Een Hollandsche jongen in Franschen krijgsdienst

Gruwelijke strijd tegen de Turken.
Gewond terug naar Frankrijk.
Naar den Elzas.
Bevroren voeten.
Wij werden dus aangewezen om naar de Dardanellen te gaan. Dat was, eerlijk gezegd, de meesten van ons niet aangenaam, wij waren in elk geval liever in Frankrijk gebleven want voor Frankrijk hadden we dienst genomen en het leek dat de belangen in Turkije nu niet zozeer onze sympathie en onze opoffering verdiende. Maar men heeft niet te beslissen, men heeft slechts te gehoorzamen, bij één aarzeling wordt men in oorlogstijd eenvoudig tegen de muur gezet. Te voet trokken we naar Epernay en vandaar per trein naar Orleans, waar het depot gevestigd is van het tweede regiment vreemdelingenlegioen. En van daar, na kort oponthoud, naar Marseille. Uit Marseille voerde, de “Philipville” een groot transportschip, ons eerst over naar Algiers en van daar begon de reis naar Lemnos.
De reis over de Middellandse zee is weer één der aangename herinneringen uit mijn krijgstijd. Wij werden vervoerd, wij met 27.000 man, op enkele oude Italiaanse schepen uit den dienst naar Buenos Ayres. We sliepen en aten aan dek, zonder andere behoefte voor onzen welstand dan een wollen deken. Het was een belangwekkende tocht, een wilde vloot van dertien Fransche en Engelsche oorlogsschepen en torpedojagers zwermde als beveiliging om ons heen. Daar was ook de “Gambetta” bij het Fransche oorlogsschip, dat later getorpedeerd is. Voortdurend stond een woeste vlakte van golvenschuim rond om ons, zover het oog reikte: daar kon geen vreemd oorlogsschip, ook geen duikboot binnenkomen. We zagen onder weg nog twee Oostenrijksche torpedoboten, maar die vonden het, vermoedelijk het veiligst geen notitie van ons te nemen. Trouwens onze beschermende vloot deed ‘t van hen evenmin, haar taak was ons buiten gevaar te houden, niet om avonturen te provoceren. Zes dagen duurde de reis, aldoor hadden we mooi weer en we genoten veel van de frisse lucht en het ruime veilige uitzicht, wij die zolang in de loopgraven een benauwde, gevaarlijke wereldje hadden gehad. Overigens was er natuurlijk weinig afwisseling. Wie geld had deed mee aan het kaartspelen dat hier evenals in de loop graven, heel druk werd gedaan en overigens werd er uitgekeken of geslapen.
Op Lemnos blven we drie dagen. De bevolking ontving er ons met gejuich, ja we werden er verwend, met geld en veel eten en feestuitvoeringen. En ik herinner me vóór al dat het prachtig zonnig weer was, een zomersche weelde, een verrukking na den somberen donkeren winter in Frankrijk. Te levendiger herinner ik me dit, omdat daarna, toen we vooruit en in de loopgraven gingen, een, koude regen storm losbrak, die ons overgoot, zodat we tot aan onze borsten in de kuilen stonden, waarin we ons leven hadden te beveiligen. Maar het was betrekkelijk nog een periode van rust na wat daarna volgde. Den geheelen trouwens korten tijd van mijn verblijf in het oosten herinner ik me als één verwarring en één krijgsrumoer. Na weer drie dagen in de loopgraven te zijn geweest, kwam het bevel aan den linkervleugel van onze divisie om zich in te schepen voor Galipolis. Dertienduizend man vertrokken en na vier dagen kwamen er zevenduizend van terug, ruim vijfduizend waren er verdronken! En al die vijfduizend waren vreemdelingen, vrijwilligers. Ik behoorde bij een tweede afdeeling die een paar dagen vóór Kerstmis uitgezonden werd, om met Engelsche troepen samen te landen hij een dorpje in de buurt van Galipolis. Deze landing slaagde. Maar een tijd van verschrikking begon. Alle dagen, van dat de schemer in den morgen doorbrak, tot diep in den nacht, werd er gevochten. Loopgraven waren nog niet aangelegd en we streden dus zonder enige dekking op de vrije kustvlakten tegen de woedend varende Turken en Duitschers. Onze verliezen waren dan ook ontzettend.
