Een Hollandsche jongen in Fransche krijgsdienst

Een week van vier bajonet aanvallen.
Vele Hollandsche gesneuvelden
Naar Soissons terug.
Naar de Dardanellen.
Van den woedenden strijd in Arras zijn mij misschien het levendigst in de herinnering gebleven drie dagen rust. Ja die rust van soldaten, uit de loopgraven gekomen, bevuild, uitgeput, half verhongerd!
Eén dagvan de drie zijn zij kwijt met wasschen. Wasschen, wasschen, het is de hevigste noodzakelijkheid voor den loopgravenkrijgsman. Kan men er zich een voor stelling maken hoe zo’n man er uitziet na een wekenlang ondergronds verblijf. Zijn enige behoeften zijn slapen en eten omdat bij die voelt ondanks de spanning zijner zenuwen. Al het ander is hem om het even en moeite te doen om water te krijgen in de loopgraven, stel al dat het mogelijk ware, voor reiniging daar daar kan dus geen sprake van zijn. Dus eerst wasschen. Oók omdat hij dit moet, omdat het hem bevolen wordt. Dan wapens schoonmaken, wat wederom een heidensch werk is daarna exerceeren en oefenen als was men recruut.
Vooral voor ons, in de formatie van het vreemdelingen legioen, verbonden, was men streng. Ik heb hier bij Arras negen Russische studenten zien doodschieten, omdat zij weigerden te excerceeren. Zij stonden rechtop onder den blinddoek en vielen met den kreet: „Vive la France, mort a la Legion!” .
Ernstige klachten van Belgen en Engel schen in ons legioen werden eerst al even ruw en onvriendelijk ontvangen, doch toen de gezanten er in gemengd werden, hadden deze menschen de satisfactie, dat zij naar hun eigen legers in het Noorden overgebracht en gerespecteerde soldaten werden.
Drie dagen rust waren intusschen gauw om en toen gingen we weer naar de gevechtslijn en vooraan, naar de gevaarlijkste punten.
De vreselijkste tijd uit mijn dienstvervulling brak aan. Of was het dien tijd aan de Dardanéllen? Ik weet het eigenlijk niet maar wel weet ik, dat we hier vier bajonetaanvallen hebben uitgevoerd, die verschrikkelijk, die moorddadig waren. Maar de Duitschers hebben ervan gelust! Vreselijk. Elk der vier aanvallen bracht hun enorme verliezen toe.

door Francois Flameng
Bii den eersten aanval vermeesterden we 30 machinegeweren en drie kanonnen maakten we 120 Duitschers gevangen en vonden we een goede 200 dode vijanden. Gelegenheid om te begraven was er niet we bestrooiden ze met ongebluste kalk en lieten ze, als wij verder voortrukten liggen.
Dan had de achterste linie de gelegenheid en ook de taak, om ze Christelijk te begraven.
Dat geschiedde steeds met veel piëteit en alle herkenningstekens werden zorgvuldig verzameld door de service de renseignemerit, die kennis van haar vondsten aan het Duitsche legerbéstuur geeft. Zo weet men aan de andere zijde van den Rijn, wie er gevallen zijn.
De tweede bajonetaanval was nog moorddadiger. Hij kostte den vijand 700 man, maar wij verloren er 900, helaas. Het derde bataljon vreemdelingenlegioen en een regiment Zouaven voerden hem uit en we werden aangevoerd door een kolonel van 38 jaar. Voor en na waren al onze hoofdofficieren gesneuveld.
We pakten hierbij twee gauwdieven, met wie korte metten werd gemaakt. De eerste was er één van de Pruisische garde het keurkorps, die 64.000 francs bij zich had. Op de vraag hoe hij aan zo’n schat kwam, stamelde hij, dat Zwitsersche familie hem het geld gestuurd had. De lompe leugen was al te tastbaar. En dc ander bad vijftien gouden horloge in zijn zaken. Die wist geen smoes te verzinnen. Beiden werden zonder veel omhaal gefusilleerd.
Bij den derden bajonetaanval hadden we de flank-reserve. Toen de vijand door een schrikkelijke beschieting met machinegeweren in de war was gebracht stormden wij er op in en joegen de Duitschers t terug.
