogel op en zien zij dat wij maar met ons drieën zijn. Toen had je die kerels moeten horen, ik dacht dat de officier, een ouwe landstormer, een beroerte kreeg! Maar zij waren geknipt en toen wat later sergeant Jansen met zes man kwam om ons te zoeken, kon hij ons helpen de krijgsgevangenen naar achteren te brengen.
Wij zijn omdat gebeurde eervol vermeld en door den kolonel voor het front gecomplimenteerd.
De Hollanders hadden een goeden naam en ze verdienden dat ook wel, maar één van hen, zekere Van Rooy uit Tilburg, heeft hen allen de loef afgestoken. Nooit heb ik zo’n brutalen kerel gezien, eenvoudig ongelofelijk wat die durfde en deed. Het was een typische boerenpummel, hij sprak geen woord Fransch, ofschoon hij een poos op een lakenweverij in het zuiden had gewerkt, en de officieren waren wat schuw van ‘m, omdat ie de hele dag met tabak in zijn mond liep en niet zuinig kwijlde. Maar dat baasje heeft toch het Legioen van Eer en de militaire orde verdiend om zijn heldhaftig werk. Hier bij Arras op een avond terwijl we op patrouille liepen, vroeg hij verlof er eens in z’n eentje op uit te mogen gaan.
– Ik wil guns wel is gaan kaike! liet ie de sergeant zeggen. Deze dorst dat niet aan en gaf hem twee man mede. Maar die waren spoedig terug, zonder Van Rooy die ze verloren hadden. Ze wisten niet waar hij gebleven was.
De sergeant, een Franschman, vond de zaak nogal eenvoudig: een deserteur! Die vent was naar de Duitschers overgelopen. Hij zond rapport aan de kapitein, de kapitein boodschapte het de kolonel en de kolonel gaf last. om gauw een patrouille uit te sturen om Van Rooy levend of dood te pakken. En juist wilde de patrouille uitgaan, daar kwam Van Rooy terug met twee Duitsche soldaten, schildwachten, die hij overrompeld en meegenomen had. —We wilden juist naar je gaan zoeken, zei de kapitein. En hij met zijn tabaksmond en z’n dialect-. — Niks nodig, ik weet de weg beter as jai Nou, en hier heb ie me vrachie!
Later heeft dezelfde Van Rooy, die trouwens artillerist was geweest in het Hollandsche leger en dus wel iets van dienen wist zich telkens onderscheiden. Alle hachelijke ondernemingen waren voor hem. Op een dag kwam ie van zoon sluip strooptocht terug met een Duitsch machinegeweer. Dè generaal heeft hem toen persoonlijk geluk gewenscht en, volgens ‘t gebruik, op beide wangen gezoend. En bood hem de korporaalsstrepen. Maar wat antwoordde de rakker: — Wat hek daaran. Stuur die stippen maar an de president van de republiek. Nu voortaan op alle gevaarlijke baantjes moest Van Rooy uit.
Op een middag tegen 2 uur, het was klaarlichte dag. zag ie uit z’n loopgraaf 3 man rondsluipen. — Ik geloof, dat het Boches zijn riep ie. Ik wil er is gaan kijken. Net valt er een schot, dat één van ons in den schouder treft. Nu, toen wilde die kapitein van uitsturen van Van Rooy niets weten het was veel te gevaarlijk. Van Rooy moest in de loopgraaf blijven. Maar die hield aan.
— La mijn nou begaan, sprak ie- en korporaal Dinkhuizen bracht zijn woorden trouw in het Fransch oven ik la’me geweer hier, as ik jou revolver mee mag. — Het is op je eigen verantwoording, zei de kapitein ten slotte.
— Vooruit, dat waag ik er op riep Van Rooy. En hij weg. Vijf kwartier bleef ie uit…. en hij kwam terug met drie Duitsche soldaten, die hun geweren droegen en ieder een zak met handgranaten. — ‘t hadde d’r vier kunne weze. zei ie maar die vierde wou niet en toen heb ik hem het licht uitgeblazen, dat snap je.
Voor deze heldendaad kreeg Van Rooy de militaire medaille en generaal Joffre liet hem uit z’n eigen zak honderd franc erbij aanbieden met zijn compliment. Nou toen was Van Rooy toch in z’n sas.
Hij was nooit scheutig, maar toen trakteerde die. Alleen de Hollandsche jongens natuurlijk.
(Wordt vervolgd)