Een paar maal ben ik met een afdeeling gewonden uitgestuurd naar Lemnos en naar Boni op de Grieksche kust, waar die stakkers onderdak worden gebracht. In Boni — dit is een typische bijzonderheid — was de Nederlandsche consul een dokter, die bijzonder welwillend speciaal de Hollandsche gekwetsten behandelde. Teruggekomen vocht ik dadelijk weer mee. Ontzien werd niemand, naar zwakte of vermoeienis werd niet gevraagd. Ik durf te zeggen, dat- hier in het oosten oneindig veel meer van de soldaten werd gevergd dan ginds in het goede Frankrijk. Hoe dikwijls, in de korte onrustige nachten, die we op den harden grond door maakten, droomden we van Arras en Soissons, waar het toch nog beter was, dan in dit gruwelijke Turksche land. Bovendien hadden we daar de veiligheid van het achterland als een geruststelling in onze gedachten, hier konden we niet meer weg als we verloren moesten we zonder pardon sterven. Dat voelen we onophoudelijk.
Toen werd ook ik gewond. Het was de 13de Januari op den morgen dat een scherf van een Duitsche granaat me tegen den rechterschouder sloeg. Ik heb het stuk nog een poos bewaard, met een wonderlijke verstrooidheid van geest was mijn eerste beweging het op te rapen en in den zak te steken: „S 1914″ stond or op.
Met zeventien andere gewonden werd ik toen weggebracht naar de plaats waar ik vroeger zelf gekwetsten had heengebracht: naar Boni naar mijn goeden Hollandschen consul, die een zoo welwillend dokter was. Veertien dagen bleef ik onder zijn behandeling, toen op mijn dringend verzoek zette hij me op de lijst van manschappen die naar Frankrijk behoorden te worden teruggestuurd. Ik was gelukkig. Mijn schouder deed me nog afschuwelijk pijn, maar ik telde dat licht, bij de blijde weelde van weg te mogen uit dat nare Turksche moordland. Nog met smart van mijn wond, maar licht van hart kwam ik bij ons dépót te Orleans.
De Fransche officier van gezondheid onderzocht me en schreef me veertien dagen rust voor. Maar, rust voor een vreemdeling! De staat betaalt aan den gewonden soldaat, die uitrust, 23 sous per dag. vijfenzestig cents Hollandsch, doch met zoo luttele toelage moet men bij familie of kennissen onderdak kunnen komen, goeddeels uit weldadigheid. Ik kende echter niemand en ik had dus aan mijn rust en mijn 23 sous niets. Ik verzocht dus dan maar teruggestuurd te worden naar mijn kameraden aan het front aan de Dardanellen.

Hartmannsweilerkopf
Dit werd geweigerd, maar men stond mij de gunst toe, van overplaatsing in een vreemdelingenbataljon dat in den Elzas vocht.
Als ik van Steinbach en Hartmannsweilerkopf spreek, herinnert ge u woeste aanvallen in het begin van 1915, die tot de bloedigste van den oorlog behoorden. Het was ondragelijk koud bovendien en het sneeuwde alle dagen. Daarvan ben ik ook het slachtoffer geworden. Want op een nacht werden wij op post gezet in het open veld, wij: een aantal Hollanders. Het is ons noodlottig geworden. want zes van ons moesten, toen het uur van aflossing geslagen had. met be vroren voeten worden weggedragen. Ach, hoe bitter ellendig waren we er aan toe. Een van ons Dinkhuizen, ik noemde hem u al eens, en hij was vroeger te Rotterdam aan den Franschen bazaar verbonden, was zó erg door de kou gefolterd, dat hem beide voeten moesten worden afgezet.
Een ander, een Zweedsch journalist met een Hollandschen naam: Blom, die mee te velde was getrokken om studies te maken voor een roman, verloor één voet op de operatietafel. Ik kwam er iets beter af. In het hospitaal te Melun trof ik een goede zuster, een non, die me met massage en warme baden zo ver wist te genezen, dat ik mijn voeten behouden mocht. Ik verloor slechts de teennagels van mijn tenen die afgezworen zijn. Daarom loop ik nu nog wat moeilijk. Voor den dienst bleef ik echter geschikt.
(Wordt vervolgd)