
Vue aérienne de l’ Entrée du Vieux Port
avec les Forts St-Jean et St-Nicolas dans le fond
p01.
September 1957, en schitterend weer in Zuid-Frankrijk.
Vanaf de hoge muren van het fort St. Nicolas, tuurde ik over de mooie omgeving van de oude haven van Marseille. Er liepen hier in het fort nog een man of twintig rond van verschillende nationaliteiten, meest Duitsers, allen toekomstige legionairs wachtend op verscheping naar Algerije.
Vroeger thuis, hoorde je wel eens verhalen over het vreemdelingenlegioen en via krant en polygoon nieuws in bioscopen werd het legioen in de Algerijnse oorlog belicht.
Ik was zestien en werkte in een metaaldraaierij in Tilburg samen met een goede vriend, Piet de Bakker. Ik kende hem vanaf mijn veertiende en met nog een paar vrienden trokken we samen op. Piet was een paar jaar ouder. Een jongen die vol ideeën zat en leuk kon vertellen. Hij had weer eens iets gehoord of gelezen over het legioen, en vertelde dan vol interesse.
Het klonk mij in die tijd als muziek! Ze hadden kepie᾽s op, droegen mooie tenue᾽s, het was een hard leger, dat vocht en opereerde in de woeste bergen en Sahara van Noord-Afrika.
Ik wist toen nog niets over Indo-China, waar meer dan 10.000 legionairs zijn gesneuveld. Ook gingen soms dieren mee die als mascotte voor de troepen uitliepen tijdens parades.
“Machtig mooi man”, vertelde Piet dan. Er werd volgens hem ook geronseld en eenmaal erin kon je er niet meer weg.
In 1957 nam ik dat voor waar aan. Dat laatste was anders, bleek later. Na het uitdienen van je contract kon je vertrekken of bijtekenen.
Die bijtekende bleven voor het avontuur en legioen-romantiek, of konden vanwege hun verleden beter in hun vaderland wegblijven.
In de metaaldraaierij in Tilburg kreeg ik ontslag. Ik had een draaibank gemold en de baas uitgescholden. Ik kon anders te werk als leerling cv. monteur.
Piet zag ik nog af en toe, maar na verloop van tijd verdween hij definitief uit het zicht.

16-08-1956
Enige tijd later las ik in de krant een stuk over drie Tilburgse jongens, die zich hadden aangemeld via een bureau van het legioen in Rijsel, (Lille) Noord-Frankrijk.
Twee daarvan zijn door hun ouders uit Lille teruggehaald.
Piet de Bakker ging niet mee terug en bleef in de citadel van Lille.
In Parijs of Marseille tekende hij in 1956 een contract voor vijf jaar in het legioen.
Hij ging naar Algerije waar hij 1958 is gesneuveld, wat ik vernam toen ik er zelf was.
(a) Petrus Bakkers geboren op 21 april 1938 in Tilburg.
Gesneuveld in dienst van het Franse Vreemdelingenlegioen
op 16 september 1957 in Algerije.
Jammerlijk heb ik hem daar niet meer ontmoet.
Ik was intussen achttien, en met onafgemaakte textielschool, had ik vanaf mijn veertiende allerlei baantjes in een of andere duffe fabriek. Ook het cv. monteur vak werd niks. Ik botste voortdurend met een saaie maatschappij van ja-knikkers waaraan ik slaafs deelnam en me niet gelukkig voelde.
Al een tijdje speelde ik met de gedachte het avontuur te zoeken, weg uit Nederland, maar wist niet hoe en waarheen. In een opwelling was ik op mijn zestiende Nederland al eens ontvlucht maar kwam toen niet verder als Antwerpen, vanwaar ik door de Belgische gendarme werd opgepikt en op een Nederlandse vrachtwagen werd afgeleverd, aan een politiebureau in Tilburg. Mijn ouders waren natuurlijk gerustgesteld, hun jongste was weer terecht.
Ik herinner me het korte zinnetje van mijn vader, die toen de vijf en zestig als was gepasseerd: ” Niet meer doen Willie!” Een man van weinig woorden. Hij hield dus van me!
Dat weerhield mij niet om wat later toch weer een poging te wagen. Nu achteraf had ik een en ander anders willen doen, maar spijt heb ik zeker niet. Ik was intussen achttien, en op een rotdag was het zover.
Ik nam initiatief‚ dacht na, en de kortsluiting volgde: ”ik ging op avontuur”. Ik wist nog weinig van het leven. Nu heb je psychologen, vroeger had je het legioen.
Het moet tussen 10 en 14 september geweest zijn toen ik op de fiets sprong en richting België reed. Mijn besluit stond vast, dit keer kwam ik voorlopig niet terug!
Vanuit Tilburg maar net twintig kilometer achter me of bij Poppel net over de Belgische grens reed ik lek. Ik kon de fiets achterlaten bij een rijwielhandelaar voor een leenfiets, en ging verder via Turnhout, Antwerpen in richting Gent.
p02.
