Bij Koninklijk besluit vergunning verleend tot het dragen van de Fransche koloniale medaille

Het spoor naar een nieuwe bron van “Nederlandse legionairs”

Het was bij het onderzoek naar de mogelijk Nederlandse legionair Pieter Piekema dat ik voor het eerst een verwijzing naar een Koninklijk besluit tegen kwam in o.a. de Staatscourant waarbij

” vergunning verleend [werd] tot het dragen van de [ Fransche ] koloniale medaille”.

Pieter Piekema had deze onderscheiding zeer waarschijnlijk toegekend gekregen toen hij diende in het Franse Vreemdelingenlegioen.
Soortgelijke Koninklijke besluiten kunnen dus mogelijk een bron zijn van namen van Nederlanders die eerder in het Franse Vreemdelingenlegioen hadden gediend.

Koninklijke besluiten

Via Delpher werden de volgende Koninklijke besluiten gevonden waarbij vergunning werd verleend tot het dragen van de Fransche koloniale medaille. In chronologische volgorde:

Colonne en Marche (Soudan)

Bij Koninklijk besluit van 8 Maart 1897 no. 30 is aan den voor den dienst in Indië bestemden soldaat H. Steffens, van het koloniaal werfdepot, vergunning verleend tot het dragen van de Fransehe koloniale medaille met de gesp “Senegal et Soudan”.

Bij Koninklijk besluit van 27 April 1897 no. 33 is aan den voor den dienst in Indië bestemden soldaat A. Delwof, van het koloniaal werfdepot, vergunning verleend tot het dragen van de Fransche koloniale medaille met de gesp „Tonkin”.

Bij Koninklijk besluit van 19 Juni 1897 no. 30 is aan den gegageerden militair van het leger in Nederlandsch-Indië A. Smet, thans sergeant-titulair, facteur bij het Koninklijk Militair Invalidenhuis op Bronbeek , vergunning verleend tot het dragen van de Fransche koloniale medaille met de gesp „Algerie”.

Prise d’un village (Dahomey)

Bij Koninklijk besluit van 13 Mei 1898 no. 56 is aan den voor den dienst in Indië bestemden soldaat C. Siebenmorgen, van het koloniaal-werfdepot, vergunning verleend tot het dragen van de Fransche koloniale medaille met de gesp „Tonkin” en van de herinneringsmedaille voor het deelnemen aan de Fransche expeditie in Dahomey.

Bij Koninklijk besluit van 19 September 1898 no. 32, is aan den voor den dienst in Indië bestemden soldaat K. Dietl, van het koloniaal-werfdepot, vergunning verleend tot het dragen van de Fransche koloniale medaille met den gesp Tonkin

Bij Koninklijk besluit van 6 October 1898 n°. 62 is aan den korperaal der infanterie van het leger in Nederlandsch-Indië M. H. Roloff, vergunning verleend tot het dragen van de Fransche koloniale medaille met den gesp Senegal en Soedan.

Bij Koninklijk besluit van 2 Juli 1900 n°. 46 is aan den voor den dienst in Indië bestemden
soldaat F. L. Blaes, van het koloniaal werfdepot. vergunning verleend tot het dragen van de Fransche Koloniale Medaille, met de gesp „Tonkin”.

Bij Koninklijk besluit van 2 November 1906 n°. 31 is aan den milicien P. J. L. Piekema, van het 2de regiment infanterie , de vergunning verleend tot het dragen van de koloniale medaille met gesp „Sahara”.

Bij Koninklijk besluit van 1 dezer [08-08-1907] no . 84 is aan den fuselier van het leger in Nederlandsch-Indië H. Bachmeijer (algemeen stamboek n°. 61603) vergunning verleend tot het dragen van de hem vanwege de Fransche Republiek geschonken Fransche Koloniale Medaille met gesp „Sahara”.

Bij Koninklijk besluit van 3 December 1908 n°. 12 is:
1°. aan den voor den Indischen dienst bestemden soldaat L. Pütz vergunning verleend tot het dragen van de hem vanwege Zijne Majesteit den Duitschen Keizer, Koning van Pruissen, geschonken bronzen Zuid-West-Afrika-herinneringsmedaille;

2°. aan den voor den Indischen dienst bestemden soldaat L. Tadic vergunning verleend tot het dragen van de Médaille Coloniale, met gesp, Algérie.

By Koninklijk besluit van 28 Januari 1911 no. 43 is aan den voor den Indischen dienst bestemden soldaat F. Rettig vergunning verleend tot het dragen van de hem vanwege de Fransche Repuliek geschonken Fransche Koloniale Medaille met de gespen “Sahara” en „Algérie”.

Bij Koninklijk besluit van 13 Februari 1911 n°. 26 is aan den voor den Indischen dienst bestemden kanonnier G. C. Ph. C. Mench vergunning verleend tot het dragen van de hem vanwege de Fransche Republiek uitgereikte Médaille Coloniale, met den gesp „Algérie”.

Bij Koninklijk besluit van 1 April 1912 n°. 41 is aan den voor den Indischen dienst bestemden soldaat P. Lichters vergunning verleend tot het dragen van de hem vanwege de Fransche Republiek geschonken koloniale medaille met den gesp „Algérie” en van de nationale medaille ter herinnering aan de expeditie in Marokko met den gesp „Casablanca”.

Aan den Europeeschen fuselier G. A. Stekelenburg is vergunning verleend om de hem van de Fransche regeering verleende onderscheidingen, nl. het Croix de Guerre en de médaille Coloniale met den gesp „Marokko 1925″ te mogen dragen.

[ De koerier 10-07-1928 ]

Bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1937 n°. 33 is aan den dienstplichtig soldaat J. Verdonk, van het 22ste regiment infanterie, vergunning verleend tot het dragen op de uniform van de eereteekenen van:
1. la médaille coloniale, en
2. le croix du combattant,
hem verleend door de Fransche Regeering.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

© Copyright | NLLegioen | All Rights ReservedPowered by Crossing Over