Dat was vechten! Flang, elk ogenblik ging de bajonet in een ander lichaam! Het was lijfsbehoud geen kwartier te geven, men moest moorden zonder enige terughouding. Flang, flang, met dozijnen staken wij de vijanden overhoop, tot ze op de wilde vlucht sloegen. Hadden we toen versterkingen gehad, de Duitschers waren Frankrijk uitgedreven. Doch die ontbraken, jammer genoeg en we moesten ons wederom met een eenvoudige terrein winst tevreden stellen. We waren er allen bitter om gestemd. Zó’n kans zou niet gauw terugkomen. De Duitschers waren in een paniek, gewoon een paniek, op de loop gegaan, dol van angst.
Dezelfde week — alle vier de aanvallen geschiedden in één week — gingen we er voor den vierden keer met de bajonet op in. Toen was de kern van onze troep een regiment cavaleristen zonder paarden. Paarden waren immers in deze gevechten onbruikbaar en de soldaten konden niet worden gemist.
Dat was een prachtige aanval.
We wonnen 7 K.M. terrein en namen een geheelen Duitschen generalen staf gevangen, met drie opperofficieren en doodden een massa Duitschers.
Onze verliezen waren toen niet zoo zwaar, maar de Hollanders hadden veel te lijden.
Daar sneuvelden een Rotterdammer: Kortenaar, een Amsterdammer; sergeant Funke, een Bredanaar: Jansen; daar sneuvelden ook twee broers Koekebier, Brabanders geloof ik, en van vier broers De Boer werden er drie dood opgeraapt en werd de vierde vermist.
In dezen aanval verloren ook 300 Poolsche Joden aan onzen kant hét leven.
Het was den 26sten November, mijn verjaardag, dat die week om was, die week van bloed en wraakoefening. Wij Hollanders, die onder elkaar altijd onze moedertaal spraken, wenschten elkaar geluk, dat wij overlevenden, er nog waren en we bespraken met ontroering onze makkers, die daar nu in één graf bijeen lagen.
In Arras bleven we tot den 15den December.
We hadden er veel van de kou te lijden, dag aan dag woei en sneeuwde het en laat ik eerlijk zijn, ja; toen dacht ik dikwijls aan mijn familie en vrienden in Holland, die zoo in het avonduur, rustig op hun lekker verwarmde kamers, gezond en on bezorgd, hun Nieuwsblad konden lezen.
Wat zegt zulke menschen een telegram: „Voorpostengevechten bij Arras”, zonder meer dikwijls, terwijl wij rilden van kou en ellende en elk uur de dood voor ogen zagen en nochtans goed gehumeurd waren!
Ja waarachtig, goed gehumeurd!’ Nooit heb ik zoveel moppen horen vertellen, als daar, in die erbarmelijke winteravonden bij Arras onder den gierenden storm, terwijl de granaten over ons heen huilden. Mijn hemel, wie heeft een voorstelling van den oorlog, die het alleen van horen zeggen hebben moet? Wie analyseert naar waarheid de sensaties van den soldaat op het slagveld? Moed! Ja zeker, we waren moedig. Maar de Duitschers zijn óók moedig. Men moet moedig wezen, kan bijna niet anders. Je bent soldaat, je moet vooruit, je kan niet terug, dat weet je dus je denkt niet en lóópt vooruit.
Bij de Duitschers kwam dan nog het feit, dal zij in den rug door eigen machinegeweren bedreigd werden. Van Arras trokken we terug naar Soissons, wij vreemdelingen: een tocht van twee a driehonderd kilometer te voet, om de negende divisie te versterken, die daar gevoelig klop had gehad. Dat was een afwisseling, zo’n marsch, we waren er blij om en liepen zingende voort, als gingen we naar moeders pappot in plaats van naar weer een nieuwe vuur lijn. We zijn in Soissons maar drie dagen gebleven en daar hadden wij, speling van het noodlot, een bajonetaanval van de Duitschers op te vangen. Wij waren getraind, wij kenden het handwerk! Wij wisten de aanvallers af te wachten! En wij sloegen de Duitschers met kolossale verliezen neer. Toen het gevecht uit was en de vijand teruggedreven, lagen de velden, zover wij ze overzien konden, bezaaid met lijken van Duitschers. Een afschuwelijk gezicht, maar dat je toch weinig ontroert. Het sterkst in je is een gevoel van bevrediging, dat je daar zelf niet tussen ligt.
Na deze drie dagen kreeg de helft van ons legioen het bevel mee naar de Dardanellen te gaan.
Dus naar Marseille en daar scheep. (Wordt vervolgd).