Tussen Gent en Kortrijk kreeg ik een ongelofelijke trek in eten, had dorst, slaap en kou.
Op mijn paspoort na had ik niets bij me, dus voor deze trip slecht voorbereid. Zonder klok had ik ook van tijd geen notie. De fiets had geen verlichting, het was intussen donker en ik besloot te stoppen. Wat verder op, bij een woonhuis links aan de weg lag een autosloop bedrijf waar ik aanhield. Ik legde de fiets in een droge greppel, en niet ver van de weg af vond al gauw een VW (kever) wrak waar ik in kroop voor de nacht. Zo goed als het ging installeerde ik me op de klamme muf ruikende nog in takt zijnde bekleding van de kleine achterbank. Even dacht ik aan thuis en een warm bed en voelde me ellendig en verlaten. Door de vermoeidheid lukte het me toch bij beetjes in te dutten. Blij dat het licht werd, kroop ik uit het wrak, stapte op de stalen ros en trok verder in een stevige frisse tegenwind. In een café aan de weg wat verderop vroeg ik om een oude krant, die ik onder mijn dunne truitje deed. Jasje dicht, en in flink tempo weer verder.
De korte rust in hotel VW had geholpen. De wind nu schuin achter me, de vermoeidheid was weg en in een roes met maar één doel peddelde ik richting Frankrijk.
Eindelijk de Franse grens! Na pascontrole geen probleem, en rond de middag stond ik op een groot plein in de Noord-Franse stad Lille. Op het plein stonden enkele mensen bij een bakkerskar. Ik kon geen woord Frans. Met wat handgebaren probeerde ik de bakker uit te leggen, dat ik honger had en tevens de fiets kwijt wilde. De omstanders keken raar, en er werd wat gelachen. De bakker begreep dat ik een probleem had. Hij nam de fiets aan en gaf me een groot rond brood.

Legioen!…., vroeg ik, en op een of andere manier werd me toch de weg gewezen naar de citadel van Lille, waar ook een post van het legioen huisde. Eerst at ik nog het halve lekkerste brood van de wereld op. Toen stapte ik via een ophaalbrug de kazerne binnen. Later die dag kwam nog een Italiaan en een Duitser binnen.
De paspoorten werden ingenomen, en de volgende dag werden we per busje naar Fort de Nogent in Parijs gebracht waar we ons bij een man of acht anderen voegde. Er volgde een niet al te uitgebreide medische keuring, waarna men ons de verbintenis liet tekenen. ”Ik kon me nog bedenken”, zei de man die me het contract voorlegde; ”morgen ist es zu spat!”…., liet hij weten terwijl hij me doordringend aankeek. Als of ik hem niet had gehoord, tekende ik, en was geëngageerd in het beroemde Legion Etrangere. We werden voorzien van militaire kleding, (tenue des bleu᾿s) en per nachttrein vertrok het hele zooitje naar fort St. Nicolas, aan de oude haven van Marseille.
Na enige dagen in het fort begon ik wat Franse woorden te onthouden. De eerste waren, manger (eten) en garde de nuit (nachtwacht).
Als garde de nuit stond je met een honkbalknuppel buiten de gang tegen eventuele wildplassers.
Overdag wat corveeën, en eindeloos op je beurt wachten voor ondervraging door het 2e Bureau (soort France Interpol).
Dit om je hele levensloop en namen van je verdere familie aan hen op te biechten. Meerdere malen het zelfde verhaal afratelen en op het laatst niet meer op vriendelijke toon.
Ook de onderlinge sfeer in het fort werd grimmiger.
De roes waarin ik me eerder bevond was deels voorbij door het lange wachten op verscheping.
Ik dacht veel na over allerlei dingen. Terwijl ik op een dag vanuit het fort over het blauwe water van de haven de schitterende omgeving bekeek kreeg ik het even slecht. Ik voelde me plots als een gevangene en begon nu al de vrijheid te missen, dacht aan thuis, mijn ouders en iedereen die ik zonder enig afscheid stiekem had verlaten. Ik had alleen aan mezelf gedacht. Hoe zou moeder dit verwerken. Een schuldgevoel kwam boven. Ik wilde hier weer weg. Deze stoere jongen van achttien die wel eens zou laten merken wie hij was door te tekenen voor het Franse vreemdelingenlegioen moest even janken.
Impulsief stapte ik op een kaderlid af, en zei hem in slecht Duits dat ik hier weer weg wou. Die hoorde mijn klaagzang even aan, en meteen daarop werd ik bij mijn nekvel gegrepen en naar een bureau gebracht. Mijn begeleider mompelde wat met de daar aanwezige superieur en even later werd ik vervolgens onder in het fort in een cel gezet.
Men hield hier duidelijk niet van watjes.
[…]